Opinie

Het sacrale taboe

Eerbetoon of heiligschennis' In zijn papiercollage 'De heilige maagd Maria' (dit is slechts een fragment) verwerkt kunstenaar Chris Ofili olifantenpoep, tot ontzetting van velen. Hier gebruikt Ofili ' Brit met Nigeriaanse wortels ' naast de door hem vaker benutte mest olieverf, glitter en polyester hars op het schilderslinnen. ( AFP)

Volgens filosoof Ger Groot hoeven we niet ondersteboven te raken van de ontdekking dat wij aan het heilige nu eenmaal niet ontkomen. Hoe ’radicaal seculier’ we ook zijn.

De krachtterm holy shit! las ik voor het eerst aan het eind van de jaren zeventig, in de journalistieke docu-thriller ’All the President’s Men’ over het Watergate schandaal. Journalist Bob Woodward is net compromitterende informatie op het spoor gekomen over de illegale activiteiten die vanuit Richard Nixons Witte Huis worden ondernomen en hij mompelt in opperste verbazing: ’holy shit!’

Ik moest daar vreselijk om lachen. Waarschijnlijk omdat het hoogste en het laagste er zo komisch in samenkomen dat je dat nooit zelf zou hebben bedacht. Twee krachtige termen botsen op elkaar en ontmantelen zo elkaars gewicht – met een zo mogelijk nóg krachtiger explosie tot gevolg. Een lachexplosie, in dit geval.

Dat laatste is inmiddels niet meer vanzelfsprekend. Het heilige zelf is explosief geworden – soms letterlijk – en laat niet met zich spotten.

Dat hoeft ons niet te verwonderen. Het sacrale is altijd gevaarlijk geweest, zoals de godsdiensthistoricus Rudolf Otto in zijn baanbrekende studie ’Das Heilige’ uit 1917 duidelijk maakte. Het vormt een onheilspellend gebied dat de menselijke kracht en zeggingsmacht te boven gaat en van daaruit de mens kan vernietigen én zegenen, al naar gelang de luimen van het goddelijke. Pas heel langzaamaan is het heilige in de loop van de historie synoniem geworden met het onvoorwaardelijk goede waarmee wij dat woord nu associëren.

Daarin wordt het sacrale in zekere zin getemd en is uiteindelijk zelfs het hele wereldbeeld geseculariseerd geraakt. Naarmate het heilige verdween, raakten de categorieën van goed en kwaad hun bovenaardse status kwijt. Gaandeweg kon zich zo een ethiek ontplooien waarin het goede niet langer absoluut was maar berekenbaar werd: een kwestie van onderhandeling, van procedure of zelfs van calculatie. En met de eclips van het heilige verdween ook het idee van het taboe, dat altijd met het heilige verbonden was geweest.

Inmiddels hoeft het heilige vaak alleen maar in alledaagse termen te worden vertaald om het speciale aura ervan stante pede te verliezen. Een mooi voorbeeld bood NRC Handelsblad in februari. In een hoofdredactioneel commentaar over de ’hostierel’ in Reusel beschreef de krant het communieritueel als volgt: „Een man die in carnavalstijd een steek opzet en vaak ’alaaf!’ roept, wenst van een andere man, gekleed in een soort jurk, een stukje ongedesemd brood te ontvangen, die dan moet zeggen dat dit wafeltje het lichaam van Christus vertegenwoordigt. Je moet dat willen geloven – de kern van de zaak.”

Met dat laatste had de commentaarschrijver gelijk. Maar in de rest wrong iets. Niet omdat de feiten niet goed waren weergegeven. Wat een buitenstaander zág was inderdaad wat de krant beschreef. Maar het heilige onttrekt zich voor een belangrijk deel aan die waarneembare feitelijkheid. Het ligt minder in wat iets ís dan in wat het betekent. Wat het commentaar voor sommige gelovigen aanstootgevend maakte, was het feit dat in deze ’ontnuchterende’ weergave het heilige werd teruggebracht naar een gebied waartoe het niet behoort – en waarin het dus ook niet kan bestaan.

Voor de seculiere blik is de nuchtere beschrijving het enige wat ertoe doet, en daarin verdwijnt het heilige vanzelf. Maar deze benadering blijft wel met een probleem zitten. Want het menselijk gedrag dat met het heilige gepaard gaat, kan ze niet verklaren. Dus moet het als ’irrationeel’ buitenspel worden gezet. Het ís er wel, maar mág er eigenlijk niet zijn, en kan zéker niet serieus genomen worden. Zo schept de neutrale blik waarop het secularisme zich beroept zelf een werkelijkheid waarmee hij vervolgens moeiteloos uit de voeten kan.

Toch blijkt het heilige daarmee eerder verplaatst dan geëlimineerd. Want wie kijkt naar de huidige discussies, ziet daarin voortdurend taboes terugkeren: de vaste kenmerken van het heilige. Dat gebeurt vooral wanneer de grondslagen van onze overtuigingen in het geding zijn. Dan stoten we al snel op zaken waaraan niet getwijfeld kan en mag worden en die omgeven zijn met glans van onaantastbaarheid.

Een van de duidelijkste voorbeelden daarvan is het recht op vrije meningsuiting, dat om de haverklap in het publieke debat wordt aangeroepen. Daarbij gaat het niet om de vraag wat de vrijheden en de grenzen ervan zijn: dingen waarover heel goed een discussie te voeren zou zijn. Het recht op vrije meningsuiting is integendeel een parool geworden dat iedere discussie smoort. Wie daar vraagtekens bij zet, pleegt een soort heiligschennis, is geen gesprekspartner meer maar een vijand.

Niet alleen principes, ook symbolen fungeren in de ’neutrale’ cultuur nog altijd als heilige voorwerpen. En net als bij de godsdienst hebben deze moderne, seculiere taboes veelal te maken met de stichtingsmythes van een land of gemeenschap. In Nederland heeft de Tweede Wereldoorlog die plaats overgenomen van de Tachtigjarige Oorlog. De Oorlog fungeert als criterium voor zo ongeveer elk moreel en politiek vraagstuk.

Hoe heilig en taboe de Tweede Wereldoorlog geworden is, bleek bij de debatten rond de vraag hoe ’grijs’ de Nederlandse bevolking tijdens de Bezetting eigenlijk geweest was. Op zich is dat geen schokkende vraag: mensen zijn nu eenmaal altíjd nogal grijze wezens. Maar juist met betrekking tot de Oorlog hakte die constatering er diep in. Want daarmee leek de morele sleutelrol van die periode te worden ontkend. Ontnuchtering sloeg de basis weg onder de stichtingsmythe die ’de Oorlog’ geworden was. En daarmee dreigde in zekere zin het hele onderscheid tussen Goed en Kwaad te verdwijnen, want zo’n stichtingsmythe bepaalt juist de criteria daarvan.

De categorie van het heilige is dus niet voorbehouden aan een religieuze levensopvatting. Ze doet zich gelden in iedere samenleving of cultuur, als het stichtende taboe dat zich boven de banaliteit van de simpele feiten verheft en dat zich onttrekt aan onze wil of zeggenschap. Het secularisme sluit daar gemakkelijk de ogen voor, omdat het de absolute vrijheid van het individu niet graag ingeperkt ziet worden. Daarom herhaalt het keer op keer: ’Niets is heilig’, als een mantra waarin het steeds weer opnieuw zichzelf fundeert.

Maar hoe ondubbelzinnig die formule ook mag klinken, in feite zegt het radicaal secularisme daarmee twee dingen tegelijk. Enerzijds wil het niets als onaantastbaar laten gelden op grond van traditie of gedachtenloze acceptatie. Niets heeft zomaar recht op bijzonder ontzag waarin het zich gevrijwaard mag weten van kritiek, nader onderzoek, spot of ’ontheiliging’. En dus staat alles open voor de ruwe aanpak waarvan in ons land Theo van Gogh de meest spraakmakende incarnatie was.

Een subtielere vorm van afwijzing van het heilige vinden we bij mensen als Herman Philipse en Paul Cliteur. Zij erkennen wel dat een bepaalde tekst (of gebruik, plaats of voorwerp) een bijzonder ontzag verdient – maar dat ontzag moet altijd redelijk beargumenteerbaar blijven. Om een simpel voorbeeld te geven: Philipse en Cliteur vinden het ongetwijfeld ongepast wanneer een groepje buurtjongens zou voetballen op de binnenplaats van de Amsterdamse Hollandsche Schouwburg. Theo van Gogh schrok er daarentegen niet voor terug dergelijke taboes te schenden, om de altijd weer ’dreigende’ sacralisering tegen te gaan.

Dat laatste is een veeg teken. Want waarom zou het heilige ons zo consequent blijven bedreigen? waarom steekt het altijd weer de kop op? Het radicaal secularisme wijt dat het liefst aan achterlijkheid. In werkelijkheid keert het heilige steeds weer terug omdat we er nu eenmaal niet buiten kunnen – ook niet in ons beroep op een radicale redelijkheid.

Het morele taboe eist eerbied voor een plaats als de Hollandsche Schouwburg. In de visie van het secularisme moet de argumentatieve rede voor de houdbaarheid ervan instaan. Maar ook deze benadering gaat uit van een absoluut en onaantastbaar beginpunt: de redelijkheid zelf. En je kunt niet anders dan toegeven dat het principe van de redelijkheid moeilijk te weerleggen is. Niet-rationeel denken is nu eenmaal... niet rationeel.

Maar wie vraagt naar een nadere opheldering van die cirkel-formule, ontdekt tegelijk ook de begrensheid daarvan. Redelijkheid is alleen ’redelijk’ voor haar eigen redelijkheid. Het principe ervan kan niet ter discussie worden gesteld, tenzij op zijn eigen condities. En daarmee komen we in een wonderlijke logica terecht, die geen andere is dan die van het heilige taboe. Het principe moet onaantastbaar blijven, wil het hele denkgebouw niet ineenstorten.

Om misverstanden te voorkomen: mij is de rede zeer dierbaar. Zozeer zelfs dat ik in haar de onherleidbare kern zie die ook zijzelf niet anders dan in een cirkelredenering kan uitdrukken. Echt redelijk is zij pas wanneer zij dit heilige taboe in zichzelf onderkent. Doet ze dat niet, dan loopt ze het gevaar op haar beurt een naïef soort geloof te worden dat nodig om verlichting vraagt.

De moeilijkheden dienen zich al snel aan. Zo heeft de redelijkheid geen enkel verweer meer tegen de verwoestende kracht van Theo van Gogh. Op grond van haar principiële leerstuk van de vrije meningsuiting moet zij diens recht verdedigen om elk taboe te schenden en erkennen dat het woord radicaal vrij is. Met de vrijheid van spreken staat of valt haar rationaliteit.

Maar op grond van datzelfde criterium is zij niet in staat datgene wat werkelijk gezegd wórdt, te beteugelen. Dat ook woorden gewelddadig kunnen zijn (zelfs wanneer zij niet direct tot geweld oproepen) is voor haar ondenkbaar. Het geweld waarin het woord een reële en niet door de rede te pareren kracht kan uitoefenen bestaat in haar wereld niet. Of liever gezegd: het mág daarin niet bestaan en kan (ja zelfs moet) daarmee worden genegeerd.

Daarom verzandt de discussie rond de vrijheid van meningsuiting zo vaak in een steriele bevestiging van dit principe en een ontkenning van de moeilijkheden die dat veroorzaakt. Enerzijds wordt op rituele wijze dit beginsel herhaald, en anderzijds worden de daardoor opgeroepen fricties buiten het veld van de rationele openbaarheid geplaatst. De geschoffeerden moeten hun ergernis maar leren verbijten in de private ruimte van het innerlijk – en als zij daartoe niet in staat zijn, hebben ze een stevige opvoeding nodig. De problematische werkelijkheid wordt vlotjes opgeofferd aan de ogenschijnlijke helderheid van het principe.

Het religieuze ’kamp’ is aangedaan door de moderne, secularistische cultuur. De godsdienst heeft te maken gekregen met spot en ontheiliging, maar dat is niet zijn grootste probleem. Religieuze overtuigingen, praktijken, teksten én hun geschiedenis zijn ook onderwerp geworden van een wetenschappelijke nieuwsgierigheid die vanuit een strikt aards standpunt opereert. Onderzoek en reflectie beroofden de godsdienst van zijn vanzelfsprekendheid, doordat ze het absolute dat hij pretendeert te belichamen, relativerend bekeken.

Dàt is voor de religie een veel grotere uitdaging. Wat blijft er onder de wetenschappelijke blik nog over van de heiligheid van haar teksten en tradities? De gelovige ziet daar al snel een banalisering en ontheiliging in. Het vorsende denken begeeft zich in Gods geheimen, die het aan ondermaanse criteria onderwerpt. Dat werkt even ontnuchterend als de ’grijze werkelijkheid’ die de morele stichtingsmythe van de Tweede Wereldoorlog leek te bedreigen.

Gemakkelijk keert de religie zich dan af van de wetenschap, die van haar kant dan ook niets meer van de godsdienst denkt te kunnen verwachten. Uiteindelijk gaan beide elkaar taboeïseren. Dan wil de voorvechter van het onderzoek niets weten van enige sacraliteit, uit angst voor censuur in naam van het heilige, en wil de kampioen van het ’sacrale’ niets weten van enig onderzoek, uit angst voor ontheiliging van wat hem dierbaar is.

Beiden hebben ongelijk. Ze zouden zowel hun eigen positie als de werkelijkheid zelf zoveel beter begrijpen wanneer zij zich niet langer door hun vrees lieten verlammen. Dan kunnen ze het inzicht toelaten dat zij veel meer gemeen hebben dan ze denken. Dat maakt hun standpunt niet gelijk, maar zij kunnen daarover wel als gelijken spreken. Terloops ontdoen zij daarmee de wereld bovendien van een even gevaarlijk als explosief misverstand.

Secularisten doen er goed aan hun angst voor de godsdienst wat meer in toom te houden, een groter vertrouwen te stellen op de rede die zij (terecht) zo hoog achten. Ze moeten zichzelf ervan overtuigen dat ze sterk genoeg staan om af te zien van de karikaturen waarmee ze zich elke glimp van religiositeit van het lijf trachten te houden.

Oog in oog met een ontmythologiserende wetenschap doet de gelovige partij er aan de andere kant goed aan meer vertrouwen te hebben in de wijsheid Gods op wie zij zich zo hartstochtelijk beroept – en aanvaarden dat Hij de mens zijn verstand niet voor niets gegeven heeft. Natuurlijk is de mens zondig en zijn verstand vaak vertroebeld, maar dat hoeft hem er niet van te weerhouden met zijn talenten te woekeren.

De gelovige hoeft zelfs niet uit te sluiten dat deze verstandsarbeid zijn overtuiging eerder helpt dan ontmantelt.

Neem de status van religieuze teksten. Die hebben voor de gelovige ontegenzeglijk een bijzondere betekenis. Maar dat impliceert nog niet dat het menselijk verstand zich niet zou mogen buigen over de ontstaans- en werkingsgeschiedenis ervan, en over de historische én literaire betekenis die daarin vervat zouden kunnen liggen.

Zo’n benadering zal het heilige in deze teksten relativeren of zelfs banaliseren. Maar opnieuw zou de gelovige hier vertrouwen moeten hebben in zijn eigen geloof. Niets verhindert hem immers ervan overtuigd te blijven dat ook door deze historie van de tekst de goddelijke stem spreekt, al gebeurt dat dan niet op letterlijke wijze. De heiligheid van de tekst hangt niet af van de overtuiging dat Bijbel of Koran vanaf het allereerste begin in volledige en onveranderlijke vorm en betekenis aan de mensheid gegeven zijn.

Zo is het op wetenschappelijke gronden onmogelijk geworden de eerste hoofdstukken van het boek Genesis te begrijpen als een letterlijke weergave van het ontstaan van de aarde, het leven en de mensheid. Wie zich aan die gedachte vastklampt, pleegt niet alleen verraad aan de rede en het menselijk vermogen tot wetenschap, maar zal in zijn illusie op den duur onherroepelijk het onderspit delven. Wie meent de inzichten van de biologie, de geologie en de astronomie naast zich neer te kunnen leggen op grond van een maximale orthodoxie, zal uiteindelijk helemaal níets meer over houden.

Als het heilige voor de gelovige ergens in schuilt, dan is het dus niet in de onaantastbare letter van de tekst. Niet in die letterlijkheid, maar in de goddelijke oorspronkelijkheid die een gelovige in die tekst meent te bespeuren, houdt zich voor hem het sacrale op. Daarom is niet het heilige boek voor hem onaanraakbaar, maar wel het mysterie waarnaar dat verwijst, en dat de gelovige ’het goddelijke’ noemt.

Die visie hoeft de ongelovige helemaal niet te delen. De atheïst die ik zelf ben deelt die in ieder geval niet – maar probeert wel de verdedigbaarheid daarvan te onderkennen. Zelf staat hij immers op even onzekere, ’heilige’ grond als de gelovige. Dat behoedt hem ervoor het sacrale te gemakkelijk af te wijzen als iets waarmee hij volstrekt niets te maken heeft. Ook hij steunt uiteindelijk op de logica daarvan – al maakt hem dat nog allerminst een religieus mens.

De geseculariseerde cultuur kan de ogen maar beter niet sluiten voor het heilige als iets ’achterlijks’ dat het definitief overwonnen heeft. Uiteindelijk zal deze cultuur daarmee alleen maar zichzelf steeds slechter gaan begrijpen.

De onzekerheid die daarmee gepaard gaat – een verborgen motief van het huidige onbehagen – lijkt me verantwoordelijk te zijn voor de destructieve woede waarmee de hedendaagse cultuur iedere rest van het sacrale wil uitwissen. Daarin heeft de strijd tegen het heilige een bijna belijdenis-achtige zwaarte gekregen, die het meest naïeve religieuze fundamentalisme naar de kroon steekt en even paradoxaal en zelfvernietigend is.

Seculier en religieus fundamentalisme zijn op deze manier verzeild geraakt in een koers van wederzijds verzekerde destructie, waarin elk op zijn eigen wijze zijn wanhoop tracht te smoren. Een werkelijk begrip voor het heilige kan zich een ontspannener houding veroorloven, precies omdat het weet wat het wél en wat het níet te duchten heeft. Daarin kan het zich overgeven aan een vertrouwen waarin het sacrale wordt erkend als voedingsbodem van de cultuur in plaats van als concurrent.

We hoeven niet ondersteboven te raken van de ontdekking dat wij aan het heilige niet ontkomen. Het is datgene wat onze levensvisie draagt, en niet verder te funderen valt. Daartegenover past een zeker ontzag, maar juist waar het allerdiepste op het spel staat is ook een grote rol weggelegd voor het besef van betrekkelijkheid, ironie en humor. Het hoogste en het laagste komen in een bevrijdende lach bij elkaar, en eenstemmig mompelen de secularist èn de gelovige: holy shit!

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden