Het parlement is bijzonder zwak

De regering heeft het makkelijk: de Tweede Kamer volgt haar gedwee. Terwijl de Kamer ook eigen onderzoek kan doen naar maatschappelijke kwesties.

In de aanloop naar de verkiezingen op 9 juni is het parlementair stelsel weer volop in discussie. Daar is ook alle reden toe. Het parlement als institutie is in Nederland bijzonder zwak. Vooral de Tweede Kamer is slechts een samenraapsel van fracties en individuele parlementariërs.

De Kamerleden maken gezamenlijk nauwelijks een vuist tegen de regering. Het machtsevenwicht tussen regering en Tweede Kamer is hierdoor verstoord. Het is de regering die de politieke agenda bepaalt, de Tweede Kamer volgt alleen maar.

In Nederland heeft een regering het hierdoor relatief gemakkelijk. De invloed van de Tweede Kamer beperkt zich doorgaans tot het uitdelen van speldenprikken. Buitenlandse voorbeelden laten zien dat het ook anders kan. Zelfs in Engeland, waar een sterk gepolitiseerde omgeving bestaat met een dominante regering, neemt de House of Commons een sterkere positie in dan de Nederlandse Tweede Kamer.

Een mogelijkheid om het tij te keren, is dat de Tweede Kamer meer en grondiger eigen onderzoek gaat doen. Daarbij doel ik niet in de eerste plaats op parlementaire enquêtes. Als het naar aanleiding van een politiek incident in de eerste plaats aankomt op een zorgvuldige en objectieve vaststelling van de feiten, is de Tweede Kamer als onderzoeksinstelling minder geschikt. In dat geval kan meestal beter een onafhankelijke externe commissie worden ingesteld. Dat wil niet zeggen dat na een dergelijk onderzoek de Tweede Kamer niets meer hoeft te doen. De Kamer zal in dat geval immers een politiek oordeel moeten vellen en moeten bepalen welke eventuele gevolgen aan het onderzoek moeten worden verbonden.

Wat de Tweede Kamer wel zelf zou moeten doen, is van een geheel andere aard. Dat is het doen van eigen onderzoek naar maatschappelijke problemen waar veel burgers bijna dagelijks tegenaan lopen. Voorbeelden zijn er te over: de effectiviteit van de politie bij de bestrijding van de criminaliteit en de overlast op straat, de gevolgen van de marktwerking voor het functioneren van ziekenhuizen, de achteruitgang van de kwaliteit van onze middelbare scholen, de bestrijding van overgewicht bij jonge kinderen, de deplorabele toestand van de jeugdzorg. Etcetera.

Als de Tweede Kamer voortaan onderzoek gaat doen naar zulke brandende maatschappelijke kwesties, heeft dat twee belangrijke voordelen. In de eerste plaats bevordert het dualisme. De Kamer bepaalt door middel van eigen onderzoek de eigen agenda en wordt hierdoor minder afhankelijk van de regering. Het zorgt er ook voor dat de Kamer uit de eerste hand informatie inwint die nodig is voor een goede beoordeling en aanpak van maatschappelijke vraagstukken. Daarnaast kan eigen onderzoek de Kamer dichter bij de burgers brengen.

Door zelf onderzoek te doen, hoorzittingen te houden en deskundigen, uitvoerders en burgers te raadplegen, kan de Kamer zich zinvol en zichtbaar bezighouden met de oplossing van problemen die mensen werkelijk interesseren.

De Tweede Kamer heeft recent al een bescheiden aanzet gegeven, en wil volgens de Toekomst- en onderzoeksagenda 2010 sowieso meer onderzoek doen. Voorlopig gaat het daarbij om twee typen onderzoek: onderzoeken naar de praktijk van bestaande wetgeving, en onderzoek naar ontwikkelingen die zich in de toekomst op een bepaald beleidsterrein kunnen afspelen. Voorlopig ziet de Kamer ruimte voor maximaal drie onderzoeken per jaar.

Het is een stap in de goede richting, maar vermoedelijk te weinig om het experiment werkelijk te laten slagen. Er is meer nodig. Uit buitenlandse parlementaire ervaringen blijken drie succesfactoren van belang. Ten eerste: incidentele onderzoeken zijn onvoldoende, het moet gaan om systematische controle. Onderzoek moet een normale en continue bezigheid worden van de vaste Kamercommissies. Hierdoor zakken onderwerpen na een eenmalig onderzoek niet in de aandacht weg, maar worden zij voor langere tijd op de agenda gehouden. Alleen dan kunnen echte resultaten worden geboekt.

Een andere succesfactor is dat de Kamer vooral onderzoek moet doen buiten Den Haag, in samenspraak met deskundigen, uitvoerders en belanghebbende burgers. Alleen dan wordt evenwichtige en concrete kennis vergaard en ontstaat daadwerkelijk contact met de samenleving. Een derde factor is goede ondersteuning. Er moet afgerekend worden met het taboe dat de ambtelijke staf van de Kamer niet mag worden uitgebreid en versterkt. Er is geen parlement ter wereld dat goed kan functioneren zonder goede staf. Op dit vlak steekt de huidige ondersteuning van de Kamer wel heel schril af ten opzichte van parlementen in andere landen.

Verder moeten voldoende Kamerleden beschikbaar zijn voor dergelijk onderzoek. Bij de huidige omvang van de Kamer vereist dat een zekere prioritering van onderzoeksthema’s. Wat in elk geval niet moet gebeuren, is het verminderen van het aantal Kamerleden. Het is een modieus idee dat nergens toe dient. Integendeel, het zal de slagkracht van het parlement verder doen afnemen, en zal het parlement voor de burger nog onzichtbaarder maken.

Maar het allerbelangrijkste om succes te boeken, is de kwaliteit van de parlementariërs. Ze hoeven niet deskundig te zijn op elk terrein, maar moeten wel bereid zijn zich intensief bezig te houden met de problemen waarmee veel burgers te maken hebben. Dan gaat het dus over parlementariërs die niet achter elke mediahype aanhollen, maar die door hard en professioneel te werken er werkelijk op uit zijn om maatschappelijke problemen op te lossen. Precies wat burgers van hun volksvertegenwoordiging mogen verwachten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden