HET NOORDELIJKE LOEVESTEINGEVOEL ARCTISCHE STUDIES

Wat hebben Nederlanders op de noordpool te zoeken? Veel, zeggen wetenschappers en verwijzen naar de rijke pooltraditie sinds Willem Barentsz. Wat hebben Nederlanders op de zuidpool te zoeken? Veel, zeggen politici en sturen nukkige wetenschappers op pad. Kan het ook anders? Jazeker, zegt de nieuwe Groningse poolprof Louwrens Hacquebord.

Nederlanders hebben iets met het arctisch gebied, al heel lang. Hacquebord gaf er gisteren een simpel voorbeeld van: twintig kilometer van de stad Groningen, bij Zuidbroek, ligt een buurtschap Spitsbergen en op tachtig graden noorderbreedte, op Spitsbergen zelf, ligt een landschap dat Ny-Friesland heet.

Zelfs lang vóór Barentsz zeilden zeelieden uit deze streek over de Noordelijke IJszee. Ze stelden hun ervaringen op schrift en leverden zo informatie over de vroegere situatie in de Arctis. Mensen als Barentsz brachten de poolstreek verder in kaart en gaven een groot aantal plaatsen geografische namen met een Nederlandse oorsprong. Nog steeds wemelt de atlas van de aanduidingen die Hollandse zeelui bedachten, al zijn er in de tweede helft van de negentiende eeuw veel namen verdwenen.

De bijzondere leerstoel die Hacquebord (48) nu bekleedt, vindt haar oorsprong in de nieuwsgierigheid waarmee Nederlanders al zoveel eeuwen de Koele Kusten langs trokken. Hij geeft toe dat hij ook persoonlijk een historische band heeft met de Arctis. Op de lagere school in Dokkum kon hij zijn ogen al niet afhouden van die Isings-tekening van de 'Overwintering op Nova Zembla'. Barentsz en zijn metgezellen waren 'supermannen' voor hem, zijn persoonlijke helden. Hoe was het mogelijk dat ze met zo weinig bescherming de poolwinter konden overleven, vroeg hij zich steeds af bij het bestuderen van de schoolplaat. Ze speelden in zijn jongensfantasieën een belangrijke rol. “Ik beeldde me vaak in dat ik het allemaal zelf had meegemaakt en dan droomde ik weg in de koude, ijzige wereld van Willem Barentsz”, bekende hij vele jaren later.

Hij heeft inmiddels op Spitsbergen onderzoek gedaan naar de Nederlandse walvisvaarders uit de zeventiende eeuw, hij heeft in 1992 met zijn rubberlaarzen tussen de fundamenten van het Behouden Huys op Nova Zembla gestaan en hij is op tal van andere plaatsen geweest die de aanwezigheid van Nederlanders in de Arctis markeren.

“Voor mij is de Arctis een gebied waar ik me volmaakt gelukkig voel. Ik kan daar mezelf zijn, vrij zijn. Ik krijg er altijd een soort vakantiegevoel. Ik ben niet gebonden aan regels. Het leven is er zo simpel, je bent je eigen baas. De enige regel die daar geldt, is: overleven! Dat maakt ook zoveel indruk. Je bent namelijk tegelijk ook aan jezelf overgeleverd. Je moet er altijd op tachtig procent lopen. Als er risico's zijn, moet je iets extra's hebben. Niet denken: ik kan die foto van die ijsbeer nog wel maken. Of: ik kan nog wel even over die gletsjer. Je bent heel erg bezig met overleven, daarin ligt de fascinatie. Je staat daar zo dicht bij de natuur, dat heb je hier niet.”

Daarnaast is er die historische verbondenheid die hij voelt met het gebied. “Het idee dat je op een plaats staat waar Nederlanders vóór jou geweest zijn die geschiedenis gemaakt hebben. Op Nova Zembla had ik dat heel sterk, midden tussen die houten balken van het Behouden Huys. 'Hier heeft het zich allemaal afgespeeld', dacht ik toen. Maar dat gevoel heb ik ook, als ik op Slot Loevestein kom: dan zie ik de kist de deur uitgedragen worden. Dat is niet iets speciaals voor de arctische gebieden. Dáár speelt heel sterk dat de natuurlijke omgeving waarin die geschiedenis zich heeft voltrokken, er nog net zo bij ligt als destijds. Er is niets veranderd. Terwijl in Nederland allerlei storende factoren je duidelijk het gevoel geven dat je in de twintigste eeuw bent.”

Voor Hacquebord is de Arctis een soort tweede thuis geworden. Hij mag er graag over vertellen en houdt veel lezingen door het hele land. Ook in die zin staat hij in de traditie van de vele arctische onderzoekers vóór hem. “Het arctisch onderzoek is altijd een beweging van onder-af geweest, waarbij de onderzoekers zelf hun geld bijeen moesten schrapen”, zei hij in zijn oratie. “Het is niet toevallig dat de financiering van arctische expedities al meer dan honderd jaar op dezelfde manier plaats vindt. Deze activiteit leeft bij onderzoekers en publiek. In tegenstelling tot wat leden van de Koninklijke Nederlandse akademie van wetenschappen wel beweerden, is er wel degelijk een pooltraditie.”

Hij heeft er de Nederlandse poolonderzoeken vanaf 1878 voor nageplozen. Dat jaar zeilde de schoener Willem Barentsz voor de eerste van zeven tochten naar het noorden om wetenschappelijke studies uit te voeren. Bij de overheid was geen interesse, het Aardrijkskundig genootschap stimuleerde al evenmin: het was een comité van particulieren zoals prins Alexander en een marine-officier die met lezingen en andere activiteiten de benodigde financiën probeerden in te zamelen. Na zeven tochten zonder overheidssteun werd het comité opgeheven en het schip verkocht.

In 1882/83, het Internationale Geofysisch Jaar, herhaalde de geschiedenis zich. KNMI-directeur Buys Ballot deed er alles aan om een Nederlandse expeditie naar het noordpoolgebied uit te sturen, maar had zoveel tijd nodig voor het inzamelen van de benodigde gelden dat alle mooie lokaties (Jan Mayen, Spitsbergen, Nova Zembla) aan andere landen waren vergeven en voor Nederland slechts Dickson Haven op de afgelegen noordkust van Siberië overbleef. De expeditie strandde in het ijs, maar kreeg veel publiciteit.

Nederland raakte steeds meer aan de zijlijn, terwijl het buitenland steeds actiever werd in de poolgebieden. De Belgen overwinterden in het ijs van Antarctica en werden wetenschappelijk wereldberoemd, de Noor Amundsen bereikte de zuidpool (1911), op de voet gevolgd door de Engelsman Scott en de Nederlandse overheid schitterde overal door afwezigheid of vaardigde mensen af naar conferenties die geen enkele poolervaring hadden. Pas toen er berichten kwamen dat oude graven van Nederlandse walvisvaarders op Spitsbergen door toeristen werden verstoord, stuurde de regering in 1906 op last van de koningin een stel matrozen om de steenhopen te herstellen.

Wetenschappelijke interesse kwam er pas weer in 1920, toen de Nederlandse mijnbouwonderneming Nespico ingenieurs en geologen verzocht, steenkoollagen op Spitsbergen te bestuderen en de Utrechtse bioloog Van Oordt inviteerde het vogelleven in de Arctis te onderzoeken. Die reizen legden de basis voor latere studies van grote biologen als Niko Tinbergen en Jan P. Strijbos. Hacquebord: “Vóór die tijd gingen biologen naar de Arctis om er beesten te halen voor het museum, Van Oordt kwam terug om te publiceren en anderen warm te maken.”

De bezetting van waarnemingsstations op Oost-Groenland en IJsland in het tweede Internationale Geofysisch Jaar 1932/33 bracht Nederland volgens Hacquebord weer terug in de frontlinie van het poolonderzoek. De kosten kwamen vooral voor rekening van het KNMI en particulieren. Ondanks minimale middelen resulteerde het onderzoek in enorme kennis over het leven van de Inuit en vogels als de sneeuwgors en de grauwe franjepoot. Uiteindelijk leidde het tot de stroom aan veldstudies (ijsberen, eskimo-cultuur, rendieren, brandganzen, opgraving Smeerenburg) die tot in de moderne tijd worden uitgevoerd.

Steeds weer, zegt Hacquebord, is het een beweging van onderaf die de expedities financiert. “Een of twee enthousiaste mensen die jarenlang lezingen houden in het land om hun schulden af te lossen, boekjes en posters verkopen en bedrijven en fondsen benaderen om wetenschappelijk onderzoek te financieren. Arctische expedities hebben zich altijd zelf moeten bedruipen, de bijdrage van de overheid was altijd minimaal. En van de initiatieven die de overheid wèl heeft genomen, is niks overgebleven.”

Voor onderzoek in de Antarctis is - incidenteel - wèl geld beschikbaar, stelt Hacquebord vast. “Steeds als de politiek er om vraagt, komt er onderzoek. Zodra de politiek minder of geen geld meer beschikbaar stelt, verdwijnt het weer. Het is ook geen onderzoek om wetenschappelijke, maar om politieke redenen. Een voedingsbodem ontbreekt, die is er bij arctisch onderzoek wel”, zegt de Groningse hoogleraar, die ervoor pleit noord- en zuidpool in één nationaal onderzoeksprogramma samen te voegen.

Hij hoopt er een bijdrage aan te leveren vanaf zijn leerstoel, die in het leven is geroepen door de stichting Plancius, een particuliere organisatie die al heel wat poolexpedities heeft gestimuleerd. De traditie zet zich nog steeds voort.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden