Review

Het Piet Paaltjensgevoel van Leiden

Door de eeuwen heen heeft de stad Leiden tot de verbeelding van schrijvers gesproken. De beste verhalen zijn nu gebundeld.

Grote Nederlandse schrijvers zoals P.C. Hooft, Bilderdijk, Hildebrand, Piet Paaltjens, Bordewijk en Marcellus Emants, schreven verhalen over Leiden. En in latere jaren deden Johan Huizinga, Jan Wolkers, F.B. Hotz, Maarten Biesheuvel hen dat na. De beste verhalen hebben een plek gekregen in de bloemlezing ’Oude & nieuwe Leidsche’, onder redactie van Onno Blom en Ilja Leonard Pfeijffer.

Onno Blom, literatuurmedewerker van Trouw en schrijver van de Wolkersbiografie, is in Leiden geboren en getogen. Van jongs af aan verbaasde hij zich over die literaire bulk die over Leiden is geschreven. Samen met Ilja Leonard Pfeiffer zat hij in het Leidse etablissement Burgerzaken aan een borrel, toen zij zich realiseerden dat Piet Paaltjens daar ook zo gezeten had in het bierhuis van Vater Muller. „We vonden het een mooie gedachte om alle literatuur over Leiden in een bundel bijeen te brengen en daarmee de Leidse literaire traditie te helpen in stand te houden. Bovendien wilden we hedendaagse schrijvers over de stad aan het woord laten. We laten ze treden in de voetstappen van hele grote namen.”

De reden waarom Leiden zo’n opvallende literaire traditie heeft, is volgens Blom de aanwezigheid van de oudste universiteit van Nederland, die Willem van Oranje aan de stad schonk toen het de Spaanse belegering in 1574 zo moedig had doorstaan.

Natuurlijk, zo erkent Blom, overal in Nederland staan universiteiten zonder dat daar meteen een gestage stroom literatuur ontstond. Het gaat volgens hem daarom vooral om het bijvoeglijk naamwoord ’oudste’.

Studenten kwamen naar Leiden, waar zij zich konden gedragen zoals zij wilden. Het ontwikkelen van literair talent hoorde daarbij. In de Leidse studentenalmanakken, vooral die van de negentiende eeuw, stonden duizenden verhalen. Helaas niet allemaal even goed. Maar het schrijven van fictie was een traditie, dat hoorde erbij. Zo stapte je in de traditie van grote voorgangers als Bilderdijk, Beets en Schoolmeester. „Leiden pretendeerde ook het Oxford van Nederland te zijn. Daar kwam dan natuurlijk een flinke dosis ironie bij.”

Ook de factor toeval speelde soms een rol bij de komst van schrijvers naar Leiden. „Maarten ’t Hart wilde eigenlijk niet studeren, maar hij wilde ook niet in dienst. Met zijn achtergrond had het vervolgens voor de hand gelegen als hij naar de Vrije Universiteit was gegaan. Maar Amsterdam was weer te ver fietsen naar Maassluis. Zo liep hij in Leiden Maarten Biesheuvel tegen het lijf. En samen bezochten zij de colleges Russische letterkunde van Karel van het Reve en ontwikkelden zij zich tot de schrijvers die zij zijn geworden.”

Waarom verhalen bij elkaar brengen die allemaal een stad met elkaar gemeen hebben? „Ik wist ook niet dat dat leuk zou zijn, maar je ontdekt dat er een rode draad is die los staat van de gebouwen die daar staan. Dat gaat om het studentenleven, de weemoed die je kunt hebben over het feit dat die tijd voorbij is. Mensen komen jong in Leiden, ontdekken daar het leven, hun eerste liefde, de wereld gaat voor ze open. Als zij vertrekken, kijken zij op die tijd met liefde terug.”

Mooi voorbeeld daarvan in de bundel is de brief die François HaverSchmidt stuurde naar een vriend, over de laatste dag in Leiden voordat hij vertrekt naar een stad waar hij als dominee is benoemd. Op die dag loopt hij nog een keer langs alle plaatsen waaraan hij als student weemoedige herinneringen heeft. Hij beschrijft dat met ironie, maar vooral met melancholie. De grappen en grollen zijn voorbij. Paaltjens schrijft: ’Ik bad om tranen en kon niet wenen.’ Dat is ’het Piet Paaltjensgevoel’ dat je volgens Blom overal in de Leidse literatuur tegenkomt.

De hele Leidse literaire traditie draait om het Rapenburg, de schoonste dreef ter wereld volgens Boudewijn Büch. Daar staat het Academiegebouw, daar gingen alle grote schrijvers in de leer. „En dat gebeurt ook vandaag nog. Er lopen daar studenten college die straks bij de beste schrijvers van Nederland gaan behoren. Een andere plek is De Burcht, waar in het Herenlogement de Rederijkerskamer van uiterlijke welsprekendheid bij elkaar kwam met Nicolaas Beets (Hildebrand), Johannes Hasebroek (Jonathan) en Jan Kneppelhout (Klikspaan).”

Maar de Hortus mag er volgens Blom ook zijn. Dat was de favoriete plek van Jan Wolkers, van wie Blom nu de biografie schrijft. Hij ging erheen om planten te strelen en genoot daar van de beuk. Hij raakte uiteindelijk bevriend met de hortulanus die hem een stek gaf van de tulpeboom die daar door Boerhaave was geplant. Die boom staat nu tegen het huis van Wolkers in Texel en daar is zijn as verstrooid.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden