Het oog in verwarring: zie ik écht wat ik zie?

Oude Grieken schepten er al een genoegen in: schilderijen waarvan in eerste instantie een deel echt lijkt en niet geschilderd. Aan deze 'kunst met een knipoog' - Trompe-l'oeil - is nu voor het eerst in Nederland een tentoonstelling gewijd.

Drie dode lijsters hangen aan strikken op een houten wand naast een trosje aalbessen. Ook bungelen er een paar fluitjes aan een spijker. Zijn de vogels gevangen toen ze verleid door lokfluitjes aalbessen wilden eten? Bedrieglijk echt zien de slappe vogellijfjes eruit op het schilderij van Melchior d'Hondecoeter (1636-1695). Om het allemaal nog levensechter te maken heeft hij ook nog een veertje van een van de lijsters in een kier van de houten wand geprikt. Het steekt parmantig naar voren.

Maar is dat wel een echt veertje? Of is het nageschilderd? Zie ik echt wat ik zie? Die vraag komt voortdurend op in het Noordbrabants Museum in 's-Hertogenbosch dat een tentoonstelling wijdt aan trompe-l'oeil schilderijen van de zeventiende eeuw en daarna. Bezoekers staan om de haverklap met hun neus bovenop de schilderijen van oude meesters als Johannes Leemans, Cornelis Gijsbrechts en Cornelis Biltius en de hedendaagse kunstenaars Kik Zeiler, Hans Deuss, Kenne Grégoire en Jan van Dis. Om zo te ontdekken dat een sierlijk bewerkte lijst toch niet van hout is maar op het doek geschilderd. En hetzelfde geldt voor bedrieglijk echte lakzegels, koordjes, pilaren, deuren, ramen, theedoeken, spijkers en nog veel meer attributen die kunstenaars hebben ingezet om diepte te suggereren op het platte vlak en de kijker te misleiden.

Trompe-l'oeil - gezichtsbedrog - is een bekend fenomeen in de kunstgeschiedenis. Daarbij creëren kunstenaars een optische illusie door met speciale technieken - perspectief, licht- en schaduwwerking - het oog te verwarren. Al in de klassieke oudheid bestond dit genre: er zijn fresco's en mozaïeken uit de Romeinse tijd bewaard gebleven. In de Renaissance werd het vaak toegepast in de architectuur: in vele Italiaanse palazzi werden wandschilderingen aangebracht die een mooi uitzicht verbeeldden, pilaren suggereerden of plafonds de allure van een koepel gaven.

Nederlandse kunstenaars hebben in de zeventiende eeuw een belangrijke rol gespeeld bij de ontwikkeling van deze illusiekunst. Maar gek genoeg was er in Nederland nog nooit een uitgebreide tentoonstelling over dit onderwerp gemaakt, ontdekte conservator oude kunst Paul Huys Janssen van het Noordbrabants Museum. Zo'n expositie stond al lang op zijn verlanglijst, maar nu het museum is verbouwd en uitgebreid was er eindelijk de mogelijkheid.

Afgetroefd
Er hangt een vrolijk geroezemoes in de tentoonstellingszalen. Dat heeft niet alleen met de lichtvoetigheid van dit genre te maken. Het plezier spat ook vaak van de schilderijen af, zeker bij de oude meesters die er volgens Huys Janssen soms ook een wedstrijdje van maakten om elkaar te overtroeven in het misleiden en verwarren van het oog. Die rivaliteit was er al in de klassieke oudheid. In een animatiefilm wordt het verhaal verteld van Zeuxis, een Griekse schilder uit de vijfde eeuw v. Chr. Hij kon een tros druiven zo perfect schilderen dat de vogels er op afkwamen om ze op te eten. Maar hij werd afgetroefd door collega Parrhasius. Die schilderde een gordijn voor een stilleven dat zo echt was, dat Zeuxis het wilde openschuiven om het hele schilderij te zien.

Of dit verhaal waar gebeurd is, is onduidelijk, maar in de zeventiende eeuw kende men het wel. Want op de tentoonstelling hangt een schilderij uit 1680 van Willem van Nijmegen van een houten plank waarop een prent is gebevestigd met het portret van Rembrandt. Titel van het werk: 'Alter Parasius' (de andere Parrhasius) met daarbij de toevoeging: 'Dees schilderkunst heeft schilders zelfs bedrogen'. Met de verwijzing naar Parrhasius - in de oudheid de beste trompe-l'oeil schilder - wilde de kunstenaar kennelijk duidelijk maken dat Rembrandt de beste kunstenaar van die tijd was.

Gebroken glas
Ook in de achttiende en negentiende eeuw specialiseerden kunstenaars zich in dit genre, dat toen ook in Duitsland, Frankrijk en Spanje navolgers kreeg. De Fransman Laurent Dabos onderscheidde zich door met het motief van de gebroken glasplaat te werken. Een andere Franse kunstenaar, Etienne Moelinneuf, ging met dit thema nog een stap verder. Rond 1770 maakte hij een prent achter gebroken glas dat niet geschilderd was. Hij stak echte stukken glas in de lijst. Helaas is dit werk niet te zien op de tentoonstelling.

Maar ook hedendaagse kunstenaars als Hans Deuss, Jan van Dis, Kenne Grégoire, Nico Laan en Kik Zeiler experimenteren met optische illusies. Ze spelen met spiegels (Zeiler) en met de wetten van de zwaartekracht (Van Dis). Het werk van Deuss lijkt duidelijk geïnspireerd op de prenten van M.C. Esscher. Diens werk ontbreekt opvallend genoeg, maar dat is een bewuste keuze, zegt Paul Huys Janssen. "Esscher is zo bekend. En op deze tentoonstelling wilden we nu eens niet de platgetreden paden bewandelen. Als mensen echt Esscher willen zien, kunnen ze beter naar het Esscher-museum in Den Haag gaan."

Een speciale categorie vormt het werk van Nico Laan. Op het Noordzeestrand maakt hij in de zomer grote tekeningen in het zand, zodra dat bij eb droogvalt. Het zijn anamorfosen, vertekende afbeeldingen van een ladder, een poort of vuurtoren, waarvan het perspectief is berekend vanuit een vooraf bepaald standpunt. Dit camerastandpunt bevindt zich op 21 meter afstand van de tekening op een hoogte van 18,75 meter. Met een camera die in een vlieger is gemonteerd fotografeert hij de zandtekeningen voordat ze weer verdwijnen in de zee. Een ingewikkeld verhaal, maar het resultaat is beeldschoon en verwarrend tegelijk. Zoals voor veel werken op deze tentoonstelling geldt. Je blíjft kijken, doet nog eens een paar stappen achteruit - zie ik echt wat ik zie? - om dan weer heel dicht op het doek te kruipen. Uit onderzoek is gebleken dat museumbezoekers gemiddeld negen seconden naar een schilderij kijken. Maar die grens wordt op deze tentoonstelling waarschijnlijk ruimschoots gepasseerd.

Nog een tip tenslotte: neem vooral de hele familie mee. Een van de zalen is ingericht voor kinderen vanaf 8 jaar. Ze kunnen er zelf experimenteren met optische illusies. Maar ook op de tentoonstelling zelf zullen ze zich waarschijnlijk niet vervelen, ook omdat het om uiterst realistisch geschilderde voorstellingen gaat van vaak alledaagse attributen. En juist die kleine bedrieglijke details, zoals dat veertje van een dode lijster, worden vaak eerder opgemerkt door kinderen dan door volwassenen.

***

Schijn bedriegt. Trompe-l'oeil en de kunst van illusie, t/m 26 januari in het Noordbrabants Museum.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden