Het potlood

What's in a name? Potlood. Maar er zit geen lood in ons potlood. En die pot? Die pot komt uit de Middeleeuwen. Toen schreef men met stiften van lood, tin of zilver. Loden stiften werden uit een pot met gesmolten lood gegoten. Potlood.

Op YouTube staat een college van twee minuten van de Amerikaanse econoom en Nobelprijswinnaar Milton Friedman over het potlood: I, Pencil. Aan de hand van een potlood verklaart hij de vrije markt. Niemand kan in zijn eentje een potlood maken, zegt Friedman. Hij zwaait met een potlood, een geel potlood met een gummetje aan het eind. Het maken van een potlood is een wonder. Allereerst het hout. Hoe kom je aan dat hout? Misschien moet je ergens naar het noorden. Boom omzagen. Hoe kom je aan een zaag? Hoe kom je aan dat staal? Hoe kom je aan het ijzererts?

Dit is pas het begin. Dat zwarte spul van de stift, dat wij lood noemen, is grafiet. Dat komt uit mijnen in Zuid-Amerika. Hoe kom je aan dat grafiet? Dan het gummetje. Dat is van rubber. Waarschijnlijk van Maleisië. Hoe kom je aan dat rubber?

En dat geribbelde koperen dingetje waar het gum in zit? "Ik heb geen flauw idee waar dat vandaan komt", zegt Friedman. En de gele verf? En de lijm?

Het was niet één persoon die dit potlood heeft gemaakt. "Duizenden mensen hebben samengewerkt. Mensen die niet dezelfde taal spreken, die verschillende godsdiensten hebben, die elkaar misschien haten als ze elkaar zouden tegenkomen. Wat bracht hen ertoe om samen te werken aan dit potlood? Het was geen communistische volkscommissaris die bevelen gaf. Het was de magie van de vrije markt, die hen samenbracht."

Dat was de economie van het potlood. De geschiedenis van het potlood begint met de ontdekking van een laag grafiet in het Engelse graafschap Cumberland rond 1550. De ontwikkeling van de techniek vergt een eeuw. Meubelmakers uit Neurenberg, gespecialiseerd in het maken van naaidozen en speelgoed, zijn de eersten. In 1662 vestigt Friedrich Staedtler zich als zelfstandig potloodmaker, na een conflict tussen het gilde van de meubelmakers en de vrije potloodmakers - de vrije markt moest zich ontworstelen aan de Middeleeuwen. Het analfabetisme tierde nog welig, maar het schrijf- en tekengerei was er.

Na Staedtler volgde een reeks van prachtige potloodfabrieken: Schwan, Faber-Castell, Lyra, Caran d'Ache, Koh-i-Noor (genoemd naar de Indiase diamant met al zijn legendes), Conté en - achter de troepen aan - Bruynzeel.

Hoe produceren deze fabrieken een potlood? De stift wordt gemaakt van grafiet en klei. Grafiet is een koolstof die gedolven wordt. De klei is fijne witte klei of pijpaarde, waarvan vroeger de lange witte tabakspijpen werden gebakken. Het mengsel van grafiet en klei wordt onder hoge druk tot een dun snoer geperst en dan op potloodlengte geknipt. Deze stiften worden urenlang gedroogd op 120 graden Celsius en vervolgens uitgehard op 1000 graden.

Het cederhout wordt gezaagd, verhit, gewassen en gedroogd. Groeven gefreesd. Besmeerd met lijm. Stift erin. Twee delen op elkaar persen. Schaven: rond, ovaal of zeshoekig. Verven. Punten. En tot slot: bestempelen met de merknaam, modelnaam en hardheidsgraad. Klaar is het potlood. Iedereen kan schrijven. Iedereen kan tekenen. Het potlood is overal.

Paul Dirks en Toon Kessels: Potloden & puntenslijpers. Pictures Publishers, 2012. Henry Petroski: The Pencil. Faber and Faber, 1989.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden