Het ontstaan van een testament

Van alle kanten kwamen de invloeden op de schrijvers van het Nieuwe Testament, en niet alleen van boven. Romeinse, Griekse, Joodse sporen - ze zijn allemaal terug te vinden in een soms fascinerend boek van Paulus-Jan Kieviet dat het Nederlands Bijbelgenootschap dezer dagen heeft laten verschijnen.

Opmerkelijk onjoods is het lijdensverhaal; net als de Romeinen (die op dit schilderij van Hieronymus Bosch Jezus bespotten en met doornen kronen) hadden de Joden niets met de verering van een loser.

Dat de Bijbel niet op een goede dag uit de hemel is komen vallen, is nu wel gemeengoed. Maar hoe groot, en vooral ook hoe menselijk, de invloed van tijdgenoten was op de schrijvers van het Nieuwe Testament blijft typisch zo'n onderwerp waarin theologen vaak mijlenver vooruitlopen op geïnteresseerde leken.

Om ook een breed publiek duidelijk te maken hoe het Nieuwe Testament tot stand kwam in een omgeving die van Grieks, Romeins en Joods gedachtegoed was doordrenkt, heeft het Nederlands Bijbelgenootschap nu het boek 'Aan een onbekende God' van Paulus-Jan Kieviet uitgegeven. Hierin wordt duidelijk hoe het Nieuwe Testament product is van zijn tijd, hoe bij de verbreiding van het christendom gebruik werd gemaakt van woorden en begrippen uit andere overtuigingen, en waarin het christendom zich desalniettemin onderscheidde van al het andere.

Atheïstisch en asociaal: dat waren in elk geval in Romeinse ogen de onderscheidende kenmerken van de eerste christenen. Atheïstisch omdat zij weigerden de Romeinse keizer als Heer te aanbidden terwijl ze ook al niet bereid waren aan de Romeinse goden te offeren, asociaal omdat zij zwakke mensen -slaven, armen en vrouwen- in het middelpunt plaatsten. ,,In feite riep heel het gedrag van christenen in de maatschappij ergernis en onbegrip op. Christenen stonden welbewust aan de rand van de samenleving, ze hielden zich afzijdig van alles wat voor de Romeinen het leven de moeite waard maakte'', schrijft Kieviet. Hun geloof in een messias die in de Bijbel wordt geciteerd met de woorden 'Mijn koninkrijk is niet van deze wereld' (Johannes 18 vers 36) maakte van het christendom een tegencultuur.

Deze verspreidde zich in de dertig jaar na Jezus' dood, aanvankelijk nog als een soort subgroep van het jodendom, over grote delen van het Romeinse rijk. Dat was op dat moment dan ook een plek waar nieuwe religieuze gedachten zich razendsnel konden verspreiden. Had in het Nabije Oosten aanvankelijk elk volk zijn god, sinds Alexander de Grote de Griekse cultuur met enig wapengekletter tot ver buiten Griekenland had verspreid, ontstond meer contact tussen de volkeren in het Midden-Oosten en rond de Middellandse Zee. Zo leerden zij ook elkaars goden waarderen, terwijl er tevens universele goden ontstonden. Populair in het hele Romeinse rijk werden onder meer de oosterse mysteriegodsdiensten, waaraan alleen ingewijden mochten meedoen zodat een zekere geheimzinnigheid ontstond. Voorbeelden daarvan zijn de godsdiensten rond de Perzische zonnegod Mithras en de Egyptische goden Isis en Osiris.

Jammer is dat over deze godsdiensten in dit boek niets inhoudelijks wordt gezegd. Terwijl de parallellen tussen de godin Isis en haar uit de dood opgestane man Osiris, of de voorstelling van Isis met haar zoon Horus op schoot, en anderzijds Jezus' Opstanding uit de dood, of de afbeelding van Maria en haar kind Jezus op schoot toch bij velen de vraag oproepen of hier van beïnvloeding sprake is.

Dat er in de ontstaanstijd van het Nieuwe Testament in het Romeinse rijk zo'n welwillende houding bestond jegens nieuwe godsdiensten was gezien het polytheïsme niet zo verwonderlijk: wie er toch al meer goden op na houdt kan er makkelijker een bij nemen. Griekse wijsgeren vonden de vele mythen en goden uit de Griekse oudheid echter in de loop der tijd steeds minder geloofwaardig. De enige godsdienst die het bij één God hield in het voor de rest zo godenrijke Romeinse rijk, het jodendom, wekte hierdoor enig ontzag.

Door hun geloof in slechts één God die bovendien hen wel en andere volkeren niet zou hebben uitverkoren, behielden de Joden, meer dan andere volkeren in de toenmalige smeltkroes van het Romeinse rijk, hun eigen identiteit. Dat was te meer opmerkelijk nu zij sinds de Babylonische ballingschap verspreid woonden over vele gebieden; in de eerste eeuw na Christus woonde liefst twee derde van de Joden buiten Palestina.

Het was binnen dat jodendom dat het christendom ontstond, en zo komen we in het mijnenveld van de joods-christelijke verhouding. Anders dan de populaire theoloog Harry Kuitert, die Jezus ziet als joodse rabbi, beschrijft Kieviet Jezus als iemand die wel degelijk op essentiële punten afweek van de joodse traditie. Waar volgens Kuitert Jezus' bijzonderheid vooral is geweest dat hij het geloof in de God van de Joden ook open heeft gesteld voor andere volkeren, benadrukt Kieviet juist enkele wezenlijke verschillen tussen jodendom en christendom die teruggaan op Jezus zelf.

Zo beriep Jezus zich op zijn eigen gezag, in plaats van op de traditie. Vandaar ook de talrijke schimpscheuten aan het adres van de Farizeeën in het Nieuwe Testament: die dienen ertoe Jezus te onderscheiden van deze wetsuitleggers, die hun gezag ontleenden aan het steeds verder uitwerken van de traditionele wetten van het joodse geloof. Jezus leek juist die traditie te willen afpellen om terug te keren tot de kern van het joodse geloof.

Opmerkelijk onjoods is ook het lijdensverhaal in het christendom. Evenals de Romeinen konden ook de joden weinig met het vereren van een loser die de grootst denkbare schande onderging: gedood worden aan het kruis. Dat de messias zou moeten lijden komt al vrij zelden voor in de joodse geschriften, dat dat lijden ertoe zou dienen zonden van de mens op zich te nemen is in de joodse traditie ongekend.

Anders dan Kuitert benadrukt Kieviet ook dat Jezus zélf zich als zoon van God presenteerde, waarmee hij opnieuw brak met de joodse traditie. Kieviet erkent wel dat alle joden zichzelf beschouwden als Gods kinderen, een argument dat Kuitert gebruikt om aan te geven dat er met Jezus niets bijzonders aan de hand was en dat hij zichzelf zeker niet goddelijk vond. Maar in twee bijbelteksten ziet Kieviet toch grond om te beweren dat Jezus zichzelf als een ander soort kind van God zag dan de andere joden (Matteüs 11 vers 27 en Johannes 10 vers 30).

In het christendom wordt Jezus gezien als de messias op wie de Joden al zolang op wachtten. Dat blijkt in het Nieuwe Testament, als Jezus opeens ook 'Christus' wordt genoemd. Christus is Grieks voor gezalfde, messias.

Fascinerend is Kieviets betoog dat dit begrip 'Christus' of 'messias' in de toenmalige joodse geschiedenis veel minder eenduidig was dan velen in de christelijke wereld nu beseffen. Aanvankelijk betekende messias niets meer dan 'gezalfde', en elke koning was gezalfd. De messias was vooral de belichaming van de hoop dat er in de toekomst ooit weer een koning zou komen die Israël net zo sterk zou maken als koning David deed. Langzamerhand veranderde deze gezalfde naar wie werd uitgezien van zo'n aardse koning in een meer transcendent figuur, in iemand met bovenmenselijke proporties. Al deze joodse messiasopvattingen komen in het christelijk denken over Jezus samen, schrijft Kieviet: de koning, de priester, de profeet, de Mensenzoon, daarnaast ook de Zoon van God.

Een verschil tussen joods en christelijk denken over de messias is dat de joden hem verwachten in de eindtijd. Dan zou Gods koninkrijk aanbreken. De christenen namen dit slechts gedeeltelijk over: ook zij koppelen de komst van de messias aan Gods koninkrijk, dat volgens de christenen al is begonnen sinds de komst van Jezus Christus. Maar het einde der tijden is bij de christenen nog even opgeschort.

Ook in het bijbelboek Openbaring of Apocalyps is de messias al gekomen maar blijft de eindtijd nog een toekomstvisioen. Dat einde der tijden schetst het Nieuwe Testament wel weer in klassiek-joodse termen: eerst zullen er vele rampen optreden, waarna de messias terugkeert om over alle mensen het oordeel uit te spreken.

Openbaring is een boek dat sterk verwant is aan andere apocalyptische geschriften uit het jodendom van die tijd. Wezenskenmerk van de apocalyptiek is dat de huidige tijd vreselijk wordt gevonden en mensen hun hoop vestigen op God, die een radicale ommekeer teweeg zal brengen waarin het kwaad wordt overwonnen zodat daarna een heerlijke tijd zal aanbreken.

Een verschil met de joodse apocalyptiek is dat in het bijbelboek Openbaring de christelijke messias als lam wordt voorgesteld dat geslacht wordt; een typisch christelijk beeld, volgens Kieviet. Door zich te laten slachten, verlost de messias de mensen, zo suggereert Openbaring, terwijl in de joodse apocalyptische geschriften de messias een veel minder prominente rol heeft. Ook verschillend is het droombeeld van het nieuwe Jeruzalem dat uit de hemel komt neerdalen. In de joodse apocalypsen slaat dat, heel concreet, op de herbouw van de stad en haar tempel. In de christelijke Openbaring daarentegen is het nieuwe Jeruzalem symbolisch bedoeld en is er al helemaal geen tempel nodig 'want de Here God, de Almachtige, is haar tempel'.

De nieuwe godsdienst die zich zo langzamerhand onttrok aan de joodse traditie, werd aanvankelijk met enige verwondering bekeken. Zo ketste Paulus' prediking in Athene af op Jezus' vermeende opstanding uit de dood, want daar konden de Grieken helemaal niets mee. Meer waardering hadden ze voor Paulus' uitspraak: ,,Want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij''. Maar dat is geen toeval want met die formulering lijkt Paulus opzettelijk aansluiting te hebben gezocht bij de in die tijd in Athene populaire gedachte dat het goddelijke overal in aanwezig is. Zodat ook de vraag hoe de nieuwe godsdienst zich in Griekenland populair zou maken zijn weerslag heeft in de tekst van het Nieuwe Testament.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden