Het nut van oorlog

Oorlog hoort bij de mens. West-Europeanen zijn dat ontwend. Maakt dat ze minder weerbaar? In de vredesweek erkent filosoof Hans Achterhuis dat risico, maar hij waardeert de drempel voor geweld.

Zowel in de prehistorie als in de geboekstaafde geschiedenis van de mensheid is oorlog een voortdurend terugkerend fenomeen. Zeker, misschien is ’oorlog’ een te wijds begrip voor de botsingen tussen groepen jagers en verzamelaars die miljoenen jaren geleden uit dertig tot vijftig mensen bestonden.

Maar schattingen op grond van archeologische en etnologische gegevens laten zien dat in de oertijd een kwart van de mannen een gewelddadige dood vond. Vergelijken we dat met de oorlogen uit de bloedige twintigste eeuw, dan waren – hoe absurd het ook klinken mag – hun tientallen miljoenen slachtoffers kinderspel. Alleen de genociden in Cambodja en Rwanda komen in de buurt van de 25 procent uit de oertijd.

Hoe algemeen oorlog ook was, toch heeft de mensheid haar nooit als vanzelfsprekend ervaren. Altijd bleef de droom over een tijd van vrede, vaak gesitueerd in een gouden periode aan het begin van de geschiedenis van de mensheid. Zo beschreef nog in de achttiende eeuw Rousseau zijn edele wilden die, hoe beperkt ook qua ratio en ontwikkeling, niet bekend waren met oorlog en geweld. Die fenomenen verschenen pas toen de idee van eigendom opkwam.

In lijn met Rousseau verklaarde de feministische antropologe Sarah Blaffer Hrdy onlangs in haar studie ’Mothers and Others’ dat het evolutionaire verleden van de mensheid zich niet kenmerkt door oorlogsgeweld. „Eerst was er het gevoel voor de ander, pas later kwam het scherpe verstand, pas nog veel later kwam de oorlog.”

Helaas vindt Hrdy’s stelling onvoldoende steun in wetenschappelijke gegevens. Maar ze laat wel mooi uitkomen dat ook in onze eeuw mensen oorlogsgeweld nog steeds niet als ’natuurlijk’ of ’onvermijdelijk’ ervaren. Juist de moderne mens meent dat (oorlogs)geweld eigenlijk niet bij de menselijke conditie hoort.

In de afgelopen eeuwen is sterfte door oorlogsgeweld verhoudingsgewijs duidelijk afgenomen. Opkomende staten met hun geweldsmonopolie banden de voortdurende strijd tussen groepen en gebieden uit. Deze veranderingen leidden tot een mentaliteitsverandering. De moderne mens onthield zich meer en meer van het gebruik van geweld, wat op de lange duur volgens de socioloog Norbert Elias een veranderde persoonlijkheidsstructuur met zich meebracht. Moderne westerse mensen werden steeds gevoeliger voor geweld en gingen het verafschuwen.

Het paradoxale gevolg van deze verandering in de psyche van de mens is dat hij of zij hierdoor juist steeds meer geweld om zich heen denkt te ervaren. Wat niet-westerse culturen vaak nog als vanzelfsprekend beschouwen – onderdrukking van vrouwen, extreem hiërarchische maatschappelijke verhoudingen – typeert de westerling als gewelddadig.

Dit maakt het voor moderne mensen steeds moeilijker om met oorlog om te gaan. Zij beschikken nauwelijks meer over wat de Israëlische oorlogshistoricus Martin van Creveld een ’oorlogscultuur’ noemt. Hij beschrijft dit als een negatieve ontwikkeling. De oorlogscultuur bereidde in het verleden mensen niet alleen voor op een soms noodzakelijke strijd om het voortbestaan als groep, ze reguleerde die strijd ook en hield het geweld zo binnen de perken.

Ik zie in het ontbreken van zo’n oorlogscultuur juist ook veel positiefs. Van Creveld heeft het bijvoorbeeld over West-Europeanen als ’mannen zonder pit’, die in vergelijking met Amerikanen niet meer voldoende beseffen dat er soms militair ingrijpen (met de erbij horende offers) nodig is om waarden en belangen te verdedigen. Maar tegelijkertijd heeft diezelfde Amerikaanse oorlogscultuur na de Vietnamoorlog nog tot twee andere verwoestende oorlogen in Azië geleid, waarvoor, zacht gezegd, de legitimatie niet erg overtuigend is.

Toch heeft Van Creveld deels gelijk met zijn verdediging van een oorlogscultuur. Hoezeer de oorlog de mensheid in haar geschiedenis ook begeleid heeft, zij was altijd een uitzonderingstoestand die het normale leven onderbrak. De overgang naar gewelddadige strijd ging daarom in het verleden ook bijna altijd gepaard met ceremonies en rituelen. De voortekenen moesten gunstig zijn, er waren offers nodig, de wapens werden gezegend en de strijders apart gezet en voorbereid op hun taak.

Deze rituelen markeerden de maatschappelijke overgang van het gebod ’gij zult niet doden’ naar het ’gij moet doden’ dat in de oorlog overheerst. Daarom kende ook het einde van de oorlog rituelen die soldaten zuiverden en hen weer voorbreidden op een normaal, vreedzaam bestaan in de samenleving. Volgens Van Creveld hadden vanuit een biologisch standpunt deze gebruiken ’de functie om de adrenalinestroom te stoppen’ en het geweld af te zweren.

Juist omdat dit soort rituelen in een moderne maatschappij die de oorlog zegt te verafschuwen, ontbreken, hebben oorlogsveteranen moeite om het leven in de burgermaatschappij weer op te vatten. Het veelvuldig voorkomen van het Post Traumatische Stress Syndroom (vroeger: Shell Shock of Post Vietnam syndroom) getuigt hiervan.

Geweld heeft altijd een oorzaak en achtergrond. Het tamelijk vreedzame wezen dat de mens vaak gelukkig is gaat, als hij zich niet erkend voelt, of als behoeften en belangen gefrustreerd worden, gemakkelijk over tot geweld. Een andere context die geweld begrijpelijk maakt is de wij-zij-tegenstelling, waarvan oorlog de meest extreme uitdrukking is.

Wanneer je individuen in een oorlogscontext plaatst, verlaagt de hoge drempel die in het normale leven het geweld tegenhoudt. Maar zelfs dan blijkt dat, zeker voor de moderne mens, het gebruik van geweld niet gemakkelijk en vanzelf gaat. Zelfs een getrainde soldaat moet de nodige psychische remmingen overwinnen voordat hij een tegenstander doodt.

De Amerikaanse socioloog Randall Collins wijst op onderzoeken die te vaak zijn vergeten of van tafel geveegd. Zo blijkt van de Amerikaanse soldaten in de Tweede Wereldoorlog die aan het front direct bij gevechten betrokken waren, slechts zo’n twintig procent op de vijand te hebben geschoten. De overigen deden alsof of vuurden in het wilde weg.

Hoewel onder militairen van andere nationaliteiten niet zo’n uitvoerig wetenschappelijk onderzoek is verricht, weet Collins aannemelijk te maken dat dit ook voor hen geldt. Hij omschrijft dit verrassende fenomeen als ’strijdvrees’. De angsten en verschrikkingen van het slagveld zouden veel soldaten verlammen.

Ik zie in deze afkeer van moorddadig optreden een positiever element: het toont de remming om een medemens te doden. Zelfs in een oorlogssituatie van wij tegen zij, blijft er kennelijk een drempel tegen geweldgebruik bestaan die het moeilijk maakt om de trekker gericht over te halen.

Maar wanneer deze drempel weg is, kan een omslag komen die zelfs tot een soort verslaving aan geweld leidt. Dit fenomeen is uitvoerig gedocumenteerd in een studie over een Duits reservebataljon dat in Oost-Europa massaal Joden moest liquideren. Het betrof hier ’gewone mensen’ uit de burgermaatschappij die aanvankelijk moeite hadden met hun vreselijke opdracht. Op den duur ging het hun steeds makkelijker af, ook door overmatig alcoholgebruik.

Deze gewenning aan moord en marteling geldt niet alleen voor Duitsers, maar is bij alle strijders die geweld gebruiken aanwezig. Zo vertelde een Amerikaanse soldaat dat hij in de Vietnamoorlog eerst weigerde om vanuit een helikopter op ongewapende burgers te schieten. Toen hij met de krijgsraad werd bedreigd, gaf hij – al moest hij van ellende overgeven – gehoor aan de opdracht. Na een paar keer werd het mikken op burgers een soort prijsschieten op de kermis, waarvan hij zelfs begon te genieten.

De les is duidelijk. (Oorlogs)geweld mag bij de mens horen, het is daarom niet vanzelfsprekend en onontkoombaar. Wie de institutionele en mentale drempels die in de geschiedenis zijn opgeworpen te snel en gemakkelijk weghaalt, construeert een glijbaan naar steeds meer geweld. In veel gebieden in onze huidige wereld bevinden wij ons helaas al lange tijd op deze glijbaan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden