Het onbehagen bij de vrouw

'Het is te danken/wijten aan de jaren zestig en zeventig.' Deze zomer publiceert Letter & Geest historische documenten uit dit tijdperk. Met o.a. Roel van Duijn, Abel Herzberg, A.L Constandse en Jacques de Kadt. Vandaag Joke Kool-Smit, die in 1967 in De Gids het artikel 'Het onbehagen bij de vrouw' publiceerde, dat geldt als het begin van de tweede feministische golf in Nederland. 'Nu is de pil voorlopig helaas nog maar de helft van het liedje. Hij werd eind 1966 door driehonderdduizend vrouwen in Nederland gebruikt en op een totaal van achttienhonderdduizend gehuwde vrouwen in de vruchtbare leeftijd betekent dat niet zoveel.'

Op het ogenblik staat de vrouw onwennig tegenover de maatschappij. En er is een periode in haar leven waarin ze daarvan nog verder vervreemdt, namelijk als ze kinderen krijgt. Ten eerste materieel: een omgeving waarin men niet langer vertoeft verliest op den duur haar realiteit. Ten tweede mentaal: aangezien al haar energie wordt opgezogen door wat zich afspeelt binnen de muren van haar huis, vernauwt haar gezichtskring zich. Aangezien zij voortdurend vijf dingen met een half oog in de gaten moet houden, verliest zij de gewoonte zich te concentreren (ik ken eigenlijk maar één bezigheid waar een huismoeder al haar aandacht bij gebruikt: het baren van een kind). Aangezien zelfs haar kleine plannetjes voortdurend worden doorkruist, leeft zij van het ene uur op het andere. En tenslotte psychisch: zij krijgt een taak te vervullen die botst met al haar aangeleerde reflexen.

Als haar baby de box ontgroeid is, merkt een vrouw dat zij terechtgekomen is in een natuurramp die -maar dat weet zij nog niet -vier jaar zal duren. Ze komt in een situatie waarin werk niet langer werk is en rust niet langer rust. Dingen die zij als normaal beschouwde: een kopje koffie drinken zonder tienmaal op te staan, een gesprek voeren, een kranteartikel lezen, blijken ineens een onvoorspelbare luxe te zijn. Het resultaat van haar werk wordt onder haar handen afgebroken; zij krijgt het gevoel dat haar inspanning vergeefs is. Kortom, ze is 's avonds doodmoe zonder dat ze iets concreets gedaan heeft.

Het merkwaardige is nu dat men schijnt te menen dat een vrouw op deze dingen essentieel anders reageert dan een man. Van vaders accepteert men glimlachend dat ze na het weekend opgelucht weer naar hun werk vertrekken, wat moeders betreft luidt de communis opinio dat ze in elk geval thuis dienen te blijven zolang hun kinderen klein zijn. Vanuit de vrouw gezien is dat onlogisch, want nooit zijn de frustraties zo groot als wanneer de kinderen nog de hele dag thuis zijn.

De huidige positie van de echtgenote legt een zware druk op het huwelijk. Zij heeft afstand gedaan niet alleen van haar vrijheid, maar ook van haar levenswijze om het toverland van de gehuwde staat te betreden. Haar arme echtgenoot verkeert nu in de situatie dat hij voor alles wat zijn vrouw heeft opgegeven compensatie moet bieden. Hij is haar leven, zij heeft dus recht op aandacht, liefde en attenties. Als hij na een dag onder de mensen alleen wil zijn, is ze beledigd: zij heeft de ganse dag geen volwassen mens gesproken. Als hij in het weekend rust wenst, is ze teleurgesteld: ze heeft de hele week uitgezien naar het moment waarop ze samen iets konden ondernemen.

Als men dit uit de wereld wil hebben, moet men zorgen dat de levens van man en vrouw meer op elkaar gaan lijken.

Maar getrouwde vrouwen in Nederland wensen helemaal niet te werken. Er zijn er weinigen die het doen en tot voor kort werd bij enquêtes op suggesties in die richting vrijwel unaniem negatief gereageerd. Waarom eigenlijk? Natuurlijk, er zijn mannen die hun potentie koppelen aan het niet-verdienen van hun vrouwen. Als laatstgenoemden dat opwindend vinden, wel, masochisme is een gangbaar menselijk vermaak.

Maar er zijn meer solide redenen. Een heleboel vrouwen hebben niets geleerd. Weliswaar zijn meisjes bezig hun achterstand in te halen, maar in de hogere regionen van het onderwijs zijn ze nog altijd dungezaaid. Niet alleen als men hun aantal met dat van mannelijke studenten vergelijkt, maar ook als men de percentages naast de buitenlandse legt blijkt de Nederlandse vrouw een achterstand te hebben.

De tweede reden is het menselijk gebrek aan fantasie. Als mensen behoudzuchtig zijn dan komt dat doordat zij zich niet kunnen voorstellen dat het anders kan. De meeste huisvrouwen kennen geen lotgenoten die werken. Dus denken ze dat het onmogelijk is, -ze zijn toch al zestig uur per week in touw?

Er bestaat een communis opinio die zegt dat de kwestie -werken of niet? -alleen actueel is voor vrouwen met een intellectuele inslag. Nu weten deze vrouwen dat ze meer en andere dingen kunnen dan ze op het ogenblik doen; zij vormen een soort voorhoede van het onbehagen. Maar dat de zaken in beweging zijn mag men opmaken uit de cijfers van de Libelle-enquête. Daarin verklaart vierendertig procent van de gehuwde vrouwen dat ze graag willen werken, en dat is tienmaal zoveel als het aantal vrouwen met een middelbare of hogere opleiding. Dat bewijst dat een derde van de Nederlandse huismoeders oog begint te krijgen voor de realiteit. En die realiteit is dat door de langere levensduur van de vrouw en het beperkte kindertal praktisch niemand meer zijn leven kan vullen met het moederschap alleen.

Maar die vierendertig procent hebben het moeilijk; zij worden geflankeerd door tweeëntachtig procent mannen die verklaren dat getrouwde vrouwen niet horen te werken. Dit impliceert het een en ander: bijvoorbeeld dat de weerstanden tegen het werken van de gehuwde vrouw nog niet horen tot het soort vooroordelen die men wel koestert, maar waar men niet voor uit durft te komen. Bijvoorbeeld ook dat mannen een merkwaardig talent hebben alleen intellectueel van hun vorming te profiteren. Zij zijn blijkbaar psychisch niet opgewassen tegen het begrip gelijkheid.

Maar een vrouw die in de maatschappij wil blijven of daarin wenst terug te keren, moet de fatalistische lijn doorbreken en aan het plannen slaan: zoveel kinderen en niet meer, ongeveer op die tijden geboren. Nu heeft zij sinds kort een machtige bondgenoot: de pil. Als iemand er aanspraak op mag maken in het feministische pantheon te worden bijgezet dan is het professor Pinkus. Nu is de pil voorlopig helaas nog maar de helft van het liedje. Hij werd eind 1966 door driehonderdduizend vrouwen in Nederland gebruikt en op een totaal van achttienhonderdduizend gehuwde vrouwen in de vruchtbare leeftijd betekent dat niet zoveel.

Als wij ergens een ongenuanceerd feminisme nodig hebben dan is het hier. Want als er ergens sprake is van systematische discriminatie jegens een bepaalde bevolkingsgroep, als ergens de vrouw als een onmondig wezen wordt beschouwd, dan is het op het gebied van de abortuswetgeving.

Vroeger werd de vrouw fysiek het slachtoffer van haar biologische doem: op negenenveertigjarige leeftijd was de kinderzegen voor een heleboel vrouwen fataal geweest. Tegenwoordig springt men voorzichtig om met de gezondheid van de moeder. Maar psychisch en sociaal heeft zij nauwelijks waarborgen; zelfs in zeer tragische gevallen komt geen abortus tot stand, tenzij door het toeval van relaties. Er ligt voor mij iets paradoxaals in de westerse ideeën over menselijke waardigheid. Men proclameert dat een individu het recht moet hebben zijn mening te uiten zolang hij daarmee andermans vrijheid niet schaadt. Men belet hem evenwel in volle vrijheid zijn kindertal en het tijdstip van hun geboorte te bepalen. Hiermee wil ik uiteraard niet zeggen dat naar mijn mening iedere vrouw abortus moet plegen, integendeel: deze ingreep dient een uitstervende uitwijkmogelijkheid te zijn en het aanleren van een doeltreffende anticonceptiementaliteit moet even vanzelfsprekend worden als het inpompen van de tafels van vermenigvuldiging; ik vind wel dat een vrouw de enige hoort te zijn die het recht heeft te beslissen of zij een zwangerschap wenst te onderbreken of niet. Zolang de vrouw degene is die kinderen draagt, baart en zoogt, verzorgt en grotendeels opvoedt, kortom degene die een flink stuk van haar leven in deze bezigheden investeert, hebben anderen niet het recht haar te maken tot de gevangene van hun moraal.

Als het recht van de vrouw over haar eigen lichaam te beschikken wettelijk is vastgelegd in een handvest door alle volken ondertekend, dan zal een stuk vrijheid dat al veroverd werd op de natuur -medisch is abortus immers mogelijk -ook veroverd zijn op de cultuur. Dan zal de vrouw tegelijkertijd een stuk van haar achterstand op de andere vertegenwoordigers van het menselijk geslacht hebben ingelopen.

Terwille van degenen die vinden dat hier wel hard geschreeuwd wordt, moet ik zeggen dat het mij nodig lijkt. Want het valt mij steeds weer op dat zelfs verlichte mannen wanneer ze discussiëren over dingen die vrouwen raken, het bestaan van die vrouwen in concreto niet eens schijnen te vermoeden.

Er is een andere factor die op het ogenblik negatief inwerkt op de positie van de vrouw. Sinds Freud ontdekte hoe iemands jeugd ingreep in zijn latere leven, is men doodsbenauwd geworden dat moeders tekort schieten in hun taak. Van hoog tot laag beijvert men zich een vrouw in te prenten hoe onmisbaar zij is voor haar kinderen. Nu dacht ik dat de vader bij Freud ook een uiterst belangrijk personage was, maar op de een of andere manier schijnt dat weinig consequenties te hebben voor de praktijk. Mannen worden veel minder systematisch aan hun opvoedersplichten herinnerd dan vrouwen.

De crux van het probleem ligt bij de moeders zelf. Want in hen vinden kinderpsychologen hun trouwe bondgenoten. Als een vrouw leest wat er allemaal mis kan gaan met haar prille prinsje of haar onverschrokken prinsesje, krimpt haar hart ineen en neemt zij een heroïek besluit: tot haar laatste snik zal zij zich daartegen te weer stellen. Die collectieve schrikreactie maakt het praktisch onmogelijk kalm over het onderwerp 'moeder en kind' te denken. Discussies op dit terrein worden onwezenlijk omdat ze gehuld zijn in een mist van hypocrisie. Vandaar dat sommige werkende vrouwen proberen andere vrouwen als moeder te overklassen door meer tijd aan hun kinderen te besteden dan de gemiddelde huisvrouw. Moederschap kan positief inwerken op een vrouw, maar ook negatief. Het kan haar zelfbewuster en wijzer maken, het kan haar ook doen afglijden in gemakzucht: 'Toen ik voor het eerst thuis was kwam er een soort vakantiestemming over me' (maar een jarenlange vakantie is alleen in wensdromen ideaal). Het kan ook maken dat zij het bijltje erbij neerlegt: 'Als het dan zo ontzettend belangrijk is mijn kinderen heelhuids naar de volwassenheid te manoeuvreren, waar zal ik mij dan verder nog om bekommeren?'

Een moeder staat bloot aan twee verleidingen. De verleiding haar taak gelijk te stellen met haar aspiraties en de verleiding op haar kinderen te mikken in plaats van op zichzelf. Voorbeeld. Aan het woord is een Engelse, auteur van tenminste één populair sociologisch boek, moeder van twee dochters (acht en vijf jaar) en een zoon van drie maanden. Onderwerp van gesprek: gezinsgrootte. Vraag: 'Waarom nam je nog een kind toen je eenmaal uit de luierrotzooi was?' Antwoord: 'Ik wou een zoon hebben. Ik heb er lang over gepiekerd waarom ik dat eigenlijk wou, maar ik wenste één volledig menselijk wezen op de wereld te zetten.'

Deze vrouw velt een negatief oordeel over de condition féminine. Zij had uitgemaakt dat een vrouw in het jaar 1967 geen volledig mens was, zij verwachtte geen verbetering in haar situatie, zij liet het daarom afweten en had voor het moment besloten per procuratie te gaan leven.

Ik vind dit een griezelige oplossing. Als vrouwen het normaal blijven vinden dat een vrouw een taak heeft plus wat zoethoudertjes: stemrecht, hobby's, clubs, cultuur en kletsen, in plaats van een eigen leven, dan is de oude situatie dat het leven van het kind prevaleert boven het leven van de moeder alleen van het fysieke naar het psychische vlak verlegd, dan horen vrouwen bedroefd te zijn dat ze het leven schenken aan een dochter.

Ik geloof dat het de hoogste tijd is dat vrouwen zich het gezonde egoïsme permitteren dat voor mannen sinds mensenheugenis vanzelfsprekend is. Want ik kan mij niet voorstellen dat iemand die zijn eigen vitale belangen verwaarloost, een positieve invloed heeft op zijn omgeving. Want wie alleen zijn al of niet bewuste rancune heeft, zit zo in zichzelf opgesloten dat hij het vermogen verliest zich andermans situatie reëel in te denken. En hoe kan hij dan een goede opvoeder zijn?

Er zijn wel eens mensen die tegen mij zeggen: Geloof je nu heus dat vrouwen zich gelukkiger zullen voelen als ze werken en geëmancipeerd zijn? Mijn antwoord is: Daar weet ik niets van, en daar gaat het ook niet om. Men zou het werken van gehuwde vrouwen kunnen vergelijken met uitbreiding van het onderwijs. Beide stellen mensen in staat hun horizon te verbreden en meer geïnteresseerd te zijn in de wereld omdat ze over meer aanknopingspunten beschikken. Maar dat is niet het enige. Wie geestelijk vrij is hoeft zich niet te laten verlammen door taboes, schuldgevoel en materiële omstandigheden. Wie erin slaagt zijn potenties te realiseren kan zich tevreden voelen. Wie getaxeerd wordt op eigen merites in plaats van op de positie van een echtgenoot hoeft zich geen aanhangsel meer te voelen; de weg naar het zelfrespect is niet langer geblokkeerd.

En als vrouwen het zover brengen dat zij in de eerste plaats een mens zijn en pas in de tweede plaats een vrouw, zou dat positieve gevolgen kunnen hebben voor de relaties tussen moeders en hun kinderen. Op het ogenblik worden moeders door grote kinderen vaak alleen affectief gewaardeerd. Vaders en kinderen kunnen van mening verschillen; met moeders valt over vele zaken helemaal niet te praten omdat ze geen notie hebben van de maatschappij. Zou het niet goed zijn als moeders hun kinderen meer te bieden hadden dan enkel zorgzaamheid?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden