Het onbehagen in de islam

'Dat is wat ik versta onder het onbehagen in de islam: een twijfel aan de eigen cultuur en religie, die geen stem krijgt en daarom een uitweg vindt in wrok en agressie. Of in een gelatenheid die geen verantwoordelijkheid onder ogen ziet. Er is alle reden voor een zelfonderzoek dat echter wordt vermeden door het voortdurende stellen van de schuldvraag: 'wie heeft ons dit aangedaan?' Het antwoord is: uiteindelijk niemand, de neergang is van eigen makelij.'

I

Er is geen ontkomen meer aan. Elke dag staan we, zeker sinds die donderslag bij heldere hemel, oog in oog met geweld uit naam van een geloof, uit naam van de islam. Dat maakt onze wereld kleiner, verandert het gedroomde werelddorp in een belegerde stad. We weten alles wat er in de wereld voorvalt en raken daardoor op een steeds kleiner gebied ingesloten. De benauwenis die ons dagelijks overkomt maakt het steeds moeilijker om naar de islam te kijken los van fundamentalisme en terreur, maakt het steeds moeilijker om de gelovigen binnen onze grenzen niet als deel te zien van een wereldwijde geloofsgemeenschap die in een diepe crisis verkeert.

De gewelddadige botsing waar we deel van zijn geworden heeft een voorgeschiedenis. Sinds lange tijd bestaat er een conflict met de islam, zowel op militair vlak als in culturele zin. De afwerende houding van Europa is begrijpelijk, want tot in de achttiende eeuw was de aandrang van de moslimwereld sterk en waren de angsten voor deze machtige tegenstander groot. Er is eenvoudigweg geen andere wereldgodsdienst die in onze onmiddellijke nabijheid is ontstaan en onze wereld zo heeft bedreigd.

Het beeld van Europa in Arabische ogen is tamelijk eenduidig: tussen de kruistochten van weleer en het hedendaagse imperialisme wordt een rechte lijn getrokken. Daarmee wordt verdonkeremaand dat de geschiedenis van de islam vanaf het begin een geschiedenis van kolonisering is. De Tunesische historicus Hichem Djait schrijft in La grande discorde: 'Vanaf het moment van zijn ontstaan door de migratie van de profeet naar Medina gaat het om een staat die gericht is op oorlogsvoering en derhalve zijn de veroveringen geen toeval, maar een wezenlijk onderdeel van deze staat in wording. De enige manier om de verschillende stammen te verenigen was een gemeenschappelijk doel, namelijk de voortdurende zoektocht naar nieuwe oorlogsbuit'.

Naast de veroveringen die reikten van Noord-Afrika tot India werd de aanval op Europa al vroeg ingezet. Hoogtepunten waren onder meer de verovering van Andalusië en het Zuiden van Italië (begin 8ste eeuw), de slag bij Poitiers (732), de plundering van Rome (846), de val van Constantinopel (1453), de verovering van de Balkan (16de eeuw) en het herhaalde beleg van Wenen (1529 en 1683). De opluchting na de vrede van Karlowitz van 1699, die door veel historici als het keerpunt in de machtsverhoudingen tussen Europa en de islam wordt gezien, was dan ook groot.

De oriëntalist Bernard Lewis heeft gelijk: tegen die achtergrond van tien eeuwen militaire aandrang kunnen de kruistochten in de twaalfde en dertiende eeuw, hoe brutaal en barbaars ze in menig opzicht ook waren, worden gekenschetst als 'een lang uitgesteld, zeer beperkt en uiteindelijk niet erg werkzaam antwoord op de djihad'.

Bij het imperialisme van de islam horen alle verschijnselen van culturele onteigening, slavernij, geweld en machtsmisbruik. De slavernij bijvoorbeeld was gelegitimeerd en uitvoerig vastgelegd in de islamitische wetgeving. De afschaffing van de slavernij in het Ottomaanse en Perzische rijk werd pas begin twintigste eeuw gerealiseerd, de wettelijke afschaffing in Jemen en Saoedi-Arabië liet tot 1962 op zich wachten. Nog steeds dringen er berichten door uit Afrikaanse landen als Soedan over vormen van mensenhandel.

De islam als slachtoffer van het imperialisme van anderen, de islam als underdog, is dus een wel erg korte samenvatting van deze eeuwenlange machtsontplooiing, ook buiten Europa. Over Indonesië merkt de schrijver V.S. Naipaul bijvoorbeeld op in Beyond Belief: 'De islam en Europa kwamen vrijwel op hetzelfde moment aan als wedijverende imperialismen'. In zijn woorden gaat het om niet-Arabische volken die tweemaal zijn gekoloniseerd, tweemaal van zichzelf zijn verwijderd en vervreemd. De islam snijdt landen als Indonesië en Iran van hun verleden af: 'de bekeerde volkeren moeten zich losscheuren van hun verleden. Het gaat om de meest compromisloze vorm van imperialisme'.

De nostalgie van veel moslims naar een veronderstelde Gouden Eeuw betreft naast een zoektocht naar godsdienstige zuiverheid vooral een verlangen naar imperiale grootheid. De afkeer van het Westen is derhalve geen afwijzing van het imperiale idee als zodanig, eerder gaat het om een verlies aan eigen macht dat wordt betreurd. Anders gezegd: het anti-imperialisme dat in de straten van Amman, Cairo en ook in Antwerpen, Amsterdam of Lyon door veel moslimjongeren zo hartstochtelijk wordt beleden, heeft weinig met principiële overwegingen te maken, al hult het protest zich wel in de taal van humanitaire beginselen.

II

We kunnen een stap verder gaan: de machtsontplooiing ging hand in hand met een culturele afgrenzing tegenover Europa. In de Arabische wereld overheersen tot op de dag van vandaag grove stereotypen, die ook hier bijdragen aan de vervreemding van moslims ten opzichte van hun omgeving. Het Westen wordt gezien als een samenleving waarin alles en iedereen tot koopwaar wordt gereduceerd, als een verzameling van ongelovige en ontwortelde mensen die vernietigen wat buiten hun materialistische cultuur valt, als een voortdurende samenzwering tegen de moslimwereld.

Wat wordt vergeten, is de geestelijke omwenteling die aan de welvaart vooraf is gegaan en tot in het heden doorwerkt. Daarbij gaat het niet alleen om de wetenschappelijke en technologische revolutie of de ontdekkingsreizen. Het gaat ook om de uitvinding van de moderne democratie, het idee van een gemeenschap die breekt met de traditie dat alleen binnen het familieverband vertrouwen mogelijk is. Anders gezegd: het wantrouwen tegenover de staat dat de Arabische wereld kenmerkt, is hier overwonnen. De welvaart en de vrijheid horen bij elkaar, men kan niet alleen in de oogst geïnteresseerd zijn zonder de akker te willen kennen.

Die afsluiting van Europa duurde lang en was diepgaand. De Turkse schrijver Orhan Pamuk heeft in zijn roman Ik heet Karmozijn de strijd aan het Ottomaanse hof over de introductie van Venetiaanse schildertechnieken schitterend weergegeven. De miniatuurschilders wilden niets weten van de methode van het perspectief: 'Als de huizen in een straat steeds kleiner worden getekend, zoals het menselijk oog het abusievelijk waarneemt, betekent dat dan niet dat niet God, maar de mens in het centrum van de wereld is geplaatst?' Dat alles roept diepe angsten op. Het is toch zonder meer ketterij om 'de wereld in perspectief af te beelden als gezien door de ogen van een onreine hond in de straat, door een moskee en een paardenvlieg even groot te maken - met als argument dat de moskee op de achtergrond staat'.

De sterke afweer tegenover andere invloeden heeft veel te maken met wat je zou kunnen zien als een tragisch geluk: vanaf het begin beleeft de islam een ongeëvenaarde machtsontplooiing. Het conflict met een niet-islamitische wereldlijke autoriteit deed zich niet voor en derhalve was de behoefte aan aparte religieuze structuren veel minder sterk. Tekenend is dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen canoniek en burgerlijk recht. In de christelijke traditie, die pas na drie eeuwen strijd en vervolging een machtspolitieke vorm kreeg in het Romeinse imperium, treffen we een leerstuk aan over de verhouding van geestelijke en wereldlijke macht: 'Geeft dan den keizer dat des keizers is, en Gode dat Gods is' (Mattheus 22:21).

Die naar binnen gekeerde houding vloeit ook voort uit de idee dat de islam de voltooiing en vervolmaking van het jodendom en het christendom is. De islam heeft het wezenlijke van deze godsdiensten in zich opgenomen en de rest verworpen en is de definitieve openbaring. En het moet worden gezegd: niet alleen is de islam daadwerkelijk de laatste van de grote monotheïstische godsdiensten, maar de razendsnelle verbreiding van de leer van Mohammed in de eerste eeuw na zijn dood gaf aan de claim van superioriteit ook een onmiskenbare bevestiging.

De culturele verkramping begon al ruimschoots voor het verlies van macht, en kan als de oorzaak ervan worden gezien. Amin Maalouf beschrijft in zijn studie over de kruistochten gezien door Arabische ogen, het gezichtspunt van de moslims over het geheel genomen met veel sympathie. Zijn conclusie is toch hard: terwijl de kruistochten van de elfde tot en met de dertiende eeuw in Europa het begin vormde van een lange periode van bloei, was in de Arabische wereld al voor het begin van de vijandelijkheden de neergang begonnen. Maalouf maakt een balans op: de moslimwereld 'werd overgevoelig, defensief, intolerant en steriel - houdingen die alleen maar sterker werden'.

Hoe men ook naar deze geschiedenis kijkt, over de stagnatie in de kernlanden van de islam kan in onze tijd geen twijfel bestaan. Het Arab Human Development Report 2002 schetst een dramatisch beeld. Drie grote tekorten worden vastgesteld in het rapport, dat overigens door wetenschappers uit de betrokken landen is opgesteld. Deze tekorten hebben te maken met de onvrijheid, met de zwakke positie van vrouwen en met een dramatische kennisachterstand. Op al deze drie terreinen geeft het rapport voorbeelden. De totale productie van vertalingen in de Arabische wereld vanaf de negende eeuw staat gelijk aan het aantal vertalingen dat jaarlijks in een land als Spanje wordt vervaardigd. Om bij Spanje te blijven: het bruto nationaal product van dat land is groter dan het gecombineerde bnp van alle Arabische landen!

Iedereen voelt dat de mythe van de bloeitijd van de islam uitgeput is: een beschaving die zijn legitimatie ontleent aan een zo ver verleden heeft zijn zeggingskracht verloren. De uitkomst is een gespleten zelfbeeld: er gaapt een onverdraaglijke kloof tussen wat wordt gezien als een superieure beschaving en de vaststelbare achterstand vergeleken met de westerse wereld, maar ook in toenemende mate met veel Aziatische landen. Die zelfkritische waarneming wordt vermeden, maar woekert onderhuids voort. Dat is wat ik versta onder het onbehagen in de islam: een twijfel aan de eigen cultuur en religie die geen stem krijgt en daarom een uitweg vindt in wrok en agressie. Of in een gelatenheid die geen verantwoordelijkheid onder ogen ziet.

Er is alle reden voor een zelfonderzoek dat echter wordt vermeden door het voortdurende stellen van de schuldvraag: 'wie heeft ons dit aangedaan?' Het antwoord is: uiteindelijk niemand, de neergang is van eigen makelij en heeft veel te maken met de verwerping van de wetenschappelijke en democratische vernieuwing in Europa vanaf de vijftiende eeuw. Een traditie van onderzoek, experiment en zelfkritiek werd niet op waarde geschat door de Arabische wereld, die lang volhardde in het beeld van de christelijke Europeanen als barbaren, waarvan weinig tot niets viel te leren.

III

De gevolgen van de stagnatie in de Arabische wereld zijn voor iedereen zichtbaar: een aanzienlijke migratie, die alleen maar verder zal toenemen. Voorspellingen leren dat de bevolking in de Arabische wereld, dat wil zeggen de nabije omgeving van het uitgebreide Europa, tot 2020 zal groeien van de huidige 280 miljoen naar ergens tussen de 410 en 460 miljoen. Dat zal de druk op deze samenlevingen doen toenemen: nu al is een meerderheid van de bevolking er minderjarig. Een grote groep jongeren verkeert in een uitzichtloze situatie en wil maar een ding: weg. Arabische regeringen doen weinig om illegale emigratie tegen te gaan of zien er zelfs een drukmiddel in om de rijkere landen tot concessies te bewegen. Dat kun je demografische chantage noemen: kijk maar naar een land als Libië.

Inmiddels telt Europa en ook Nederland vele moslimmigranten en het onbehagen in de islam is met hen naar onze wereld gemigreerd. De schatting is dat er over twintig jaar tussen de dertig en veertig miljoen moslims in de Europese Unie zullen leven, nog afgezien van de gevolgen die toetreding van Turkije zal hebben. Daarmee is een situatie ontstaan die uniek is in de geschiedenis van de islam en die men altijd heeft willen vermijden: namelijk grote aantallen moslims die zich duurzaam vestigen in niet-islamitische landen. Hoe moeten ze daar leven als minderheid tussen christenen en joden, tussen afvalligen en ongelovigen? Kan een moslim leven in een liberale en seculiere maatschappij?

Dat de migratie naar het Westen inderdaad ten diepste het zelfbeeld van moslims raakt zien we prachtig geïllustreerd in het portret van Milli Görüs dat Gerard van Westerloo schreef. De problemen om als moslim duurzaam in een seculiere samenleving te verblijven, worden samengebald in de uitspraak van een van de aanhangers van deze Turkse moslimbeweging: ,,Je moet er, zegt hij, iets wezenlijks van jezelf voor loslaten. Wat dan? Selami Yuksel aarzelt een ogenblik en dan spreekt hij de sleutelzin die verklaart waarom integratie zo'n pijn doet. 'Het idee dat je honderd procent moslim bent. Het idee dat je volmaakt bent.'''

Vervolg op pagina 38

Vervolg van pagina 37

In een omgeving van religieus pluralisme kan zo'n volmaaktheid alleen maar in afzondering worden geleefd. En zelfs dan zijn er grenzen, want in een rechtstaat waar de sharia geen enkele rol speelt zal die krenking moeten worden aanvaard. Opvattingen over een moraliteit die in islamitische wetgeving zijn vastgelegd en opgelegd, vinden hier geen erkenning, sterker: ze zijn in strijd met beginselen van gelijkheid en vrijheid en kunnen geen maatstaf zijn voor moslims die in het Westen willen leven. Waar gewetensvrijheid heerst, heeft het geloof als sociale disciplinering geen plaats.

Religie, cultuur en politiek vallen in een moderne samenleving uiteen, het beeld van samenhang wordt hier ten diepste verstoord. Er zijn dan ook geweldige obstakels te overwinnen, wil een min of meer vanzelfsprekende integratie van de islam mogelijk zijn en wil de religie zich inderdaad emanciperen uit de cultuur van de landen van herkomst, al was het maar om te voorkomen dat specifieke gebruiken en tradities het aura van de heiligheid krijgen en zo tot in lengte van dagen kunnen worden gerechtvaardigd. Die tegenkrachten liggen allereerst in de islam zelf.

In een recent onderzoek naar het verschijnsel van de erewraak in de Turkse gemeenschap in Nederland en Duitsland concludeert de Turkse onderzoeker Gezik: 'Eer en schaamteregels zijn het resultaat van de natuurlijke scheiding tussen man en vrouw, waarbij de eer vertegenwoordigd wordt door de man en de schaamte door de vrouw.' De structurele ongelijkheid van man en vrouw, met alle dramatische consequenties vandien in tal van gezinnen, is in de islam tot op heden een wezenlijk element van de geloofsbeleving. Gezik benadrukt: 'de islamitische leer overlapt, versterkt en structureert' een gezinscultuur, die al bestond voor de komst van het geloof.

Die ongelijkheid doortrekt het moeizame debat over de hoofddoek. De Frans-Iraanse schrijfster Chahdortt Djavann heeft gelijk wanneer ze in haar aanklacht Bas les voiles! opmerkt dat de sluier 'vooral de psychische vervreemding van de moslimmannen laat zien die hun ziel en zaligheid afhankelijk hebben gemaakt van de voortdurende angst dat hun vrouwen over de schreef gaan. De eer en de ijver van de moslimman, zonder welke hij niets is, zijn gegijzeld door de sluier van de vrouw'.

De hoofddoek heeft vele betekenissen - hij is onderdeel van een schaamtecultuur, een religieuze verplichting en een politiek statement - en is op die manier een geladen symbool geworden. Wanneer dat een eigen keuze is die in vrijheid tot stand komt dan is dat een gegeven waar iedereen zich bij neer kan leggen. Maar het is duidelijk dat kinderen van twaalf niet in volle vrijheid voor hun sluier kiezen. In deze zin draagt een verbod op scholen bij tot de bescherming van kinderen tegen dwingelandij en aan het waarborgen van een zekere neutraliteit van het publieke domein. Tal van scholen hanteren zo'n verbod, maar het debat daarover is ten onrechte voortijdig in het parlement afgesloten.

Het streven naar de ontvlechting religie en cultuur raakt de Koran. Men zou hopen dat vergelijkbaar met de traditie van Bijbelkritiek, een vorm van Korankritiek zal groeien, waarbij deze steeds minder als het geopenbaarde woord van God zal worden gezien. Ayaan Hirsi Ali heeft gelijk wanneer ze de letterlijke lezing van de Koran kritiseert en in tal van teksten een rechtvaardiging van ongelijkheid en geweld ziet. Maar het gaat natuurlijk niet om een herschrijving van de Koran, zoals ze ergens suggereerde, maar om een herlezing van de heilige teksten in hun historische context, die een meer symbolische duiding ervan mogelijk maakt.

Zelfs bij de liberale hervormers is de gedachte van Korankritiek eigenlijk nog steeds een brug te ver. Dat maakt de integratie van de islam in het Westen zo moeilijk. Maar het moet gezegd worden: die grens wordt wel verkend. Iemand als Abdou Filali-Ansary, hoogleraar filosofie in Rabat, probeert islam en laïciteit te verzoenen. Dat doet hij door alle nadruk te leggen op de delen van de Koran die de spirituele periode van de profeet in Mekka behandelen, terwijl hij in de delen die verwijzen naar de periode van staatsvorming in Medina een wereldse onderneming ziet, met alle toevalligheden en bevangenheden vandien. De islam bevat geen staatsleer en kan zich gemakkelijk verzoenen met een seculiere overheid, aldus Filali-Ansary. Door die selectieve lezing probeert hij de islam met een beroep op het individuele geweten van de gelovige los van de machtsvorming te zien.

Sayyid Qutb, de belangrijkste denker van de fundamentalistische moslimbroederschap in Egypte in de jaren vijftig, verzet zich juist tegen de scheiding van het seculiere en het sacrale: 'Elke scheidslijn tussen de seculiere en de sacrale wereld zou suggereren dat in zaken die het dagelijks leven betreffen er meer dan één uiteindelijke autoriteit is. Maar dat zou het bestaan van meer dan één God met zich meebrengen'. Hij spreekt over de 'verachtelijke gespletenheid' van het Westen, maar die scheiding van religie, cultuur en politiek is nu juist de kern van de moderniteit.

Een afscheid van deze totaliteitsaanspraak is dan ook onontbeerlijk wil de islam een vanzelfsprekende plek vinden in de liberale en seculiere samenlevingen van het Westen. Het gaat niet om een afscheid van de islam als spirituele traditie, maar wel om hoe als religieuze minderheid in een democratische omgeving te leven. Het recht op godsdienstvrijheid brengt een plicht met zich mee om diezelfde vrijheid te waarborgen voor anderen, met wie men ten diepste kan verschillen. Wordt die verantwoordelijkheid vermeden of zelfs bewust verworpen, wordt aangedrongen op het bewaren van afstand tegenover een samenleving die als decadent wordt gezien, dan ontstaat een levensgroot probleem.

IV

De integratie van de islam stuit niet alleen op hindernissen in de cultuur van de landen van herkomst, maar ook op tegenkrachten in het land van aankomst. De vermenging van religie en cultuur, waarbij moslims steeds meer gezien worden als etnische minderheid en zichzelf ook steeds meer gaan presenteren als zodanig, is een van de gevolgen van het multiculturalisme. Het is ook een manier voor moslimgroeperingen om erkenning te verkrijgen. Zo zagen we bijvoorbeeld Britse moslims die een beroep deden op de Race Relations Act uit 1976. De vereenzelviging van 'islamofobie' en 'antisemitisme', van kritiek op het geloof met een raciaal vooroordeel, hoort helemaal bij die houding.

De Franse onderzoeker Olivier Roy schrijft in zijn studie De globalisering van de islam: 'Duidelijk is dat de expliciete aanvaarding van het multiculturele model in Groot-Brittannië en tot voor kort ook in Nederland leidt tot verwarring tussen godsdienst en oorspronkelijke cultuur, terwijl het Franse model, dat terughoudend staat tegenover etnische culturen en dat het geloof tot de privé-sfeer wil beperken, de moslimidentiteit individualistischer en, paradoxaal genoeg, ook religieuzer benadert'.

De erfenis van het multiculturalisme bemoeilijkt een individualisering of privatisering van de islam. In de grote steden van West-Europa zijn steeds meer etnische enclaves ontstaan, steeds meer gesegregeerde stadswijken waarbinnen gepoogd wordt een bepaalde religieuze levensstijl overeind te houden, in een omgeving die als vijandig wordt ervaren. Zo kan in bepaalde buurten het dragen van een hoofddoek aan meisjes worden opgedrongen, omdat degenen die daaraan geen gehoor geven zichzelf in een kwetsbare positie brengen, met alle gevolgen van seksuele intimidatie of erger.

De gedachte dat de tweede generatie - dat wil zeggen de kinderen uit migrantengezinnen, die hier zijn geboren - vanzelfsprekend haar plek zouden vinden, is veel te naïef geweest. In de roman Judith en Jamal van Fouad Laroui wordt de verwarring van deze generatie op een geestige manier geschetst. Wanneer Jamal en zijn vriend even terug zijn voor familiebezoek in Marokko struikelen ze over de willekeur van de gendarmes en over nog veel meer dat ze erg vreemd voorkomt. Terug in Parijs zijn we getuige van de volgende dialoog: ,,Hebben wij de couscous dan niet uitgevonden?'' ,,Wie zijn dat, 'wij'? En wat ben jij dan eigenlijk?'' ,,Nou, ik ben toch 'n beur?'' ,,Gelul. Wat weet jij nou helemaal van de geschiedenis van de Arabieren? Jij spreekt niet eens Arabisch, jij bent niet eens een Arabier. Dat vind ik ervan, dat praat niemand me uit mijn kop.'' ,,Jij bent echt steengoed in het moeilijk maken van makkelijke dingen. Nou weet ik opeens niet meer wie ik ben. Maar een moslim ben ik toch nog wel, of niet soms?'' ,,Lame niet lachen, jij? Jij zou het nog geen kwartier in Teheran uithouden. Jij bent alleen maar door een ding verbonden met de Islam en de Arabieren en dat is je naam. En zelfs dat is niks dan lucht.'' ,,Maar waar zijn mijn roots dan, verdomme?'' ,,Je bent toch geen boom, jij hebt helemaal geen roots. En al had je ze: waar ben je geboren?'' ,,Parijs.'' Enzovoorts: het misverstand is eindeloos, maar de ervaring in een soort niemandsland te verkeren - noch in het land van herkomst, noch in het land van aankomst - is veel sterker dan vaak is aangenomen.

De verwachting van een vanzelfsprekende vereenzelviging met de nieuwe omgeving is in veel gevallen niet uitgekomen. De druk is aanzienlijk. Nog steeds trouwt driekwart van de hier geboren kinderen uit moslimgezinnen met een partner uit het land van herkomst, zeg maar gerust uit de stad of het dorp van de ouders. Voorlopig worden de lijnen van de liefde anders getrokken, vaak niet door de betrokkenen zelf maar door beider ouders. We moeten niet te snel uit het oog verliezen dat er ook economische redenen zijn voor gearrangeerde huwelijken. Toch is het duidelijk dat ook religieuze rechtvaardiging een rol speelt in de keuze van ouders.

De verhouding met de kinderen is misschien wel een van de pijnlijkste gevolgen van de migratie, want het betrekkelijke isolement waarin velen zich koesteren heeft een toenemende vervreemding ten opzichte van de zonen en dochters tot gevolg, die zich zo'n afstand tegenover de samenleving niet kunnen en ook niet willen permitteren. Er is niets vreemds of onverwachts aan een generatieconflict, maar in veel migrantengezinnen zijn de afstanden tussen de generaties wel erg groot.

Het is van belang een open oog en oor te hebben voor de levens die hier in al hun tegenstrijdigheid geleefd worden: de spagaat tussen verschillende werelden wordt niet opgelost door het afzetten van een been. Het loyaliteitsconflict is reëel. Tijdens een debat zei een Turkse vrouw afwijzend: de kritiek op de islam maakt het me onmogelijk om in een spagaat te blijven leven, met kleine en grote levensleugens alles te verzoenen. In dat ongemak ligt het begin van een vernieuwing. Daarom was de leuze 'integratie met behoud van eigen identiteit' zo'n ontkenning van een culturele botsing die in alle hevigheid gaande is binnen veel gezinnen. De Groenlinkse parlementariër Farah Karimi merkte op: 'Er is beslist sprake van een multicultureel drama in Nederland. Dat speelt zich vooral af in de huiskamers van de minderhedengezinnen.'

V

Er zijn dus zowel in de islam zelf als in het multiculturele gedachtegoed veel weerstanden te overwinnen wil de religie zich losmaken uit de cultuur van de landen van herkomst. Maar stel dat die breuk tussen geloof en cultuur zich door zou zetten, wat zouden dan de gevolgen zijn? Roy die deze ontwikkeling nu al vaststelt, naar mijn idee erg voorbarig, denkt dat door het ontbreken van een vanzelfsprekende inbedding het geloof steeds meer een individuele keuze zal worden. Die privatisering is niet hetzelfde als een liberalisering van de islam in het Westen, zo waarschuwt hij. Nee, eerder het tegendeel is waar: 'De individuele annexatie van het heilige is over het algemeen orthodox.' Onzekerheid over waarden leidt al te vaak tot een verharding.

Er zijn heel verschillende keuzen mogelijk, de toekomst ligt werkelijk open. Ik noem twee voorbeelden, die zeer uiteen lopen. Onlangs werd het verhaal opgetekend van de Marokkaanse Salma Ismaili, die na een betrekkelijk wild leven opeens zeer vroom is geworden. Ze draagt een hoofddoek: 'Niemand heeft me dat aangepraat. Het hoeft ook niet. Ik doe het als een symbool. Ik laat zien dat ik moslim ben!'. Even verderop: 'En wat krijg ik? Weer afweer. Niet alleen van Nederlanders, hoor. Zat Marokkanen vinden hetzelfde. Vinden me een uitslover. Of een heilig boontje. Ze kunnen het niet hebben dat je, als het erop aankomt, geen enkele macht erkent dan God. Ik geef toch het goede voorbeeld. Wie bedreig ik door niet in de evolutieleer te geloven? Wie heeft daar last van?' Uiteindelijk wil ze terug naar Marokko. Wat me opvalt, is de verongelijkte toon, maar niemand zal de legitimiteit van haar persoonlijke keuze willen bestrijden, zolang die afwijzing van de evolutieleer niet tot inzet wordt van een nieuwe schoolstrijd.

Dat is overigens de achtergrond van het Franse debat, zoals die wordt geschetst in het rapport van de commissie Stasi. Moslims oefenen aandrang uit om het onderwijs te veranderen in vakken als biologie, geschiedenis, godsdienst, taal en lichamelijke opvoeding. Het antwoord op die verlangens moet duidelijk zijn, namelijk afwijzend. Ook in Nederland duiken steeds meer van dergelijke problemen op, bijvoorbeeld rond het onderwijs over de Tweede Wereldoorlog.

Tegenover die wending naar de orthodoxie staat Fadoua Bouali, een Marokkaanse verpleegkundige, die een opmerkelijke reactie op de film Submission schreef: 'De islam zoals ik die ken is zelfs blij dat vrouwen zoals Hirsi Ali hun islam aan de kaak stellen. Mijn islam zou nooit geweld jegens de vrouw goedkeuren en mij nooit dwingen met een man te trouwen en alleen jongens te baren.' Waar het me vooral om gaat is de term 'mijn islam', waarmee het recht wordt opgeëist en uitgeoefend om een eigen uitleg te geven. Ze schrijft over 'de hele moslimgemeenschap die al eeuwenlang toekijkt en meewerkt aan het laten lijden van vrouwen in naam van de islam'.

Tegenover haar pleidooi kan het antwoord nooit zijn: integratie betekent afscheid van het geloof, jouw islam kan nooit een plaats verwerven in onze democratie. We moeten de bestrijding van godsdienst als een irrationeel systeem niet verwarren met het pleidooi voor de scheiding van staat en kerk. Die lopen nu te vaak door elkaar, ook in het politieke debat, en daarmee blijft volkomen ten onrechte de indruk achter dat religie eigenlijk geen plaats heeft in de democratie. Of men het nu leuk vindt of niet: de kans dat godsdiensten verdampen is niet groot, sterker nog er zijn buiten Europa vele voorbeelden van het tegendeel.

Waar het hier om gaat, is de overwinning van het onbehagen in de islam, dat met de migranten is meegekomen en ook in onze samenleving wortel heeft geschoten. Abu Jahjah zegt: 'De moslimdemocratische benadering van de maatschappij is inherent superieur aan alle andere ideologieën en zal zeker de overhand krijgen.' Maar ook hij zal beseffen, althans dat hoop ik, dat het geloof van een kleine minderheid in een democratie nooit de samenleving zal bepalen. Het is een kansloze onderneming, vandaar dat zijn geloof in de 'inherente superioriteit van de moslimdemocratie' vaak naadloos overgaat in de pose van slachtoffer, die geen verantwoordelijkheid kan dragen in een samenleving die migranten marginaliseert en assimileert.

VI

Ik ben begonnen met het internationale decor van de huidige migratie te schetsen en daarmee wil ik ook eindigen. De migratie brengt de hele wereld naar het Westen. Dat is de omkering van een historisch proces waarin het Westen in de wereld doordrong. De Britse historicus Toynbee schreef in een beschouwing vlak na de oorlog dat geen enkele niet-westerse samenleving zich heeft kunnen onttrekken aan de invloed van het Westen. Maar hij voorspelde: 'Vroeger of later zullen de gevolgen van deze botsing terugslaan op het Westen zelf.' Dat maken we nu mee. Denk maar aan de Pakistaanse jongeren die in London tijdens een demonstratie een spandoek omhoog hielden met de tekst: 'We are here because you were there'.

Het onbehagen in de islam zoals dat binnen en buiten onze grenzen zichtbaar wordt, dwingt tot een nieuwe overdenking van de relatie tussen binnenlandse en buitenlandse politiek. Meer in het algemeen heeft het afscheid van de multiculturele illusie ook gevolgen voor onze buitenlandse politiek. Helderheid over de betekenis van de liberale democratie in eigen land heeft onherroepelijk gevolgen voor de opstelling tegenover het buitenland. Wat niet meer is vol te houden, is een bepaalde vorm van realisme, die de buitenlandse politiek tot een domein verklaart dat geen of weinig raakvlak heeft met een binnenlandse politiek die de normen van een democratische rechtsorde centraal stelt.

De Verenigde Staten, maar ook Nederland, hebben geen probleem met dictatoriale regimes als Pakistan of Saoedi-Arabië in hun strijd tegen de Taliban en het Al-Kaida netwerk van Bin Laden. Tegelijk is dezer dagen meer dan ooit duidelijk dat zo'n machtspolitiek 'realisme' leidt tot een tredmolen van vriend en vijand, die gemakkelijk van plaats kunnen wisselen. Dat de Taliban mede een product zijn van Amerikaanse bemoeienis met Afghanistan tijdens de Koude Oorlog, geeft aan dat bondgenootschappen zonder beginsel maar een zeer beperkte veiligheid scheppen, stabiliteit zonder moraliteit kan op den duur geen oplossing bieden, ook niet voor de grote mogendheden.

Dat leek Bush zich te realiseren in een opmerkelijke speech voor de National Endowment of Democracy in november vorig jaar: 'Zestig jaar lang hebben de Westerse landen excuses gevonden en zich neergelegd bij het gebrek aan vrijheid in het Midden-Oosten en het heeft ons niet veiliger gemaakt, omdat uiteindelijk stabiliteit niet kan worden verkregen tegen de prijs van vrijheid. Zo de vrijheid niet bloeit in het Midden-Oosten zal het een regio blijven van stilstand, wrok en geweld die gemakkelijk geëxporteerd kunnen worden.'

Deze beginselverklaring zullen velen willen onderschrijven, maar hoe moeten westerse regeringen daarnaar leven in de wereldwanorde van alle dag. Welke houding in te nemen tegenover de vele corrupte autoritaire regimes in het Midden-Oosten? De laatste decennia zijn de westerse landen steeds meer gevangen geraakt in een vicieuze cirkel: democratisering betekent waarschijnlijk islamisering en islamisering is het einde van de democratisering. Daarom kunnen we beter de status quo blijven omarmen, maar Bush heeft gelijk 'stabiliteit kan op termijn niet worden gekocht ten koste van vrijheid'. Dat heeft de geschiedenis van Oost-Europa laten zien, en dat zal zich naar men mag hopen vroeger of later herhalen in het Midden-Oosten.

De ontwikkelingen in Turkije laten een mogelijke uitweg zien uit dit duivelse dilemma: in een land met een overwegende moslimbevolking, waar een geschiedenis is van een scheiding van kerk en staat

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden