Het Nederlandse parlement / Veroordeeld tot stompzinnigheid

Het Nederlandse parlement heeft de laatste tijd veel weg van een duiventil. Dat was al zichtbaar in 2002, en ook in deze verkiezingsronde gaat de uittocht door. Bovendien tekent zich een meerderheid af voor een drastische afslanking van de Kamer. Los daarvan ziet het parlement nauwelijks kans zijn stempel te drukken op belangrijke kwesties. Deze week traden de ministers Donner en Dekker af zonder een kamerdebat af te wachten. Zo brokkelt het gezag van het parlement almaar verder af. Willem Breedveld kan er geen vrede mee hebben.

door Willem Breedveld

De glorie van het parlement ligt in zijn vermogen een herkenbaar debat te voeren over zaken die de samenleving bezighouden. De tragiek is dat het parlement slechts bij vlagen aan die glorie raakt. Meestal wordt het overladen met spot en hoon: van het volk, maar ook wel van regeerders, die hun plannen niet zelden zien stuklopen op het Binnenhof.

Toch blijft het parlement het belangrijkste instrument om vorm te geven aan de ongrijpbare volkswil. Daar kan een regering, daar kunnen opiniepeilingen, daar kan zelfs een sterke man of vrouw niet tegenop.

In november zijn er kamerverkiezingen. Niettemin lijkt niemand geïnteresseerd in het parlement als zodanig. Zoals gebruikelijk is de volle aandacht gericht op het kabinet. Is Jan Peter Balkenende in staat zijn machtsbasis te behouden? In dat geval draait alles gewoon door, met als intrigerende vraag hooguit óf, en zo ja door wie het lastige D66 moet worden vervangen. Ziet Wouter Bos daarentegen kans als grootste partij uit de bus te komen, dan dienen zich legio andere mogelijkheden aan. Dan zou er een paars kabinet kunnen komen, een breed coalitiekabinet van PvdA en CDA en misschien zelfs een linkse meerderheidsregering. Hoe dan ook belooft het een nek-aan-nekrace te worden tussen Bos en Balkenende. Daarmee staat vast dat het in feite om een premiersverkiezing gaat. In dit machtsspel is voor het parlement hooguit een plaats weggelegd als veredeld telraam.

Hoezeer het om het kabinet draait, bleek deze week tot twee keer toe.

De ministers Donner en Dekker trokken hun eigen conclusies uit het rapport over de Schiphol-brand, zonder daarover eerst in de Kamer verantwoording af te leggen of met het parlement in debat te gaan. Dat het zo ging was vanwege de snoeiharde conclusies van het rapport vrijwel onvermijdelijk. Desondanks illustreert de gang van zaken dat het oordeel van de Kamer er in feite niet toe doet.

Dat was op prinsjesdag al niet anders. In de troonrede mat de koningin de beleidsprestaties breed uit. Nederland werkt. Nederland is weer concurrerend. En Nederlanders hebben weer meer te besteden. En dat alles in een betoog waarin geen moment werd verwezen naar een gedachtewisseling met het parlement. Zelfs een bedankje voor zijn hondstrouwe steun kon er niet af. Dat bleef voor de vakbeweging (!) gereserveerd.

Tot mijn verbazing mocht de premier een halfuur later datzelfde verhaal nog een keer vertellen, in ronkender bewoordingen en dit keer vanachter een katheder. Voor het parlement was geen andere rol weggelegd dan eerbiedig luisteren, een beetje te pronken met opvallende hoedjes en na afloop een ’Lang leve de koningin’ aan te heffen.

De volksvertegenwoordiging kwam pas weer aan bod in de reacties na afloop. Maar dat was niet meer dan het bekende gehakketak, dat op dat moment nauwelijks tegenwicht bood aan de met zoveel ceremonieel gewicht gebrachte boodschap.

Het hoort tot de traditie van ons land om het zo te doen. Mij zul je er daarom geen onvertogen woord over horen zeggen. Maar een bijdrage aan het gezag van het parlement kun je het onmogelijk noemen. Dat zou nog gekund hebben als de troonrede een stap was in een proces, waarin voor het parlement nadrukkelijk een belangrijke rol is weggelegd. Daar is evenwel al jaren geen enkele ruimte voor. Regeringsfracties krijgen nauwkeurige instructies wat ze wel en wat ze niet aan kritiek mogen uiten. En met de verkiezingen in zicht hebben ze er dit keer zelfs geen enkel belang bij om een kritische kanttekening te plaatsen bij de fraaie boodschap.

Deze non-existentie van de Kamer wordt nog eens onderstreept doordat het parlement steeds meer de trekken krijgt van een duiventil. In de tumultueuze verkiezingsjaren 2002-2003 vertrokken maar liefst 110 van de 150 kamerleden. En ook in deze verkiezingsronde gaat de uittocht gewoon door.

Dit keer laten ook de kamerleden het afweten die nog een beetje smoel aan het parlement hebben gegeven. De VVD-fractie zal het zonder Jozias van Aartsen en Ayaan Hirsi Ali moeten stellen. En ook Pieter Hofstra, Arno Visser, Annette Nijs en Bibi de Vries houden het voor gezien. Bij het CDA valt de uittocht minder op. Dat komt doordat de fractie de afgelopen jaren geen stap buiten de schaduw van Balkenende heeft gezet. De paar mensen die wél van zich lieten horen, zoals Antoinette Vietsch en Rendert Algra, kwamen op een nagenoeg onverkiesbare plaats. Figuren als Maxime Verhagen en in mindere mate Gerda Verburg en Mirjam Sterk vielen vooral op als flamboyante dienaren van het kabinet. En alle drie hopen ze straks hun opwachting te maken in het nieuwe kabinet.

Het opvallendste is misschien wel dat ook de grootste oppositiepartij niet echt uit de verf is gekomen. De nadruk lag op Wouter Bos en Nebahat Albayrak en Aleid Wolfsen, maar zij voerden een fluwelen oppositie. Zij blijven. Geharde en robuuste sociaal-democraten als Klaas de Vries, Ella Kalsbeek en Adri Duivesteijn vertrekken, of zijn al vertrokken. En over D66 hoeven we het hier nauwelijks te hebben: Bert Bakker en Boris van der Ham zijn de enigen die blijven. Boris Dittrich, Lousewies van der Laan en Ursie Lambrechts houden het voor gezien.

Mij baart zorgen dat dit alles onderdeel is van een zo langzamerhand vast patroon. Het parlement, dat is iets om te proberen. Leuk voor je cv. Maar het uiteindelijke doel is iets anders: een plaatsje in het kabinet, het openbaar bestuur, of een van de vele semi-overheidsorganisaties.

Echt iets wezenlijks willen maken van het ambt van volksvertegenwoordiger trekt weinigen meer. En gek genoeg kan ik ze geen ongelijk geven. Werken in een regeringsfractie is deel uitmaken van de hofhouding van de uitvoerende macht. Dat was in de dagen van Kok al niet anders. Ook toen werden afwijkende opvattingen in de fractie niet geduld, of weggemasseerd. Zo durfde de toenmalige PvdA-fractie het niet aan om in het zicht van de verkiezingen van 2002 de befaamde groep van 26.000 asielzoekers pardon te geven. Dat had toen heel goed gekund. Er was een nieuwe, strenge wet gekomen. Wat was er op dat moment op tegen om mensen die hier al langer dan zes jaar verbleven een verblijfsvergunning te geven? De fractie wilde wel. Er bleek zelfs een meerderheid in de Kamer voor. Maar de exercitie werd vanuit het Torentje afgeblazen, vanwege de vrees voor electorale effecten en andere nare gevolgen. Het resultaat is dat we nog steeds met die groep opgescheept zitten.

Eenzelfde verlamming heeft nu de CDA-fractie in de greep. Nota bene het Eerste-Kamerlid Hannie van Leeuwen moest eraan te pas komen om de scherpste kantjes van de Zorgwet weg te nemen. Deze strijdbaarheid was en is de CDA-fractie niet gegeven. Zo zijn er veel fractieleden die heel goed begrijpen dat er gegronde redenen zijn om ook van ouderen een bijdrage te vragen voor de AOW, hetzij door langer door te werken, hetzij anderszins. Zoals er ook gegronde redenen zijn om iets aan de hypotheekrenteaftek te doen. Maar het Torentje besliste dat je daarmee de verkiezingen niet kunt winnen. Het Torentje houdt liever bevoorrechte groepen de hand boven het hoofd en neemt voor lief dat nieuwkomers op de woningmarkt en jongeren daarvoor een fikse prijs moeten betalen. Het is een opvatting over solidariteit.

Net als onder Kok hebben ook onder Balkenende de kleinere coalitiepartners iets meer de ruimte. Maar erg veel is het niet. En bovendien hebben VVD en D66 er niet altijd even handig gebruik van gemaakt. En ten slotte blijkt de grootste oppositiepartij tamelijk machteloos toe te zien. Het CDA werd onder Paars zelfs uitgelachen. Zo bar is het Wouter Bos niet vergaan, maar diepe indruk maakte hij niet.

Zodoende rust het volle gewicht van het parlement op de schouders van de kleinere fracties. Ik moet zeggen, die doen dat uitzonderlijk goed. Ik verwijs slechts naar André Rouvoet, Femke Halsema en Jan Marijnissen. Zelfs Bas van der Vlies van de SGP is een mammoet vergeleken bij Maxime Verhagen.

Kennelijk is dit alles meer dan de macht kan verdragen. PvdA en VVD hebben daarom in hun verkiezingsprogramma opgenomen dat het parlement terug moet naar honderd leden. Met als onherroepelijk gevolg dat we veel authentieke parlementariërs (denk ook aan Wilders, of Eerdmans) kwijt zullen raken en het resterende parlement onherroepelijk veroordeeld lijkt tot stompzinnigheid.

Hoe dit te doorbreken? Zes jaar geleden heb ik me die vraag ook al eens gesteld, in het boekje ’Tegenmacht gevraagd’, dat diende om in De Balie een debat over dit onderwerp uit te lokken. Daarin baseerde ik me op het aloude uitgangspunt dat in een democratie de machtsvorming het resultaat hoort te zijn van deliberatie. Het draait om een vrije uitwisseling van meningen tussen burgers over zaken die hen allemaal raken en die dus in ieders belang zijn. Omdat het lastig is zo’n debat met miljoenen mensen te voeren, werd die taak van oudsher opgedragen aan volksvertegenwoordigers, die namens burgers dat debat voeren. Tegelijk geldt de afspraak dat het geen vrijblijvend debat is. Uiteindelijk geeft de wil van de meerderheid de doorslag, vanzelfsprekend met inachtneming van de onvervreemdbare rechten van burgers en minderheden. En, niet onbelangrijk, er zijn telkens weer nieuwe verkiezingen.

Deliberatie is niet de makkelijkste regeringsvorm. Niet zelden voelen regeerders zich gefnuikt in hun dadendrang, of worden ze beslopen door het onbehaaglijke gevoel dat zij het beter weten dan het parlement. Daarom zijn er in iedere democratie telkens weer pogingen ondernomen dit bolwerk van deliberatie uit te schakelen, te misleiden, te omzeilen of te overbluffen.

In het naoorlogse Nederland lukte dat de regerende elite met de introductie van het regeerakkoord. Zo’n akkoord paste vroeger op de achterkant van een sigarendoos. In de jaren tachtig groeide het uit tot een boekwerk, waarmee de complete regeringscoalitie zich aan de ketting liet leggen. Dat gebeurde allemaal met de beste bedoelingen en zelfs met medewerking van het parlement. Het doel was de regeerkracht te vergroten en onaangename verrassingen uit te sluiten. Maar het uiteindelijke resultaat was toch dat de meerderheid in het parlement geen kant meer op kon.

Het bleek ook de doodssteek voor de deliberatie. Het gaf journalisten en kiezers het idee dat kamerdebatten voorgekookte producten zijn, waar kraak noch smaak aan te beleven valt. Een enkele keer is het spannend, dan gaat het ergens over. Voor het overige moeten de media het hebben van de relletjes, de conflicten en het gehakketak, waarmee het parlement zichzelf alleen maar verder in diskrediet brengt.

Ik vond en vind dat geen goede ontwikkeling. Het vervreemdt burgers van de politiek. Vandaar mijn pleidooi voor een revitalisering van het parlement tot een tegenmacht waaraan de regering zich kan scherpen, zodat zij zich in haar beleidsdaden gelegitimeerd weet en sterk staat tegenover de kiezer. Lukt dat niet, schreef ik destijds, dan bestaat het gevaar dat de burger zich op duistere krachten oriënteert, zijn heil gaat zoeken buiten de gevestigde orde.

Niemand kon toen vermoeden dat Pim Fortuyn kort daarna een revolte zou ontketenen in de ogenschijnlijk zo rustige paarse polder. Ook ik niet. Niettemin is het wel gebeurd en je zou zeggen dat de gevestigde orde daar inmiddels toch iets van moet hebben geleerd. Het tegendeel is het geval. De grootste regeringsfractie van nu gedraagt zich niet anders dan de grootste regeringsfractie van toen. Het enige verschil is dat Balkenende nu het geluk heeft aan het begin te staan van een economische hausse. Onder Kok ging de economie na de ict-boom juist neerwaarts. Bovendien is de kans gering dat zich een tweede Fortuyn aandient. Rita Verdonk zit nog keurig in de VVD, al weet niemand hoe lang dat nog duurt. Maar de losse opmerking van Donner over de sjaria bewijst dat de stemming in het land nog altijd explosief is. De noodzaak voor het parlement om zich los te rukken uit zijn vrijwillige stompzinnigheid is daarom nog onverkort aanwezig.

Waarom gebeurt dat niet? Waarom onderwerpen regeringsfracties zich telkens weer aan coalitiedwang en vertonen zij het lakeiengedrag dat bij journalisten en kiezers zo’n aversie oproept?

Veruit het makkelijkst is het om journalisten de schuld te geven. Ten dele is het nog waar ook, wij zijn gefocust op conflicten, op relletjes. We zijn ook gek op incidenten, en we vinden het knap vermoeiend ons werkelijk te verdiepen in de merites van publieke zaken, wetten en beleidsnota’s.

Toch is dit slechts een deel van de verklaring. Uiteindelijk slaat elk verwijt aan de journalistiek ook terug op politici. Die reageren op stukken die ze nog niet gelezen hebben, stellen vragen waarop ze zelf het antwoord weten, jongleren met conflicten om aandacht te trekken, of poken met loze spoeddebatten de waan van de dag op.

De kern van de zaak is dat politici en journalisten niet in staat zijn recht te doen aan de uitgangspunt van een deliberatieve democratie. En misschien zijn ze daartoe nooit in staat geweest, hooguit bij vlagen. Het grote verschil met vroeger is dat het nu meer opvalt. Niet alleen doordat er oneindig veel meer journalisten in Den Haag rondlopen, maar ook doordat dankzij de elektronica de zichtbaarheid oneindig is vergroot. Ambtenaren waren een mensensoort die je vroeger nooit zag of sprak. Nu roeren ze zich in de wandelgangen, en flitsen hun nota’s, kanttekeningen, rapporten naar alle uithoeken van het land.

Maar het grootste verschil is wel, om met de Belgische politicoloog Mark Elchardus te spreken, dat we dankzij het elektronisch geweld in een ’symbolische samenleving’ terecht zijn gekomen. Voorheen leefden we in een wereld van zorgvuldige rapporten, producten van de bureaucratie, in de wereld van het gedrukte woord. Nu is die overvleugeld geraakt door de snelle beeldvorming, de emotie en het gesproken woord. We zijn volgens Elchardus terechtgekomen in een ’dramademocratie’. In de huiskamer rollen indringende beelden binnen, bijvoorbeeld van actiegroepen die het op een rubbervlotje met ware doodsverachting opnemen voor schatten van zeehondjes. Vervolgens zien we hoe een muisgrijze volksvertegenwoordiger in een saaie wandelgang daar commentaar op levert. Daar valt niet tegen op te boksen.

Met Elchardus geef ik toe dat in de symbolische samenleving krachten zijn losgekomen die zich langs de weg van deliberatie moeilijk laten beteugelen. Ik begrijp daarom wel dat eerst Kok en later Balkenende hun kracht hebben gezocht in een stevig coalitiemonisme en het scheppen van een hofhouding, ook al brachten ze daarmee het parlement aan de rand van stompzinnigheid. Maar ik heb er geen vrede mee.

De symbolische samenleving laat zich uiteindelijk niet ringeloren door een hofhouding. Die wil drama. Iemand als Pim Fortuyn zocht dat op, en met succes. Hij liet zien dat zo’n samenleving haar vorm zoekt in het populistische plebisciet. Gewoon een helder en kloek programma voorleggen, opgesteld door een paar stevige lieden zonder inmenging van een politieke partij, want dat maakt de zaak alleen maar ingewikkeld. Vervolgens is het zaak daarmee een kiezersmandaat in de wacht te slepen en dan er hard tegenaan, niet gehinderd door deliberatie of bureaucratie. Een beetje zoals Marco Pastors in navolging van Pim Fortuyn in praktijk probeert te brengen.

Het is niet mijn oplossing. Ik zie nog altijd geen alternatief voor de vertegenwoordigende democratie. Maar daarvoor hebben we wel een parlement nodig dat zich niet uitlevert aan een regeerakkoord en zich evenmin laat veroordelen tot stompzinnigheid. Wees een tegenmacht die tot echte deliberatie in staat is. Neem van mij aan dat een goed debat in het parlement nog altijd het beste middel is om volwassen burgers te laten participeren in de democratie. Burgers hebben er soms zelfs hun nachtrust voor over om daar getuige van te zijn.

Willem Breedveld is commentator-columnist van Trouw.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden