'Het mooiste van alles is toch een doorzichtig roze diamant'

Witte diamanten zijn maar saai en gewoontjes. Na 58 jaar diamanten slijpen heeft Wim Tokkie die wel genoeg gezien. Zijn passie voor gekleurde edelstenen behield hij echter. Over zandzeep, koperen steeltjes en de bond waar het allemaal mee begon: de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond (ANDB).

HELENE BUTIJN

Van de oude ANDB is vandaag weinig over. Aan de bloeiperiode kwam een eind bij het begin van de Tweede Wereldoorlog, toen de bezetter de diamantindustrie leegroofde. Omdat de meerderheid van de diamantbewerkers joods was, waren er in 1945 nauwelijks goede vakmensen over. De produktie werd verplaatst naar het buitenland en in Amsterdam - ooit de diamantstad - zijn nu nauwelijks diamantslijpers meer.

De industriebond FNV, de opvolger van de diamantbewerkersbond, is hen kennelijk ook een beetje vergeten. Wim Tokkie moest zelf om een uitnodiging vragen voor het feest waarmee de FNV onlangs de honderdste verjaardag van de ANDB herdacht. De bijeenkomst in het Vakbondsmuseum in Amsterdam was bedoeld voor kaderleden van de FNV en hun gezinnen, niet zozeer voor de diamantslijpers zelf.

Wim Tokkie is er inmiddels wel aan gewend. De bond is niet meer wat 'ie geweest is. Vroeger liep Tokkie als hij een probleem had even tijdens zijn lunchpauze naar het gebouw van de ANDB. “Ik klopte bij welke bestuurder dan ook op de deur. Dan kon je zó naar binnen stappen. En als er toevallig al iemand bij zo'n man in de kamer was, bleef je er gewoon bij. Je was immers collega's.”

Tokkie mist het directe contact met de vakbondsbestuurders. “Er was helemaal geen onderling verschil, je keek ook niet tegen die mensen op. Ik sprak vaak gewoon met Henri Polak (oprichter en jarenlang voorzitter van de bond, red.). Ben nog bij hem thuis geweest. Hij wordt nu zo verafgood door iedereen, maar Polak was een heel gewone man. Je kon hem waarderen om wat hij dééd, maar verder was hij gelijk aan de rest.”

De ANDB-bestuurders van het eerste uur waren zelf ook werkzaam in de diamantindustrie. Polak begon eind vorige eeuw als diamantsnijder. Wim Tokkie werd op z'n veertiende leerling-slijper. Dat was in 1936, midden in de crisistijd. “Ik weet nog dat ik de fabriekshal in het begin ontzettend vond stinken. Om 'het ruw' te bewerken, gebruikten slijpers diamantstof, want geen enkel materiaal is sterker dan diamant zelf. Ze mengden het poeder met olijfolie. Tijdens het slijpen ontstond wrijving en werd de olie heet. Die lucht van verbrande olijfolie haatte ik. Later vond ik dat juist de heerlijkste lucht die je kunt bedenken.”

Zijn eerste twee weken als leerling mocht Tokkie niets doen. “Je moest eerst goed leren kijken en de afstand tussen je loupe en het diamantje waar je mee bezig bent, schatten.” Tokkie haalt een kleine loep tevoorschijn die hij altijd aan een kettinkje bij zich draagt. Mèt zijn zegelring, waarin twee kleine diamantjes verwerkt zijn, is dat alles waaraan hij nog als diamantslijper te herkennen is.

Vroeger was dat duidelijker te zien. “Ik werd altijd ontzettend smerig van het werk. Eigenlijk kon ik me alleen schoonboenen met speciale zeep van de fabriek, waarin zand was verwerkt. Maar echt schoon werd je nooit. Het diamantpoeder gaat in je poriën zitten.” Aan een modern elektrisch scheerapparaat had Tokkie dan ook niet veel. De mesjes waren veel te teer en liepen stuk op het diamantpoeder in zijn huid. Het eerste half jaar werkte Tokkie 45 uur per week. Diamantbewerkers werden naar hun produktie uitbetaald, maar leerlingen kregen bijna niets. “Als protégé verdiende ik één gulden per week. Daar moest ik onder meer mijn rentezegeltje van zestig cent en mijn gereedschap, vijf stuks, van betalen. Dat kostte 36 gulden, waarvan je de helft ineens moest betalen, en de rest met een gulden per week moest aflossen. En ik kréég dus maar één gulden in de week. Mijn ouders moesten flink op mijn opleiding toeleggen.”

Toen Tokkie na drie jaar voor zijn eindexamen slaagde, kreeg hij een forse salarisverhoging. De gemiddelde werkloze, die vrouw en kinderen moest onderhouden, kreeg toen ongeveer elf gulden per week steun. Als 17-jarige verdiende Tokkie maar liefst 24 gulden. “Dat was echt een achterlijk hoog inkomen. En wat ik daar mee deed? Als ik thuis kwam zette ik de kat van de stoel en ging ik even lekker zitten. Het geld gaf ik aan mijn moeder.”

Het is volgens Tokkie een fabeltje dat alle diamantbewerkers rijk waren. Een werkgever kon zijn slijpers op elk willekeurig moment ontslaan. De aanvoer van ruwe diamant stagneerde regelmatig, en dan was vrijwel iedereen in de branche werkloos. De crisis kwam daar nog eens overheen. “Dan stonden we weer met z'n allen op de stoep van het vakbondsgebouw. We praatten wat met elkaar, zo van 'die werkt weer', 'oh ja, waar?'. Als je dan hoorde bij welke baas misschien weer plek was, ging je daar als de bliksem heen. Maar vaak lukte dat niet. Dan ging je 's middags maar wat dammen of schaken in de Handwerkers-vriendenkring, waar nu bioscoop Kriterion zit.”

De diamantslijpers wisselden snel van werkgever. Soms, als ze het zich konden permitteren, huurden ze zelf een aantal diamantslijpersplaatsen in de fabriek. Maar de kortstondige rijkdom maakte meestal weer snel plaats voor armoede. Juist dan waren de onderlingen contacten belangrijk. “Op een dag riep een collega al vanuit de verte: 'Merapi werkt!'. En iedereen vroeg natuurlijk meteen bij wie. Nou, dat kon 'ie niet zeggen, want de Merapi is een vulkaan op Java. Zo sloegen we ons met een beetje humor door moeilijke tijden heen.”

Over de oorlog wil Tokkie niet praten. Hij zat ondergedoken in Amsterdam, meer wil hij er niet over kwijt. Maar met verhalen over een scheiding tussen joodse en christelijke werknemers binnen de ANDB, moet je bij hem niet aankomen. “Ik weet niet hoe ze daaraan komen. Al die jaren dat ik diamantslijper ben, heb ik niets van zo'n tegenstelling gemerkt. Binnen de ANDB ben ik, zelf joods, nooit antisemitisme tegen gekomen. Nooit vóór, nooit tijdens en nooit na de oorlog.” Tot 1937 bestond wel een scheiding tussen de weekendploegen, maar dat was volgens Tokkie puur uit praktische overwegingen. De christenen werkten nou eenmaal liever op zaterdag en de joden op zondag.

De ANDB was in 1937 de eerste vakbond die zorgde voor wat nu arbeidstijdverkorting heet. Vanaf die tijd werkte niemand meer in het weekeinde. Op die manier ontstond werkgelegenheid. Destijds een zeer vooruitstrevende gedachte. De bond had bovendien aandacht voor de sociale omstandigheden van de diamantbewerkers en hun gezinnen. In een eigen gebouw maakte de ANDB zandzeep waarmee de slijpers zich konden schoon schuren. Vieze overalls werden in dezelfde fabriek gewassen. Het diamantstof dat uit de werkkleding werd gespoeld, gebruikten de slijpers opnieuw. Ook kapot gereedschap kreeg vaak een nieuwe bestemming. Zo ontstond het 'Koperen stelen-fonds'.

Tokkie “We gebruikten een instrumentje waarmee je de hoek waaronder je een diamant slijpt, vastzet. De diamantslijpers kregen dat gereedschapje van hun baas. Nu gebeurde het geregeld dat het koperen steeltje brak. De slijpers verzamelden die steeltjes en lieten ze omsmelten. Van het geld dat ze voor het koper kregen, gingen ze drinken.”

De ANDB stelde voor de opbrengst niet meer aan alcohol te besteden, maar aan sociale projecten. Zo ontstond het 'Koperen stelen fonds'. “Kinderen die goed konden leren, konden zo een opleiding krijgen. Eentje is zelfs meester in de rechten geworden. Ook de opleiding van de destijds beroemde violist Jo Juda werd uit het fonds betaald.”

Tokkie had aan zo'n opleiding geen behoefte. Hij voelde zich prima in het diamantvak thuis. Toen in de jaren zestig het slijperswerk naar 'lage lonen landen' ging, besloot hij zelfstandig te gaan werken. Hij maakte industrie-diamanten. Uitnodigingen om mensen in Indonesië en Afrika de kneepjes van het diamantvak bij te brengen sloeg Tokkie meestal af. “Dan moest ik daar drie of vijf jaar blijven. Zonder vrouw of kinderen en weg uit Amsterdam, dat was niks voor mij. Ik ben alleen twee weken naar Afrika geweest, om voor iemand 'ruw' in te kopen.” De eigen zaak is nu verleden tijd. Zijn kinderen hebben een heel ander vak.

De diamantslijper, inmiddels 72 jaar oud, houdt regelmatig lezingen voor allerlei verenigingen. Elke woensdag demonstreert hij zijn vakmanschap in een diamantslijperij in een Amsterdams steegje. Voor toeristen, want dat is alles dat nog over is van de eens zo bloeiende diamantindustrie in Amsterdam.

Toeristen willen meestal witte diamanten, maar voor Tokkie zijn die maar gewoontjes en saai geworden. “Ze zeggen wel eens dat witte diamanten eruit zien als water. Maar ik heb ze al zo vaak door mijn vingers gehad. Ooit kreeg ik een heel zeldzame diamant in handen, geel en ondoorzichtig. Die leek wel van advocaat, heel bijzonder. Maar het mooiste is toch een doorzichtig roze diamant. Als je daar doorheen kijkt, is het net rode wijn. Het fonkelt en leeft, pràchtig.”

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden