Het niemandsland tussen werkelijkheid en fantasie

De auteur is schrijver en criminoloog.

Ik schrijf wèl romans. En op de dag (de werkelijkheid gaat altijd weer de verbeelding te boven) nadat Heumakers in deze krant beweerde dat schrijvers zich zonder meer boven deze morele kant van hun werk moeten stellen, werd ik opgebeld door Julius Vischjager, de alom gerespecteerde hoofdredacteur van de Daily Invisible. Hij was, heel begrijpelijk, nogal bezorgd. De literaire criticus van de Haagsche Courant had hem in de bespreking van mijn roman Nieuws van de nacht (een zeer lovende bespreking, dus het boek kan volgens Heumakers eigenlijk geen slachtoffers maken) een 'journalistieke dorpsgek' genoemd. Of ik daar iets meer van wist? Hij kon zich niet voorstellen dat hij model had gestaan voor een personage in mijn roman. “Dat kan toch niet”, zei hij op een toon die mij het onaangename gevoel gaf dat hij een bevestigend antwoord vreesde. “Ik ken u helemaal niet”. In zijn stem hoorde ik argwaan en angst.

Wat moest ik antwoorden? Moeilijk. In Nieuws van de nacht komt inderdaad een journalist voor (Marius van den Bergh) die aan de buitenkant op Vischjager lijkt. Ook Van den Bergh geeft een eigen blad uit dat onregelmatig verschijnt: Nieuws van de nacht. Maar waar Vischjager een weldadig onaangepaste journalist is, heeft Marius van den Bergh inderdaad meer weg van een 'journalistieke dorpsgek', die, dat moet gezegd, af en toe ook mooie waarheden verkondigt.

In mijn roman speelt hij een bijrolletje. Hij fungeert als schrikbeeld in de angstdromen van de journalist Laurens Kemper, die zijn greep op de werkelijkheid verliest. De spanning tussen zijn persoonlijke emoties en de verwoording van emoties in de media speelt hem parten. Langzamerhand wordt duidelijk dat er nog veel meer aan de hand is, te veel om hier te vertellen. Ik zou er bij wijze van spreken een roman over kunnen schrijven.

Toen Vischjager mij belde, was het even alsof er iemand uit het boek mijn leven instapte, zoals in een tekening van Escher een tekenende hand tegelijkertijd die hand tekent. Omdat de hoofdpersoon in mijn roman soortgelijke vervreemdende ervaringen heeft, verkeerde ik bange seconden lang in het niemandsland tussen werkelijkheid en fantasie. Sommige details, de toon van spreken, ze leken angstig veel op wat ik verzonnen had. “Ik ben toch geen dorpsgek?”, zei Vischjager. “Ik ben journalist, schrijver en pianist. Hoe komt die recensent erbij. Mijn vrouw is er ook erg van geschrokken.”

Wat moest ik antwoorden? Literair Nederland weet het wel. Bij Sonja aan tafel tijdens de uitreiking van de Ako-prijs kwam mijn artikel in Trouw (Letter & Geest, 21 oktober) ter sprake, waarop Arnold Heumakers nu heeft gereageerd. Ik bepleitte daarin als advocaat van de duivel enig mededogen met mensen die in romans worden tentoongestld of van wie allerlei intimiteiten aan de grote klok worden gehangen. Ik signaleerde dat er de laatste jaren steeds meer romans verschijnen waarin niet de verbeelding maar de autobiografische werkelijkheid aan de macht is. Reality fiction noemde ik dat, analoog aan reality television. Ik vergeleek de slachtoffers van beide vormen van privacy-schending. Ik wees op het hachelijk karakter van het onderwerp, want voor je het weet word je als een pleitbezorger van literaire censuur of als een literatuur-barbaar afgeschilderd, wat Heumakers inderdaad doet.

Toch nam ik dat risico omdat ik vind dat schrijvers zich storend gemakkelijk van het leed van hun slachtoffers afmaken. Je hoeft toch niet minachtend je schouders op te halen over de vraag of jouw roman wel de ellende rechtvaardigt die je er mee aanricht in het persoonlijke leven van anderen? En dat is precies wat veel schrijvers doen. Gezien de reacties op mijn artikel, hebben zij vele bondgenoten in het literaire wereldje.

“Wat een droopstoppelige benadering van een roman”, riep Adriaan van Dis vanaf het ziekbed in de uitzending van Sonja. Had ik dat tegen Vischjager moeten zeggen? A.F.Th. van der Heijden deed er nog een schepje bovenop door in de uitzending zijn ooms en tantes te beschimpen die zijn moeder verwijten details uit hun privéleven aan haar schrijvende zoon door te vertellen. “Wie zich daar iets van aantrekt, moet niet gaan schrijven”, zei hij stoer. Had ik dat tegen Vischjager moeten zeggen? “Daar trek ik mij niets van aan, meneer Vischjager, want ik ben schrijver”. De grootmoeder, die centraal staat in het genomineerde boek van Kees van Beijnum, had volgens de auteur nergens last van, maar, dat wist hij zeker, ze las zijn boeken ook niet. Ha, ha. Ander onderwerp graag. Alleen Connie Palmen toonde enig medegevoel met de vrienden en verwanten van schrijvers. Zij won dan ook de prijs.

Haar woorden gingen verloren in het oordeel van de anderen over de kwestie van de slachtoffers: saai, saai, saai. “Ik ben toch geen dorpsgek?”, zei Vischjager. Wat moest ik zeggen? “Wat een saaie opmerking van u”? Volgens Kees Fens in zijn wekelijkse column in de Volkskrant past op het 'gezeur' over autobiografische- en sleutelromans maar één antwoord: “We zijn hier in een andere orde. De literaire. Geen gezeur.” Geldt dat ook voor de slachtoffers? Had ik dat tegen Vischjager moeten zeggen? “Kijk meneer Vischjager, jammer voor u, maar aan deze kant van de lijn heerst even de literaire orde”? Volgens Heumakers had ik moeten zeggen: “Wees er trots op dat je in zo'n mooie roman fungeert”. Laat ik daar dit van zeggen: een polemiek kan ook in niveau dalen.

De heren hebben makkelijk praten. Ik zat ermee. In werkelijkheid heb ik heel laf gereageerd. Ik draaide er om heen. Nee, ik ken u niet. U bent geen dorpsgek, natuurlijk niet. Nou, er zijn inderdaad wel wat uiterlijke overeenkomsten tussen die romanfiguur en u, maar zijn innnerlijk en wat hij zegt en doet, dat heb ik allemaal verzonnen, hoor.

Vischjager klonk gerustgesteld toen hij de hoorn neerlegde. De volgende dag stond in Het Parool een recensie (een iets minder lovende, dus volgens Heumaker kan het boek nu toch een beetje slachtoffers maken?) waarin Vischjager weer met de 'journalistieke dorpsgek' uit mijn roman vergeleken wordt. Ik heb nog niets van hem gehoord nu ik dit schrijf, maar ik maak me zorgen.

Er heeft zich ook een nieuw ethisch dilemma aangediend. Moet ik Vischjager vertellen dat ik dit stuk heb geschreven, waarin zijn privacy geschonden wordt? Ik vind van wel (ik heb dat ook gedaan inmiddels) maar ik vrees dat literair Nederland vindt dat ik me veel te druk maak om de effecten van wat ik schrijf.

“We leven in een harde wereld, al doet een bloeiende klaag- en therapiecultuur haar uiterste best om overal de scherpe kantjes van af te halen. Franke's artikel past daarin”, schrijft Heumakers. Ik zou geen oog hebben voor de weerbaarheid van de literair gekwetsten. En dan volgt een stuitend flauwe passage over het onterven van schrijvende kinderen en het ontzeggen van de bijslaap aan schrijvende echtgenoten. Nou, ik ben weerbaar genoeg en voor de duivel niet bang, maar ik moet er niet aan denken dat een schrijvende vriendin mij herkenbaar portretteert met al mijn zwakheden, tekortkomingen en potsierlijke vrijgewoontes. Als ik pech heb is het ook nog een heel goede schrijfster die mijn gevoel en mijn gedachten genadeloos weet door te prikken in een klassiek boek dat ook mijn kinderen en kindskinderen zullen lezen. Ik zou haar naar de strot vliegen en haar het gebrek aan fantasie met een paar stevige klappen buitengewoon kwalijk nemen. Maar ik zou er het leed dat is geschied, niet mee terug kunnen draaien. Weerloos blijf ik dus met al mijn weerbaarheid.

Heumakers besluit zijn reactie met een even zwak als vilein argument. Een schrijver die zich iets gelegen laat liggen aan de reacties van zijn omgeving, bewijst dat hij over onvoldoende talent beschikt. Het zou me niet verwonderen als hij straks zijn gelijk probeert te halen door mijn roman te bespreken als het produkt van een schrijver zonder talent. Zo gaat dat soms in de harde wereld van de literaire polemiek, waarvan de scherpe kantjes nog niet zijn afgehaald.

Wie niet wil kwetsen moet inderdaad niet gaan schrijven, maar er is een groot verschil tussen het tonen van begrip voor de gevoelens van slachtoffers van de literatuur en het hooghartig en wereldvreemd beschimpen van die gevoelens. Ik zal altijd schrijven wat ik wil en literair nodig acht, ook als het mensen kwetst. Ik zal dat kwetsen wel proberen te vermijden, zeker als het autobiografisch gehalte slechts een fantasieloos en harteloos zwaktebod is. Ik zal altijd schrijven wat ik wil, maar als vrienden, verwanten of anderen zich beklagen, zal ik geen zout op hun wonden strooien door hen saai, bekrompen of burgerlijk te noemen en hun gevoel als 'gezeur' af te doen. Want waarom zou je niet gewoon zeggen: “het spijt me, maar ik wilde deze roman toch schrijven. Het was te belangrijk voor me. Ik snap dat jullie er veel last van hebben, maar daar moest ik bij het schrijven over heen stappen?

Zo kan het ook. Het blijft natuurlijk afwachten wat Petrus ervan vindt aan de hemelpoort, maar hier op aarde kun je als schrijver niet veel anders. Wie niet wil kwetsen, moet inderdaad niet gaan schrijven. Wie niet gekwetst wil wórden moet overigens óók niet gaan schrijven, want de geestelijke mishandelingen die je je dan in risicoloze stukken van literaire critici moet laten welgevallen, liegen er vaak niet om. En er weerbaar op reageren vindt iedereen zwak.

Mijn boeken vinden de góede critici gelukkig altijd mooi. Volgens Heumakers moet dat dus een troost zijn voor Vischjager. Ik vrees dat de Daily Invisible daar anders over denkt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden