Het raadsel ’O.p.i.! A.tr.c.’ blijft bestaan

’In de laatste vergadering was de wens een speciale paragraaf over de protestanten aan de ontwerptekst voor het decreet De Oecumenismo toe te voegen. Het derde hoofdstuk bevat thans een paragraaf over de oosterse kerk en een over de protestanten. Uwe Eminentie had de wens te kennen gegeven de tekst over de protestanten nog te kunnen inzien, voordat het decreet gedrukt wordt.”

Citaat uit een brief, gedateerd 9 april 1963, van de onlangs overleden Jo Willebrands aan de Duitse kardinaal Julius Döpfner. Het schrijven van Willebrands, ontwerper van de paragraaf en secretaris van het pauselijke secretariaat voor de eenheid der christenen schreef de brief tijdens het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965), onderstreept zijn betrokkenheid bij de oecumene.

Het maakt ook duidelijk dat Döpfner op de (concilie-)ladder inmiddels zo hoog was gestegen dat teksten ter goedkeuring aan hem werden voorgelegd.

Döpfner reageert enthousiast. „Tot mijn vreugde zie ik dat het probleem [van een eigen passage over de protestanten] op gelukkige en voortreffelijke wijze is opgelost.“

De briefwisseling staat met 472 andere brieven en dagboekaantekeningen in een bronnenpublicatie, bezorgd door Guido Treffler, archivaris van het aartsbisdom München-Freising.

Döpfner werd een van de vier voorzitters van het concilie. Wekelijks voerde hij overleg met de paus over de stand van zaken.

Ofschoon de vuistdikke publicatie (en dat voor die prijs!) een formidabele bron is, zullen het toch in de eerste plaats prelaten, kerkhistorici en andere Vaticaan-watchers zijn die daaruit putten.

De annotatie van de verschillende documenten is uiterst summier en beperkt zich tot de vita van de correspondenten, de vindplaatsen van verwante archivalia en de aanduiding Wort unterstrichen, waar meer toelichting voor een betere duiding van de meeste brieven toch echt geen overbodige luxe zou zijn geweest. Ook het feit dat verscheidene Latijnse en Italiaanse teksten in deze verder Duitstalige uitgave onvertaald zijn gebleven, zal de toegankelijkheid van deze editie voor ’slechts’ geïnteresseerde leken niet echt bevorderen.

Een enkele keer komt ook de eindredacteur er niet uit: zo blijft de cryptische afkorting „O.p.i.! A.tr.c.” aan het slot van een briefje van Döpfners Keulse ambtsbroeder Frings voor hem raadselachtig.

Naast deze documentenverzameling kan daarom aanschaf van een tweede publicatie van het aartsbisschoppelijk archief, met daarin de teksten van de toespraken bij de officiële opening van Döpfners archief, sterk worden aangeraden. Naast een levensschets van Döpfner bevat dit boekje onder meer een stand van zaken met betrekking tot het onderzoek naar Vaticanum II. Ook wordt de lezer geïnformeerd over de ontsluiting van de archieven van andere hoofdrolspelers op het concilie, zoals de kardinalen Lercaro en Suenens.

Leo Declerck, voormalig vicaris-generaal van het bisdom Brussel-Mechelen, schrijft over de Belgische kardinaal dat het concilie bij hem als ’katalysator’ op bepaalde opvattingen werkte. Zo stond Suenens eerst volstrekt afwijzend tegenover welke dispensatie van het priestercelibaat dan ook, terwijl hij zich later zou opwerpen als een actief voorstander van de priesterwijding voor viri probati, oudere, gehuwde mannen met een christelijke levenswandel.

Het aardige is dat Döpfner al eerder van Saulus tot Paulus werd. In de jaren vijftig nog weigerde hij als bisschop van Würzburg samen met een vertegenwoordiger van de protestantse kerk een fabriek in te wijden. Maar door zijn werk als bisschop van Berlijn, een bisdom in diaspora in meer dan een opzicht (waarover overigens ook een aantal interessante notities van Döpfner is opgenomen), veranderde die houding en in de loop van de jaren zestig was hij een van de eerste katholieke hoogwaardigheidsbekleders die in oecumenische vieringen voorging.

Ook de dialoog met de orthodoxe kerk had zijn aandacht en daarbij ontmoette hij regelmatig onze landgenoot Willebrands. Aardig detail: zowel Döpfner als Willebrands was gepromoveerd op een proefschrift over de (bekeerde) Engelse kardinaal John Henry Newman.

Waarmee we terug zijn bij het toch relatief geringe Nederlandse aandeel in beide publicaties. In de bronnenpublicatie zijn een paar brieven van kardinaal Alfrink aan Döpfner en omgekeerd bewaard gebleven – beiden tutoyeerden elkaar overigens – en een enkele keer duikt de naam op van de jezuïet Sebastiaan Tromp (vanwege zijn namens het Heilig Officie in de jaren vijftig uitgevoerde ’visitaties’ in Nederland omstreden). In het boekje met toespraken en aansluitende forumdiscussie merkt professor Lamberigts van de Katholieke Universiteit Leuven ten slotte op dat Vaticanum II in Nederland niet echt ’leeft’, mede een gevolg van de hooggestemde verwachtingen die men in Nederland van het concilie koesterde, verwachtingen die vervolgens niet uitkwamen.

Dat is een uitspraak waarover nog wel eens nader zou kunnen worden gesproken – bijvoorbeeld bij de openstelling van de archieven van een of meer Nederlandse conciliedeelnemers?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden