Het record van Sjostakovitsj

Binnen één week voeren drie verschillende orkesten dezelfde, mysterieuze, symfonie uit: de Vijftiende van Sjostakovitsj. Het is een belangrijk hoogtepunt in het pas begonnen Sjostakovitsj-jaar.

Het is een hardnekkig bijgeloof onder componisten sinds Beethoven dat je, als je geluk hebt, rond de negen symfonieën mag schrijven. Daarná komt de dood je halen. Kijk maar naar Franz Schubert (acht symfonieën voltooid), kijk maar naar Anton Bruckner (negen genummerde symfonieën, naast een paar valse starts), kijk maar naar Antonin Dvorák (negen stuks) kijk maar naar Gustav Mahler (op de drempel van zijn Tiende gestorven).

Dat een componist als Dmitri Dmitrijevitsj Sjostakovitsj, van wie we dit jaar zijn honderdste geboortedag vieren, het maar liefst tot vijftien voltooide symfonieën heeft gebracht, plus nog een opzet voor een zestiende, zal menigeen tijdens zijn leven dus verbaasd hebben. Niet in de laatste plaats omdat de componist, van wie dit jaar het honderdste geboortejaar wordt herdacht, voortdurend roofbouw pleegde op zichzelf.

Sjostakovitsj rookte als een schoorsteen, dronk daar wodka bij als water en was een nagelbijtende zenuwlijder die regelmatig te kampen had met depressies. En die bovendien onder hoge druk stond van het sovjetregime: een werk componeren dat de communistische partijleiding niet welgevallig was, kwam hem een aantal maal te staan op een uitvoeringsverbod met openbare excuses.

Balanceerde hij in de eerste dertien symfonieën voortdurend op de rand van het politiek toelaatbare, zo toonde Sjostakovitsj in de Veertiende symfonie (een orkestliederencyclus op teksten over de dood) voor het eerst aandacht voor zijn eigen sterfelijkheid. Begrijpelijk, want al vanaf het midden van de jaren vijftig kondigde zijn levensavond zich zonder pardon aan. Eerst begaf zijn rechterhandmotoriek het door polio. Het jaar daarop kreeg hij zijn eerste hartaanval, in 1971 zijn tweede, en in 1972 werd longkanker geconstateerd. Tussendoor kwam hij verscheidene keren ten val, waarbij hij van alles brak. In 1967 schreef hij ironisch in een brief: “Behaalde doel tot zover: 75 procent (rechterbeen gebroken, linkerbeen gebroken, rechterhand defect. Alles wat ik nu nog hoef te doen is mijn linkerhand ruïneren: dan is 100 procent van mijn ledematen buiten dienst).“

In april 1971 begon Sjostakovitsj te schrijven aan zijn laatste symfonie. Hij noemde de op handen zijnde Vijftiende zijn eerste 'pure' symfonie sinds de Tiende, die hij zo'n achttien jaar daarvoor componeerde. 'Puur' in de zin van “zonder ideologische inhoud“, zo schreef Sjostakovitsj in een brief over het werk dat hem vanaf het begin als een visioen voor ogen had gestaan.

De Vijftiende is helemaal Sjostakovitsj, maar het is ook zijn meest raadselachtige symfonie. De bezetting is die van een normaal orkest, met nogal wat slagwerk. Maar anders dan anders pakt Sjostakovitsj nooit echt met alle instrumenten uit en legt hij de nadruk op kamermuzikale groepjes en solisten. Geen groot vertoon van krachten dit keer, maar een vreemde objectiviteit die soms bizarre wendingen neemt.

Dat geldt met name voor de citaten die Sjostakovitsj gebruikt: behalve uit zijn eigen werken (onder andere de Vierde en de Zevende symfonie), leende hij ook uit werk van collega's.

Zo nemen de koperblazers in het door Sjostakovitsj als 'speelgoedwinkel' aangeduidde luchtige eerste deel ineens een bizarre afslag als ze de beroemde galop uit Rossini's opera 'Guillaume Tell' inzetten: een fanfare-versie die het deel tot een soort kermis-in-de-hel maken: het onweert terwijl de zon schijnt. Sfinx Sjostakovitsj zelf beweerde dat het citaat een van zijn vroegste muzikale herinneringen uit zijn jeugd was. Volgens sommigen verwijst de mechanische muziek naar de sovjet-burgers die net zo vrij zijn als de radertjes in een dolgedraaid uurwerk.

Of neem het laatste deel: een adagio in de beste traditie van de afscheidssymfonie. Zoals Gustav Mahler in zijn Negende een liefdesmotief tegenover een doodsmotief zet, zo opent Sjostakovitsj' Vijftiende met twee citaten uit onverwachte hoek: uit Wagners 'Walküre' op het moment dat Brünnhilde aan Siegmund verschijnt en zegt dat hij hij moet sterven. Dat citaat laat Sjostakovitsj overgaan in de openingstonen van 'Tristan und Isolde', de Wagner-opera die over een liefdesdood gaat. En alsof dat nog niet genoeg is, slingert het geheel vervolgens naar een orkestrale versie van een lied van Glinka: “Kwel me niet onnodig / Door terug te keren naar je oude liefkozingen. / Voor een ontgoochelde man / zijn alle oude verleidingen vreemd.“

Na het retrospectief van het eerste deel klinkt de finale als het 'Leb Wohl' ('Du allein weißt was es bedeutet') uit Mahlers onvoltooid gebleven Tiende. Helemaal in combinatie met het eenzame tikken in het slagwerk aan het slot: het aflopend uurwerk des levens? Het open A-akkoord in de strijkers wordt nog op het laatste nippertje aangevuld met een grote terts door de klokken in het slagwerk: Sjostakovitsj' laatste eindigt daardoor niet in mineur, maar in majeur. Hoe raadselachtig. En hoe typisch Sjostakovitsj.

Sjostakovitsj' Vijftiende symfonie:

Gelders Orkest olv Nikolai Alexejev: 9, 10, 11/3 in Nijmegen, Enschede en Arnhem;

Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. James Conlon: 10, 11, 12/3 in de Rotterdamse Doelen;

Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Markus Stenz: 15, 16 en 17/3 in het Concertgebouw, Amsterdam.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden