Het poëziedorp Watou heeft ook een eigen geur: kalk, beton, vocht en zand.

Wie te vroeg arriveert vindt een dorp met gesloten luiken. Alleen de slager en het verstopte postloket zijn open, verder is het plein van Watou leeg, stil en koud. Straks wordt die kerktoren vanuit de betonnen kijkdoos op het plein gezien mooi omlijst, en is dan opeens een passend decor bij een gedicht van Rutger Kopland. Maar nu staat er gewoon een kerk in een klein dorp en regent het bijna. Volgens een graffiti-slogan deugt Watou niet.

Om 14.00 uur precies opent het loket van de Poëziezomer en begint alles meer te leven en begint er een aangename middag. Voor de 25ste keer hebben artistiek leider Gwy Mandelinck en zijn team de zomerexpositie van Watou georganiseerd. 72 dichters en kunstenaars hebben hun poëzie en beeldende kunst ondergebracht in het dorp aan de Belgisch-Franse grens. Sommige locaties, allemaal op wandelafstand, staan de rest van het jaar leeg, zoals het Douviehuis met de krakende vloeren en de half vergane schuren. Andere zijn nog in gebruik, zoals de Bierbrouwerij, waar twee koperen ketels in een klein gebouwtje elk 65 hectoliter bier kunnen opvangen. Aan de muur hangen zwart-witfoto's van vroegere biermakers, op een richel staan wat flesjes Watou's i t b i e r.

Tegenover dat bierlaboratorium ligt de echte locatie: een verlaagde opslagruimte. Aan waslijnen hangen foto's van Mark Manders, die verder op een tafel met donker zand objecten heeft geplaatst - kopjes, een fles, stenen - door een lange draad met elkaar verbonden. Een onvermoeibare vrouwenstem draagt twee gedichten voor van Marije Langelaar. Wat vooral blijft hangen is de Watou-geur, die je neus al binnendringt nog voor je via het trappetje de schemer instapt: kalk, beton, vocht en zand. Alleen gras ontbreekt nog, maar dat komt later wel, bij het Grensland en verderop achter de Douviehoeve.

Op die plaatsen wijst een hemelsblauwe grenspaal de lucht in, en kijk je luisterend naar een gedicht uit over het landschap. Die palen hebben met het thema van dit jaar te maken: de grensoversteek. Hield Watou meestal nauwlettend de taalgrens met Frankrijk in acht, dit jaar is die opgeheven en zijn alle gedichten vertaald. Het motto ' Nous le Passage' is ontleend aan een Franstalige gedicht van H. Meschonnic.

Een wereld vol taalverwarring, of juist een handige talencursus, is de videoinstallatie ' The Jungle Book Project', die je tegemoet schalt in de hal van het Douviehuis. Pierre Bismuth had voor zijn peetdochter dvd's met de Disney-film ' The Jungle Book' (1967) aangeschaft, in allerlei verschillende talen ingesproken, om te zien hoe het meisje van 18 maanden daarop zou reageren.

Al snel raakte vooral Bismuth zelf in de ban van zijn Babylonische dvdbox. De installatie is het grappige resultaat van zijn knutselwerk: een cocktailversie van ' The Jungle Book' waarin elk personage een andere taal spreekt. Zo sist de slang maffioos Italiaans, spreekt het jongetje Mowgli keurig Spaans en adviseert panter Bagheera hem in het Arabisch. Hun samenzang klinkt onverwacht harmonieus.

Ook de videoinstallatie ' Good Boy, Bad Boy' (1985) van Bruce Nauman, iets dieper in het Douviehuis, heeft wel wat weg van een taalcursus. Vanaf twee monitoren vervoegen een man en vrouw allerlei werkwoorden, zoals een cursusleider dat een klas voordoet. ' I hate, you hate, we hate, this is hating', zegt hij. ' I don't wanna die, you don't wanna die, we don't wanna die, this is fear of death', zegt zij ondertussen.

Niet alleen de taalgrens wil Watou opheffen, maar ook tegenstellingen als noord-zuid, dag-nacht, licht-duisternis, jeugd-ouderdom. Hier en daar krijgt het thema grensoversteek een politieke uitwerking. In een grote stal is de video ' Border' van Laura Waddington te zien. Ze volgt erin de Afghaanse en Iraakse vluchtelingen in de velden rondom het Rode-Kruiskamp te Sangatte, in Frankrijk. Door de Kanaaltunnel proberen zij Groot-Brittannië te bereiken, verstopt in vrachtwagens en goederentreinen. De rest van de tijd wachten en hopen ze. Van dichtbij filmt Waddington het politiegeweld dat volgt op de sluiting van het kamp.

De grens tussen leven en dood wordt wat vanzelfsprekend ter sprake gebracht op het kerkhof achter de Sint-Bavokerk. Vanuit de struiken klinkt het gedicht ' Op weg naar de dood' van Henri Michaux, waarin een of man over de dood van zijn moeder vertelt. ' Toen glimlachte ze bevallig als een heel jong meisje,/Wat ze in waarheid is'. De luisteraar zit op een bankje naast het achterafhoekje waar alle dode bloemen worden neergegooid. ' Gelieve geen huishoudelijk afval te storten', staat op een bordje.

Ook de zwarte leestegels die vormgever Koen Van Syghel maakte voor veel losse gedichten roepen de associatie met grafstenen op. In de kerk, achter en in de Doeviehoeve en in de schuur bij Grensland liggen glimmende platen waarop een gedicht elektrisch opgloeit. De ernstige stenen geven de gedichten in eerste instantie iets duurzaams, zoals ook de herdenkingsstenen bij de vele oorlogsgraven rond Watou voor de eeuwigheid zijn bedoeld. Maar zodra het gedicht gelezen is doven de letters alweer uit.

Bijzonder is de ervaring om bij de Douviehoeve vanuit het licht een grote verduisterde schuur binnen te stappen, om na enige momenten ver weg in een zacht schijnsel de draaimolen te ontdekken die H. Op de Beeck daar achterliet. Het is geen feestelijk gezicht, alle kleur en beweging is namelijk verdwenen. Een draaimolen in rouw is het, met donkere afdekzeilen en doffe spiegels. De wandeling erheen gaat over een S-vormig pad door een donkergrijs grintveld met plassen water (waarvoor Op de Beeck spiegels gebruikte) waarin wat licht schijnt.

Dichterbij is de stem tussen de echo's van gefluister en metaalgekras steeds beter te verstaan. Binnenin deze ' Merry-go-round' is het gedicht ' Pluizen' van Paul Demets te horen. Een zwaarmoedige herinnering aan de jeugd is het, waarin de dag een molen is, het bloed in het hoofd tolt, de ruimte ruist, de huid geveld en het fruit gebarsten is. ' Alles zo licht dat het schaduw in de weg gaat/staan. Verduister mij dan. Haal dat dooiergeel/van de daken, verdrink het lood in de poel. Het raam staat aan, de lucht is dik en ongenood.' Het geheel is sprookjesachtig.

Die allereerste binnenkomst zou je graag nog eens over willen doen, om die sensatie opnieuw te voelen, helemaal onvoorbereid, maar helaas zijn je ogen, zoals Demets in zijn gedicht zegt, na die eerste keer ' verkeken '.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden