Het raadsel van het kaakje van Vermeer

De vondst van Rudy VermeerBeeld Inge van Mill

Op de determinatiedag van fossielen in het Natuurhistorisch Museum in Rotterdam heerst koortsachtige spanning: er komen resten van nijlpaarden en oerossen op tafel.

Het gebeurde op 9 mei vorig jaar, 12.15 uur. Rudy Vermeer struinde over het strand van de Zandmotor, de opgespoten zandbank tussen Hoek van Holland en Scheveningen. Er stond een matig briesje, het was bij vlagen zonnig. Opeens zag hij iets uit het zand steken. “Ik dacht meteen: o, een zwart steentje. Maar het was een botje met drie tanden”, zegt de nu 28-jarige hovenier uit Haarlem.

Het was een spectaculaire vondst. Het fossiel veroorzaakte behoorlijk wat beroering onder paleontologen en amateur-paleontologen.

Dat kon Vermeer toen, op dat strand, natuurlijk nog niet weten. Hij had al eens eerder naar fossielen gezocht, op de Tweede Maasvlakte. “Daar vond ik een fragment van een menselijke schedel, zo’n 10.000 jaar oud. Maar dit was toch wel iets anders.” Hij maakte er gewoontegetrouw wel een fotootje van. Dat plaatste hij op diverse Facebookpagina’s, onder andere op die van de Werkgroep Pleistocene Zoogdieren: ‘Heeft iemand een idee wat dit kan zijn?’

Vooruitstekende tanden

Binnen een paar minuten volgden de reacties. Van Dick Mol bijvoorbeeld, een fenomeen in het wereldje van botten en schedels, beroemd om zijn onderzoek naar mammoetresten. Mol dacht direct aan een zeehond, maar twijfelde ook, door die vooruitstekende tanden. Klaas , ook zo’n autoriteit, maar dan op het gebied van botten en fossielen van zeezoogdieren, suggereerde de monniksrob (Monachus monachus). Die heeft zo’n opmerkelijk gebit. En Post had in een bottencollectie in Peru de schedel van een monniksrob gezien.

Uiteindelijk was het de Belgische zeezoogdierdeskundige Leonard Dewaele van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen die de doorslag gaf: Vermeer had inderdaad een fragment van de onderkaak van een monniksrob gevonden. Hoe Dewaele dat zo zeker wist? Vermeer: “Dewaele had in Brussel meerdere complete zeehondenschedels op een rij liggen toen we daar kwamen. Daar was een schedel van de Monachus monachus bij. Wij hadden dus een 100 procent match.” Tegenwoordig is de monniksrob zeldzaam. De Middellandse Zee kent nog maar zo’n vierhonderd exemplaren.

Ondertussen had het Centrum voor Isotopenonderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen ook al de leeftijd van ‘het kaakje van Vermeer’ bepaald: 28.000 jaar oud. “Het is de meest noordelijke vondst van een monniksrobfossiel”, zegt de vinder trots, die het fossiel inmiddels voor DNA-onderzoek heeft afgestaan aan het Deens Natuurhistorisch Museum in Kopenhagen.

De Zandmotor, geliefd onder fossielenjagers, had daarmee een raadsel gebaard. Want wat had die Mediterrane monniksrob, bekend om zijn voorliefde voor warm water, voor de Nederlandse kust te zoeken tijdens de laatste IJstijd? Was het een verdwaalde eenling, die toevallig wat beter tegen de kou kon misschien? Of zwommen er meer monniksrobben? En, de prangendste vraag: klopt ons beeld van de laatste IJstijd wel? De laatste jaren zijn er meer fossielen gevonden die daarop wijzen, onder meer van de makaak en van de sabeltandkat.

Vandaar die wat koortsachtige spanning afgelopen weekend rond de determinatiedag van fossielen in het Natuurhistorisch Museum, met deskundigen als Mol en Dewaele achter de tafel. In een hoog tempo wordt in Rotterdam het ene bot na het andere bekeken en gekeurd. Fossiele tanden worden gemonsterd, oordelen geveld. “Dit is een grijze zeehond”, zegt Mol bijvoorbeeld over een botje dat hem wordt voorgehouden. Een radius, preciseert Klaas Post. Zonder een wedervraag te stellen, schrijft de vindster, een dame van middelbare leeftijd, het in haar notitieblok. “En dat is een bovenkaakswortel van een nijlpaard”, vervolgt Mol even later als een scholiere uit Dordrecht tegenover hem is gaan zitten. “Die hebben in de Oermaas rondgedobberd, wist je dat? Die botten zijn een miljoen jaar oud, of ouder.”

Met botten spelen

Hoe hij dat zo zeker weet? “Botten hebben vaak unieke morfologische kenmerken. En als je, zoals ik, bij wijze van spreken iedere dag met botten speelt, kan je die wel herkennen.”

Zo komen restanten voorbij van talloze dieren: wilde zwijnen, nijlpaarden, oerossen, maar ook walvissen, witte dolfijnen en grijze zeehonden. Citizen science in optima forma.

“Maar helaas, er was geen match met de monniksrob”, zegt Dewaele na afloop. Het skelet van de Monachus, voor de gelegenheid uit Brussel meegenomen, heeft hij niet uit de kartonnen doos hoeven halen. De vondst van Vermeer blijft uniek - en daarmee nog net zo raadselachtig.

Mirte Medendorp (13) met haar vader Arjan Medendorp, die een spaakbeen van een Sabelrob vasthoudt.Beeld Inge van Mill

‘Jammer dat ik mijn nijlpaardtanden niet heb meegenomen’

Mirte Medendorp (13) is uit Spijkenisse naar het Natuurhistorisch Museum in Rotterdam gekomen: “Wat jammer dat ik mijn nijlpaardtanden niet heb meegenomen.” Twee vond ze er, één miljoen jaar oud, op de Tweede Maasvlakte. Het zijn de pronkstukken van de collectie die ze met haar vader Arjan aanlegde. “Ik ben begonnen met zoeken nadat mijn vader in Bretagne een bot had gevonden van een reuzehert, van 35.000 jaar oud.”

“Thuis hebben we vier bakken staan vol met water en botten”, vervolgt Mirte. Zo haal je het zout van de botten. “En we hebben ook nog twee kleine dozen én een vitrinekast. We hebben verder een stukje van een menselijke schedel gevonden, een linker gehoorgang, ook heel oud.”

“We lopen altijd naar de grond te kijken”, vult haar vader aan. En ze zijn lid van de Werkgroep Pleistocene Zoogdieren, waar de leden vondsten met elkaar bespreken. En de botten die ze dit keer meebracht zijn natuurlijk gevonden op de Maasvlakte. Ze zijn van een grijze zeehond. Of misschien toch van een zadelrob. “Maar wel vier miljoen jaar oud.” Met dank aan de Maasvlakte.

Hans van Deijl (links) toont een van zijn vondsten aan expert Dick Mol.Beeld Inge van Mill

‘Een oerwalrus of rendierbot van 40.000 jaar oud: geweldig toch?’

“Mij kennen ze in mijn woonplaats Hoek van Holland als Hans de Jutter”, zegt Hans van Deijl (64). “Ik mag graag ’s ochtends vroeg het strand op gaan, organiseer voor de VVV excursies en ik heb al van alles gevonden. Wajangpoppen, geweldig mooi hout, maar ook bijzondere schelpen, noem maar op. En nu dus fossielen.

“Als ik iets daarvan interessant vind, stuur ik een fotootje naar Naturalis, het natuurhistorisch museum in Leiden. Heel leuk allemaal. Over dit fossiel heb ik hele correspondenties gevoerd: het is waarschijnlijk afkomstig van een oerwalrus, zegt Naturalis. Maar Klaas Post houdt het op een rendierbot uit het Pleistoceen. 40.000 jaar oud, schat hij. Geweldig hè! Ik heb al eerder mooie fossielen gevonden, van wisenten bijvoorbeeld, de Europese bizons, die hebben hier ook heel lang geleden gelopen. Dan praat je over 66.000 jaar geleden. Of ik teleurgesteld ben dat het waarschijnlijk toch geen oerwalrus is? Ach nee joh, hartstikke leuk allemaal. Vooral voor kinderen. Lekker op het strand zoeken. Daarmee geef je ze toch iets heel bijzonders mee, niet?”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden