Het occulte uitgedaagd

De Zweedse filmregisseur Roy Andersson is met zijn 'Songs from the second floor' een nieuwe grote Scandinavische ontdekking. Jarenlang sleutelde Andersson (57) in zijn eigen filmstudio in hartje Stockholm aan zijn bizarre magnum opus. Op het filmfestival van Cannes, vorig jaar, werd hij ervoor bekroond met de Grote Juryprijs. Een gesprek met een opvallende laatbloeier.

Bij de wereldpremière van 'Songs from the second floor', vorig jaar mei, ging een lichte zindering door de zaal. Dit was wel iets heel speciaals. Een zeegroene wereld, bevolkt door mannen van middelbare leeftijd, de een met een buikje, de ander met een rechte rug. Onder hen een magiër die zijn toveract ziet mislukken. De vrijwilliger uit de zaal is per ongeluk écht door midden gezaagd. De man moet voort aan letterlijk gebroken door het leven. En dan is daar de man met zijn vinger tussen de treindeur en de man die in een drukke straat een pak slaag krijgt, zomaar.

De film 'Songs from the second floor' zit barstensvol groot en klein leed dat zich in afzonderlijke, tragikomische scènes aandient. Ogenschijnlijk simpele scènes die tot in het kleinste detail zijn uitgewerkt. De film met al zijn kaalheid en precisie in de vormgeving doet wat denken aan het werk van Alex van Warmerdam. De gedachten waaieren ook uit naar de absurde televisie-sketches van de oudere Fred Haché Show en het nieuwere Jiskefet. En dan is er die diepe humane ondertoon die al die afzonderlijke scènes begeleidt.

Er bestaat geen genre-aanduiding voor 'Songs from the second floor'. Het is een film die zich niet in een categorie laat vatten. Roy Andersson kan wel inspiratiebronnen noemen: Otto Dix en Max Beckmann, Duitse schilders van De Nieuwe Zakelijkheid, die het overdreven simplisme tot norm verhieven. Of de alledaagse interieurtjes van Breughel, of de exactheid waarmee een schilder als Matisse te werk ging.

Andersson: ,,Mijn inspiratiebronnen liggen voornamelijk in de schilderkunst en als filmer voel ik me ook het meest verwant met schilders. Een film is voor mij geen verbaal maar een visueel expressiemiddel en ik wil zijn verschillende visuele mogelijkheden graag onderzoeken. Filmmakers zijn veel te veel geconcentreerd op de plot, de dramatische structuur, de dialoog. Ik wil mijn verhaal graag in beelden vertellen en laat me leiden door het perspectief.''

,,Natuurlijk zijn er ook films die ik bewonder, zoals 'Stranger than para dise' van de Hongaars-Amerikaanse regisseur Jim Jarmusch. Een originele en erg grappige roadmovie met wonderschone visuele kwaliteiten. Jammer alleen dat Jarmusch die precisie en die eenvoud in zijn latere werk heeft losgelaten. 'Viridiana' van de Spaanse cineast Luis Bunuel is een van de mooiste psychologische studies ooit gemaakt. En het 'set design' van Fellini's 'E la nave va' is zo fantastisch. Fellini maakte wel heel duidelijk dat het om surrealisme ging. Ik zoek in het realisme meer een soort uitdaging. Het publiek moet zich afvragen of het echt is, of overdreven. Of het nu om te lachen is, of om te huilen.''

In Anderssons tragikomische universum, gesitueerd in een niet nader benoemde Zweedse provinciestad, neemt de chaos geleidelijk aan toe. Hoofdpersoon Karl, gespeeld door de Zweedse amateur Lars Nordh, heeft zijn meubelzaak in de fik gestoken om geld te vangen van de verzekering. Samen met zijn jongste zoon bezoekt hij zijn oudste zoon in een psychiatrische inrichting. Wanneer hij de verkoolde resten van zijn pak veegt, kan hij niet anders constateren dan dat zijn leven een aaneenrijging van rampen is. Terwijl de vader zich op de achtergrond afvraagt wat hij verkeerd heeft gedaan, knielt de jongste zoon neer bij de oudste zoon, om hem al dichtend een hart onder de riem te steken.

Andersson: ,,Die dichtregels zijn afkomstig van de Peruviaanse dichter Cesar Vallejo aan wie ik mijn film heb opgedragen. Vallejo is inmiddels gestorven, arm en eenzaam, als een soort clochard in Parijs. Zijn gedicht Stumble between two stars draag ik al zo'n vijfentwintig jaar met me mee. Beloved be the man who sits down, Beloved be the man who wears a torn shoe in the rain, Beloved be the man who... enzovoort. Het is een gedicht over naastenliefde. Het vormt de voornaamste inspiratiebron voor mijn werk. Ik ben niet religieus in de zin dat ik in een god geloof. Maar de mens heeft een geweten en ik ben ervan overtuigd dat religieuze gevoelens en gedachten voortkomen uit die bron. Het basisthema van 'Songs' is de kwetsbaarheid van de mens. De film gaat over eenzaamheid, verlies en verwarring. Iedereen is op zoek naar een soort bevestiging, naar een bepaalde geborgenheid, maar niet iedereen slaagt er altijd in om die bevestiging te krijgen of die geborgenheid te vinden. In feite wil ik laten zien hoe kwetsbaar de mens is, en 'Songs' is een oproep om die kwetsbaarheid te respecteren.''

Volgens Andersson leven we in een behoorlijk kille wereld. Niet alleen in Zweden maar overal ter wereld wordt de mens gekenmerkt door een bikkelhard cynisme.

Andersson: ,,De televisie is een goede graadmeter. Denk aan het programma 'Robinson', waarin mensen op een onbewoond eiland met elkaar concurreren. Ik kijk er soms naar, om op de hoogte te blijven, maar dergelijke narcistische programma's waren in de jaren zestig en zeventig ondenkbaar. Tegenwoordig voeden we onze kinderen op om te winnen. En het akelige is, dat niet de beste wint, maar degene die het beste compromissen kan sluiten. Zo'n programma als 'Robinson' weerspiegelt een bepaalde mentaliteit. Het zegt iets over de tijd waarin we leven, een tijd die gekenmerkt wordt door het korte-termijndenken.''

,,Ook in de politiek en in de economie worden geen verantwoordelijkheden meer voor langere tijd genomen. In 1985 maakte ik een spotje voor de sociaal-democraten. De slogan luidde: 'Waarom zouden we om elkaar geven'. Het was een uitdagend spotje, gericht tegen rechts, maar het ironische is dat het spotje nu, vijftien jaar later, ook op de sociaal-democraten van toepassing is.''

'Songs' is niet de eerste film van Andersson. In 1969 debuteerde hij met 'A Swedish love story'. De film kreeg een belangrijke prijs in Berlijn en werd een Zweedse klassieker. In 1975 volgde 'Giliap'. De film flopte verschrikkelijk in Zweden, en Andersson verloor alle vertrouwen. Eenmaal hersteld van de schrik, richtte hij in 1981 in hartje Stockholm zijn eigen onafhankelijke filmstudio op. 'Studio 24', uitgerust met twee filmsets, een geluidsstudio en een montagekamer, werd een begrip in Zweden.

Vele jonge filmmakers streken er neer. Andersson vervaardigde er zijn talloze veelbekroonde commercials en korte films die qua vorm en inhoud de opmaat vormden tot 'Songs', de speelfilm waar hij vier jaar lang onafgebroken aan zou werken en die voor een groot deel werd bekostigd uit de opbrengst van diezelfde commercials. Anderssons werkmethode is uniek in Europa. Door zijn eigen filmstudio op te richten heeft hij als filmmaker totale vrijheid weten te verwerven.

Andersson: ,,Je kunt 'Studio 24' beschouwen als een soort collectief, maar ik draag wel de verantwoordelijkheid. Ik moet ervoor zorgen dat alle ideeën, die in mijn geval niet zijn gevat in een scenario, helder overkomen. Zowel bij de mensen die aan de film werken, als bij de mensen die de film uiteindelijk zien. Helderheid staat bij mij voorop. Ik haat kunst die mystificeert.''

,,In mijn film daag ik alle occulte en bovennatuurlijke tendensen uit, omdat ze naar mijn mening buitengewoon gevaarlijk zijn. De nazi's waren bijvoorbeeld gefascineerd door het effect van het occulte. Nachtelijke parades met fakkels, uitdrukkingen als Blut und Boden. Die hang naar het occulte, die zich in Zweden bijvoorbeeld manifesteert in de new age-beweging, krijgt er in 'Songs' flink van langs. Het is te makkelijk om te zeggen dat een of andere hogere macht verantwoordelijk is.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden