Het 'N'-woord

Lawrence Hills 'Het negerboek' veroorzaakt tumult, in de VS en in Nederland. Schrijver Amal Chatterjee legt uit waarom het 'N-woord' zo fout is dat je het niet in de mond zou mogen nemen. En waarom 'Het negerboek' tóch zo moet heten.

Het verbranden van boeken is een slecht idee. Tonen van respect daarentegen is goed. Ik heb gemerkt dat Nederlanders nogal gespitst zijn op het voorkomen van het eerste, maar niet zo goed zijn in het laatste.

Boeken zijn gemaakt van woorden. Een daarvan is het woord 'neger' en dat heeft, om het voorzichtig te zeggen, onlangs enige opwinding veroorzaakt. Toegegeven: zulke termen, en al helemaal het woord zelf, gebruik ik nooit om mijn buurman mee te omschrijven, of een kennis. Sterker nog: het is het type woord dat ik nooit gebruik om wie dan ook mee te omschrijven, want ik kan het begrip niet in hun gezicht uitspreken. Stel je voor: ik zou Obama zo aanspreken. Of Nelson Mandela, Mohammed Ali. Stel je eens voor dat ik je zoon, je dochter, je vader of moeder zo zou aanspreken - dan zou je toch niet voor jezelf instaan?

Daarom vragen de boekverbranders zich af waarom het woord überhaupt voor iemand aanvaardbaar zou kunnen zijn. Ze steigeren omdat de titel van het boek van Lawrence Hill, 'Het Negerboek', hen tegen de borst stuit - het N-woord is kwetsend en beledigend.

Ik voeg eraan toe: die term zelf is niet eens inheems, het Engels en het Nederlands hebben hem geleend om een ras te beschrijven in een tijd dat ras nog allesbepalend was. Daarom geef ik Roy Groenberg, voorzitter van de Stichting Eer en Herstel, groot gelijk als hij stelt dat het woord tegenwoordig helemaal niet meer in zwang zou mogen zijn zijn. Want wat men er ook over mag beweren, het is en blijft een geïsoleerd begrip.

Een evenknie van 'neger' is er wel: het is de aanduiding voor Europeanen als honky, 'bleekscheet'.

Toen het rumoer over het verschijnen van Lawrence Hills roman 'Het negerboek' dit voorjaar wat bedaard was, heb ik het gewraakte begrip op een paar Amerikanen ('witte' Amerikanen) uitgeprobeerd. Ze reageerden overdonderd - het zou nooit bij hen opgekomen zijn om zo'n term in de mond te nemen. Zomin als ze het in hun hoofd zouden halen om 'neger' te zeggen, of verwante woorden die nog kwetsender overkomen. Toen ik mijn 'bleekscheet' uitprobeerde, herinnerde een van mijn slachtoffers me er lachend aan dat er in het Engels nog een aanduiding was voor zijn soort mensen: cracker ('beschuit').

Precies, dacht ik, en Nederlanders zou je dan 'kaaskoppen' noemen, een vrij grappige kenschets. Toch zou ik geen Nederlander zo omschrijven, ook niet achter zijn rug om, laat staan hem direct aanspreken als 'kaaskop'.

Omdat het de beschrijving van iets uiterlijks is, zoals 'geldlener met een haakneus', of 'swastika'. Geen mens in dit deel van de wereld - tenminste: geen weldenkend mens - bedient zich van dergelijke karikaturen, want niemand ontkomt aan de verwijzingen die erin zitten. Natuurlijk, de swastika is een antiek Indiaas symbool dat al heel lang werd gebruikt tot het misbruikt werd. Maar dat betekent niet dat ik het nu gedachteloos kan inzetten.

Dat geldt ook voor blackface, een Zwarte Piet-achtige schminkpartij die populair was in theaters in de Verenigde Staten en Engeland tot in de jaren zestig. Het komt nog steeds voor. Ik vind het niet fraai - niet grappiger, schattiger of minder belast dan de geldverstrekkers met hun grote neus. Daarom stuurt niemand een ansichtkaart met Zwarte Piet erop naar de Amerikaanse president. En daarom komen we op tegen grove, antisemitische karikaturen. Want ze leggen bloot hoe ze over bepaalde mensen denken, zelfs als ze tegenwerpen dat er 'zelfs onder mijn beste vrienden' zulke mensen zitten.

Zelfs als dat zo is, rechtvaardigt dat nog niet elk taalgebruik of iedere uiting. Want, laten we eerlijk zijn: woorden hebben een geschiedenis, net als ideeën. De mensen die bezwaren tegen de term 'neger' en 'Zwarte Piet' afserveren als 'overgevoeligheid' of 'knettergekke politieke correctheid', omarmen doorgaans de erfenis van de geschiedenis, die ze graag recht doen of zelfs uitdragen. Zo geven ze graag tradities door, zoals 'democratie', 'vrijheid van meningsuiting' en 'verdraagzaamheid' - allemaal termen die gedachten uitdrukken uit hun eigen geschiedenis. Maar 'neger' en 'Zwarte Piet' (en waar dat voor staat) zijn ook begrippen die hoe dan ook zijn geërfd.

Mensen die antisemitische prenten rekenen tot de gewone beeldcultuur, grijpen daardoor terug op een akelig verleden, zo ze al geen onprettige toekomst op het oog hebben. Daar zijn we het over eens. Het punt is dat ze anderen als ongelijkwaardig beschouwen. Als je je niet kunt losmaken van een terminologie die herinnert aan een duister, akelig verleden, die generaliseert en het individu ontkent, dan beschouw je anderen nu eenmaal niet als je gelijke.

Maar, kun je dan tegenwerpen: Met dat verleden heb ik toch niets te maken gehad?

En dat is nou precies waar het om draait: omdat je daar niets mee van doen had, moet je ook de taal niet gebruiken van wie dat wél hadden. Door hun taal over te nemen, erf je hun manier van denken - zoals je dat ook doet als je het over 'verdraagzaamheid' of 'democratie' hebt: dan aanvaard je de nalatenschap van dat deel van de geschiedenis.

Ja, onze geschiedenis bepaalt wat we 'goed' vinden, wat 'democratie' is en 'vrijheid van meningsuiting'. Maar diezelfde geschiedenis brengt ook het minder mooie met zich mee. Alleen als we ons dat realiseren, kunnen we verder.

Dat de Verenigde Staten erkenden dat gelijkheid alleen op papier bestond, dat er regels moesten worden veranderd, dat taal niet in het luchtledige bestaat, dat de beeldcultuur moest veranderen om in het denken in te grijpen, dat alles maakte dat die verandering er ook gekomen is.

De meeste stemmers op Obama waren blank - geen 'bleekscheten' of hoe je dat electoraat ook wilt afschilderen.

We moeten eerlijk zijn en erkennen dat onze taal een verleden heeft. Ik wijs daarmee niets prachtigs af, maar ik vraag erkenning voor de twee kanten ervan.

Zo was Nederland ooit een machtige, zeevarende natie. Dat had mooie kanten, maar het land gebruikte zijn macht ook voor onderdrukking. Het een ontkracht het ander niet, maar ik zie dat erkenning van die onderdrukking ontbreekt. Nederland was misschien niet het land met de grootste slavenhandel, maar het deed er wel aan mee. Volop.

Mijn thuis, Amsterdam, is minstens voor een deel gebouwd op de winsten die de stad met slavenhandel maakte. En het was in die tijd dat de Nederlandse taal het woord 'neger' opnam. En met dat woord de betekenis die dat toen had.

Nog zo'n befaamd Nederlands begrip: tolerantie. De inhoud ervan kan in die tijd een hele verbetering geweest zijn, maar die werd meteen gedempt door de vooronderstelling ervan: de getolereerden dienden zich gedeisd te houden en hun afwijkende positie niet te propageren. Dat resulteerde in een gesegregeerde samenleving - ik gebruik hier met opzet de term 'apartheid' niet, want die verwijst naar een specifiek systeem van veel later datum - die tot in de jaren zestig standhield; de effecten ervan zijn nog steeds te merken. Zo draait het daarin niet om respect voor minderheden, maar om hun verblijf hier met vergunning. En een vergunning kun je intrekken. Dat is toch iets anders dan gelijkheid voor minderheden; dat verschil bepaalt het politieke debat tot op de huidige dag.

Het kan ook anders. De laatste herdenking van de slavernij stond in het teken van 'Samen het leven vieren'. Dat was een prima motto: het einde van de slavernij vier je door mensen bij elkaar te brengen, te erkennen dat het onrecht is rechtgetrokken en dat mensen zo samen verder kunnen. Dat brengt me op respect. Dat toon je niet alleen door de manier waarop je met anderen praat, maar ook in hoe je over hen praat. Een man die 'sletje', 'kreng' en 'hoer' adequate etiketten voor vrouwen vindt, respecteert haar niet. Als hij achting voor zijn moeder heeft, zou hij haar nooit zo noemen, zelfs niet als hij andere vrouwen wel zo kwalificeert. Het is zonneklaar dat het aanvaarden van dergelijke taal of beelden met een kwalijke geschiedenis of betekenis, getuigen van een zekere denkwijze. Ik mag het als niet-Amerikaan zeggen: bleekscheet en kaaskop zijn niet echt kwetsende termen, maar die stelling is wel oppervlakkig en vertekenend. Want deze woorden bestaan bij gratie van hun geschiedenis. Je daarvan losmaken is even onmogelijk als de Nederlandse identiteit loszien van de Nederlandse geschiedenis. Net als identiteit gevormd wordt de historie, zijn ook woorden als 'respect' en 'gemeenschap' scheppingen van diezelfde geschiedenis.

Zo kom ik eindelijk uit bij de titel van de roman 'The Book of Negroes', en bij de woorden waaruit hij bestaat. Het boek is genoemd naar het gelijknamige document uit de achttiende eeuw, een grootboek waarin alle zwarte opvarenden van een schip waren opgetekend.

De uitgever van Hills boek had er een andere titel aan kunnen geven (in verschillende landen draagt het ook een andere titel), maar zij kozen voor de genoemde: 'Het negerboek' ('Het boek van negers' had ook gekund, maar dat maakt weinig verschil). Het staat er, het N-woord, en het hoort er te staan. Want het boek confronteert zijn lezers met de geschiedenis, vooral met die van de slavernij.

Wie de critici van het boek voor 'overgevoelig' verslijt, moet het zelf maar eens lezen: het is tegelijkertijd verhelderend en schokkend. En wie mocht denken dat de titel kwetsend is, moet het boek óók lezen - om precies dezelfde reden. Boek en titel maken deel uit van het proces van inzicht krijgen in en verwerken van de geschiedenis. Hoe sneller we de goede en de slechte kant ervan onderkennen, des te sneller kunnen we respect voor elkaar tonen.

Het ironische is dat ik tegen boekverbranding ben én dat ik toejuich hoe de boekverbranders hun ideeën de wereld in hebben geslingerd.

Het zou prachtig zijn als iedereen mee zou doen aan de herdenking van het eind van de slavernij. Want, om het in morele termen te zeggen: het waren de slavendrijvende landen die schuldig waren, niet de slaven. De afschaffing van de slavernij was geen 'toekennen van rechten', maar het toegeven dat er een grote onrechtvaardigheid was begaan. Zo werd een begin gemaakt aan het rechtzetten daarvan. Zoals ook het stichten van een staat niet het eind ervan is, maar de start.

Mocht het verbranden van boeken daarbij helpen - steek er nog maar een paar in de fik. Al geef ik er de voorkeur aan om zonder boekverbranding vooruit te komen. En ik hoop dat we dat allemaal doen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden