Het recht op onpartijdige ambtenaren

Stel je voor, een non in habijt als griffier van de rechtbank. Dat is in Nederland uit den boze. Zou het hoofddoekje dan wel door de beugel kunnen? Het is te hopen dat minderheden respect opbrengen voor de seculiere staatsinstellingen die hen moeten beschermen.

Erik Jurgens

'Discrimineren op grond van levensovertuiging mag nu eenmaal niet', zo wordt een lid van de Commissie Gelijke Behandeling geciteerd. Als dit inderdaad de motivering omvat van het oordeel van de commissie over het dragen van een hoofddoekje door een hulpgriffier bij de Zwolse rechtbank, dan is dit een eenzijdige benadering.

Die commissie zou eigenlijk voluit moeten heten 'Commissie Gelijke Behandeling in Gelijke Gevallen'. Want degene die van mening is dat sprake is van discriminatie moet niet alleen aantonen dat er sprake is van ongelijke behandeling, maar ook aannemelijk maken dat in het gegeven geval geen bijzondere situatie aanwezig is die de ongelijke behandeling rechtvaardigt.

De Zwolse rechtbankpresident vindt dat zo'n situatie wel aanwezig is: de rechterlijke macht, zegt deze, moet niet zelfs de schijn van partijdigheid wekken. Het dragen van een hoofddoekje is een uiting van een overtuiging, in dit geval een rechtzinnig religieuze overtuiging. Is hier sprake van ongelijke behandeling? Nee, zeg ik, want deze norm geldt voor eenieder die deze functie uitoefent, welke de overtuiging van de betrokkene ook is. Betekent dit dat iemand die zich toch door zijn klederdracht als rechtzinnige moslim wil afficheren zich voor dit ambt diskwalificeert? Ik vrees dat dit inderdaad het geval is. En ik denk dat dit in belang is van de religieuze minderheden zelf om dit in te zien.

Ik ben van roomsen huize. Ik heb in mijn jeugd nog meegemaakt dat priesters ook in het openbaar een tot de enkels reikende toog droegen ('zwartrokken' of 'kraaien' was toen een veelal antipapistisch bedoelde volksnaam voor deze categorie). Bij nonnen ging het nog een stapje verder. Tot hun allesomhullend habijt behoorde meestal ook een kap, soms van forse afmetingen, welke steeds in het openbaar werd gedragen, opdat hun godegewijde roeping zichtbaar werd.

Stel dat een non in die tijd zou hebben geëist dat zij, benoemd als griffier van een rechtbank of als lerares aan een openbare school, haar kap zou mogen blijven dragen en haar dit was verboden. Zouden de roomsen van toen dit hebben gezien als antipapistische discriminatie? Geen sprake van. Ook toen werd aanvaard dat er bepaalde openbare ambten zijn, bij het uitoefenen waarvan het geen pas geeft om zich openlijk te afficheren als aanhanger, zeloot of voorganger van een bepaalde overtuiging.

Het heeft dus niet te maken met de komst naar ons land in de afgelopen decennia van groepen die een afwijkende religieuze overtuiging hebben, tegenover welke groepen natuurlijk respect en verdraagzaamheid moet gelden. Ook toen kon een non die haar kap wilde ophouden niet functioneren als griffier van een rechtbank of als lerares aan een openbare school (wel aan een rk school natuurlijk). Toen bestond de Wet gelijke behandeling weliswaar nog niet. Maar ook nu zou een non dat niet in haar hoofd halen. Dit gold overigens net zo goed voor politieke als voor religieuze overtuigingen. Magistraten, politieagenten of leraren aan openbare scholen die bijvoorbeeld een NSB-armband wilden dragen, werd dit terecht uitdrukkelijk verboden.

Degenen die zo'n verbod discriminerend achten, zou ik willen vragen of van minderheden niet evenzo respect en verdraagzaamheid mag worden gevergd voor bepaalde staatsinstellingen waaraan de autochtone bewoners -als gevolg van een lang proces van ontwikkeling van democratie en rechtsstaat in onze contreien- van oudsher de eis stellen dat dienaren daarvan elke vooringenomenheid tegenover de burgers, en zelfs de toerekenbare schijn daarvan, nalaten.

De scheiding van kerk en staat is voor onze politieke cultuur wezenlijk. Heeft de 'Commissie voor de Gelijke Gevallen waarbij Gelijk Behandeld moet worden' dit beginsel mede in haar oordeel betrokken? Zo ja, dan zou ik willen weten waarom zij het grondrecht om een religieuze overtuiging uit te dragen zwaarder heeft laten weten dan het grondrecht van de anderen op een onpartijdig functionerende overheidsdienaren. Als zij de afweging niet heeft gemaakt (en de geciteerde uitspraak van een lid van de commissie doet dit vermoeden), dan acht ik dat een pijnlijke tekortkoming.

Ik zou een oproep willen doen om, bij alle voortreffelijke ontwikkelingen op het gebied van de non-discriminatie, tevens het grote goed van de scheiding van staat en kerk (en de scheiding van staat en andere particuliere overtuigingen) niet te ondergraven. Dat vergt een offer van degenen die echt overtuigd zijn dat zij zich alleen openbaar kunnen vertonen met bepaalde uiterlijke kentekenen van hun rechtzinnigheid. Zij kunnen bepaalde ambten niet uitoefenen. Dit offer brengen zij dan uit respect voor onze seculiere staatsinstellingen.

Het zijn immers juist ook deze instellingen die de minderheden moeten beschermen als hun rechten in het gedrang komen. Worden die instellingen zelf een forum van propaganda en van onderlinge verkettering doordat er symbolen van rechtzinnigheid worden uitgedragen, dan wordt het openbaar vertrouwen in hun functioneren wezenlijk aangetast. Dat moeten minderheden, niet willen. De Commissie van Gelijke Gevallen moge zich dit aantrekken. En de Zwolse rechtbankpresident? Volhouden, zou ik aanraden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden