Het oude APhO leerde ons de Russen kennen

Pinkte u afgelopen zaterdag een traantje weg, of bent u, net als ik, glad vergeten dat Tsjaikovski honderd jaar geleden stierf? Maar was het niet in de nacht van 24 op 25 oktober te drie uur dat het gezicht van de componist een 'onbeschrijflijke uitdrukking van puur herkennen' kreeg en hij de geest gaf?

FRANZ STRAATMAN

Dat staat te lezen in de Nederlandse biografie in de Componistenreeks van Gottmer. Inderdaad, volgens de toen nog geldende tijdrekening in Rusland was het 25 oktober, maar bij ons 6 november.

Op 9 november 1893 speelde het Concertgebouworkest onder leiding van zijn toenmalige chefdirigent Willem Kes ter nagedachtenis de vierde symfonie. De beroemd geworden zesde symfonie was iets eerder onder Tsjaikovski's leiding in premiere gegaan in Sint Petersburg. Op 24 september 1896 klonk de de Pathetique, zoals zijn broer Modest haar met grote instemming van de componist betitelde, in het Concertgebouw, gedirigeerd door de toen 25-jarige chef Willem Mengelberg.

Tsjaikovski had het plan om in januari 1892 Nederland te bezoeken voor concerten. Ervoor, in Parijs, werd hij overvallen door melancholie en heimwee, zodat hij aan ons land voorbij ging. Maar de Russen kwamen later toch wel. Zie eens wat er allemaal gaande is rond 19 november aanstaande! Dan kruisen de wegen van de navolgende Russen elkaar in onze Randstad: die avond dirigeert Jevgeni Svetlanov in Den Haag het Residentie Orkest in de negende symfonie van Mahler; Mariss Jansons dirigeert het Petersburgs Philharmonisch Orkest in Amsterdam met Maxim Vengerov als vioolsolist, en Gennadi Rozdjestvenski leidt in Rotterdam het Rotterdams Philharmonisch Orkest met Oxana Jablonskaja als pianosoliste.

Svetlanov en het Residentie Orkest zijn bovendien op 20 november nogmaals in Den Haag en op 23 november in Utrecht. De Petersburgers spelen ook in Rotterdam op 21 november, dan onder leiding van Joeri Temirkanov, in De Doelen. Daar staat 's middags Rozdjestvenski met de Rotterdammers. Temirkanov brengt 's avonds onder meer de zesde symfonie van Sjostakovitsj, Rozdjestvenski 's middags diens vierde symfonie. Rozdjestvenksi en de Rotterdammers laten zich ook horen in Utrecht, op 18 november.

Genoemde Russische musici lieten al een aardig spoor na in het Nederlands muziekleven. Dat danken we voor een deel aan een orkest, het vroegere Amsterdams Philharmonisch, in 1986 opgegaan in het Nederlands Philharmonisch Orkest.

Het was de directeur van het oude A.Ph.O., Jan Huckriede, die begin jaren zestig voor zijn nog Kunstmaand Orkest geheten ensemble naar Moskou toog om eens uit te zoeken welke Sovjetmusici te contracteren waren bij het staatsimpresariaat.

Een van de eersten die eind januari 1965 op het podium van het Amsterdams Concertgebouw verschenen, was Jevgeni Svetlanov, toen 36 jaar. Jubelende recensies leverde zijn directie op in onder meer de vijfde symfonie van Tsjaikovski. Svetlanov kwam nog eenmaal terug bij het Kunstmaand Orkest, in 1967. De stroom dirigenten na hem was van grote klasse: in 1966 Konstantin Ivanov, in 1968 Neeme Jarvi, in 1971,'73 en '74 Gennadi Rozdjestvenski (onder andere met een complete Beethovencyclus bij het inmiddels tot Amsterdams Philharmonisch omgedoopte orkest), in 1973 Dmitri Kitajenko, in 1977 Jansug Kachidze.

Twee keer haalde het A.Ph.O. met de Russen de voorpagina's: in oktober 1974 stierf David Oistrach in Amsterdam, toen hij er als gastdirigent werkte bij het A.Ph.O. aan een Brahms-cyclus; en in 1978 trok de Sovjet-Unie op het laatste moment de uitreisvisa in van twee pianisten, Bella Davidovitsj en Jekaterina Novitskaja, die beiden op het zilveren bestaansconcert van het A.Ph.O. zouden spelen. Die rel maakte een einde aan de bijzondere relatie die Huckriede met Moskou had opgebouwd.

Door diens contacten maakten diverse beroemde solisten hun orkestdebuut in Nederland bij het Kunstmaand/A.Ph.O.: Vladimir Ashkenazy in 1964, Emil Gilels in 1965, Bella Davidovitsj in 1966, en Gidon Kremer in 1977. Omgekeerd maakte het A.Ph.O. in 1972 als eerste Nederlandse orkest een toernee door de Sovjet-Unie, geleid door chefdirigent Anton Kersjes. Onder meer ontmoetten zij Dmitri Sjostakovitsj, met wiens werk het A.Ph.O een bijzondere relatie aan het opbouwen was, sinds het in 1964 de eerste symfonie programmeerde.

Zo verzorgde het A.Ph.O. in 1968 de eerste uitvoering in ons land van het tweede vioolconcert en in 1970 de Westeuropese premiere van de veertiende symfonie. In 1976 speelde het onder leiding van Kurt Sanderling de laatste, vijftiende symfonie. Het A.Ph.O. trad op dit terrein ferm in het spoor dat het Concertgebouworkest al had aangegeven; dat speelde in 1972 de vijftiende onder leiding van Kirill Kondrasjin, veertig jaar nadat het Nederlandse publiek in 1932 kennis had gemaakt met de eerste symfonie onder leiding van Eduard van Beinum; in 1946 volgde de achtste symfonie (met Franz Andre), de vijfde in 1947 (Van Otterloo), de zevende in 1950 (Rafael Kubelik), de negende in 1951 (Klemperer), de zesde in 1956 (Kubelik), de tiende in 1963 (Peter Eros) en de tiende in 1970 (met Kondrasjin). Het waren dus steeds gastdirigenten, terwijl bij het A.Ph.O. juist chefdirigent Kersjes het voortouw nam. Pas begin jaren tachtig zette Bernard Haitink de plaatopname van zijn in Londen begonnen Sjostakovitsj-cyclus voort bij het Concertgebouworkest.

Ook los van het A.Ph.O. maakten de Russen hun opwachting: in 1960 al speelde het toen Leningrads Philharmonisch geheten orkest voor het eerst onder leiding van Rozdjestvenski in het Amsterdams Concertgebouw. In 1967 kwam er het Russisch Staatssymfonie-orkest spelen, geleid door Svetlanov. Ook de Vara-matinee wist de weg naar de Russische bronnen te vinden; denk maar aan Joeri Jegorov. En bij het Concertgebouworkest maakte in 1968 Kondrasjin zijn debuut; in 1979 zou hij vaste dirigent worden. Ook het A.Ph.O. probeerde in 1975 een Rus te binden: Rozdjestvenski. Hij wilde, maar 'Moskou' lag dwars. Nu wil hij zelf niet meer in het Concertgebouw dirigeren. Na concerten daar stierven twee collega's, David Oistrach in 1974 en Kirill Kondrasjin in 1981. Naar verluidt is Rozdjestvenski zo bijgelovig, dat hij vreest het derde slachtoffer te worden.

Bronnen: Historie en Kroniek van het Concertgebouw en -orkest. Archief Amsterdams Philharmonisch en mededelingen F. Hulsing pr-medewerker APhO/Nedpho.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden