Het mooiste schilderij / Het boerenbestaan als ideaal

Wat is er nu eigenlijk typerend voor de Nederlandse schilderkunst? Misschien wel het feit dat het interieur, het Hollandse binnenhuis, er al vroeg een rol in speelde. Toch wogen heimwee naar en de compassie met het landleven lang zwaarder.

Enkele jaren geleden werd in het Prado in Madrid een mooie tentoonstelling gehouden onder de titel ’Vermeer en het Hollandse interieur’. Voor het publiek was de expositie een echte eye-opener. Niet omdat het Johannes Vermeer betrof – deze schilder is ook over de Nederlandse grenzen al lang een trekker van jewelste.

Het bijzondere karakter van de expositie zat in de meerwaarde die Vermeer was gegeven. Voor veel Nederlandse kunstliefhebbers is de Delftse schilder een op zichzelf staand fenomeen. Maar de Spaanse bezoekers konden kennisnemen van Vermeer als vernieuwer van een schilderstijl, die voor niets minder dan een eigen Hollandse identiteit heeft gezorgd.

Het Hollandse interieur werd het eerste voorbeeld van een stijl- en onderwerpvernieuwing in de zelfstandige Republiek der Verenigde Nederlanden. Trots als de Hollanders uit deze afscheidingsstrijd met het katholieke Spanje kwamen, stelden ze hun eigen interieur aan de orde, zo luidde de Spaanse lof.

Interieur staat hier voor ’huis en haard’, de genoeglijkheid van het alledaagse leven in de veilige beschutting van de eigen hofstee, waar evengoed plaats is voor bruiloften, drinkgelagen en schranspartijen (Jan Steen) als voor het lezen van een brief van een intimus (Gerard ter Borch).

In geen ander land hebben destijds zo veel schilders aandacht besteed aan het binnenhuis als in de Hollandse Gouden Eeuw. In Spanje en andere mediterrane landen al helemaal niet, maar ook in vergelijkbare landen als Engeland en Duitsland kregen schilders pas in de 18de en 19de eeuw waardering voor hun eigen leefomstandigheden.

Omdat de Hollandse schilderkunst lange tijd sterk werd beïnvloed door de omringende landen en Italië, kon het interieur hier alleen maar tot een autonoom genre uitgroeien, toen er een samenleving ontstond die zich op burgerlijke waarden beriep. Toen de economie aan het einde van de zeventiende eeuw flink inboette, nam de trots over de burgerlijke samenleving evenredig af.

Typerend is dat de belangstelling voor het interieurstuk ook afnam, zowel bij publiek als schilders.

Met het interieur is het nooit meer goed gekomen. Tijdens de romantiek en de Duitse en Oostenrijkse Biedermeier (negentiende eeuw) stonden overal in Europa de burgerlijke waarden weer centraal – het was de tijd van de revoluties tegen de aristocratie. Maar in Nederland ontstond plotseling weer waardering voor het plattelandsbestaan. Een schilder als Johan Barthold Jongkind wist een grote groep van Franse plein air schilders zo gek te krijgen de stad te verlaten en hun schreden naar onbedorven oorden in Bretagne of Normandië te richten. Alleen Renoir en Toulouse-Lautrec die het interieur als een natuurlijk decor voor hun portretten en variété-scènes beschouwden, bleven aan Parijs de voorkeur geven.

De impressionisten hadden weer invloed op de Hollandse (lees: Haagse) landschapsschilders die in plaats van naar Honfleur of Barbizon naar Nieuwkoop of Laren togen. Het onderwerp verschilde niet veel: in plaats van jagende wolken boven de Seine ging het nu om onweer boven de plassen (Willem Roelofsz) of een dreigende regenbui boven de Gooise heide (Anton Mauve).

In feite werd daarmee een eeuwenoude traditie in ere hersteld. De Nederlandse schilders zijn door alle tijden heen bovenal fervente liefhebbers van het plattelandsleven, het boerenbestaan geweest. Ook Vincent van Gogh herstelde deze Hollandse traditie door de leden van een anonieme boerenfamilie aan de aardappelschotel te zetten.

De invloed van Van Goghs somber starende plattelanders is tot diep in de twintigste eeuw voelbaar gebleven, denk alleen maar aan de Duitse expressionisten rond de Eerste Wereldoorlog en natuurlijk de Rotterdamse expressionist Hendrik Chabot. Van Gogh met zijn compassie voor de laagste klasse in de samenleving heeft in Nederland een enkele evenknie in Jozef Israëls. Die deed de ’Aardappeleters’ in 1902, twaalf jaar na Vincents dood, nog eens dunnetjes over. Niet als een pastiche, maar heel serieus en met hetzelfde soort mededogen.

De traditie van het weergeven van eenvoudige boerenmensen in hun eigen, natuurlijke omgeving is zo oud als de Nederlandse schilderkunst. Het beginpunt daarvan kan in de dertiende eeuw gesitueerd worden. Dan komen meteen schilders van enige naam in zicht: de vermaarde gebroeders Van Limburg illustreerden in opdracht van Franse adel getijdenboeken. Daarin gaven ze de werkzaamheden op het platteland weer, zoals die in een maandelijks ritme plaatshadden. Steeds zie je boeren ploegen en zaaien, de oogst van het veld halen en het land klaarmaken voor de winter Een paar honderd jaar later is het beeld niet anders bij Pieter Bruegel de Oude die de jagers naar huis laat keren en de boeren aan een huwelijksdiner zet. Ook de stamvader van deze uitgebreide schildersdynastie etaleert zijn bewondering voor het plattelandsleven. Anders dan de gebroeders Van Limburg, die je eerder koele observatoren zou kunnen noemen, is Bruegel emotioneel betrokken bij het plattelandsbestaan. Het zal nog drie eeuwen duren voordat de Romantiek losbarst, maar Bruegel zet nu al deze wereld op een sokkel en roept het boerenbestaan tot levensideaal uit.

In dezelfde tijd komt in Italië het Arcadische landschap in de belangstelling, het gedroomde antieke landschap dus, dat alleen in de klassieke literatuur bestaat. Daarentegen zie je bij de Vlamingen geen visionaire vlucht, maar de werkelijkheid van alledag. Omdat Bruegel in al zijn realisme toch vooral een toeschouwer blijft – hoewel hij graag deel zou uitmaken van de leefwereld om hem heen – kent hij gevoelens van heimwee die zijn wereld in een warme gloed zetten. Bruegel zit vol met mededogen voor de boerenstand. Kijk naar de jagers die met slechts een enkel vosje als buit terugkeren naar hun dorp waar eenieder zich die dag aan ijsgeneugten heeft overgegeven.

Diezelfde combinatie van heimwee en compassie duikt pas een eeuw later weer op. De vroeg gestorven Enkhuizer schilder Paulus Potter biedt ook zo’n lofzang op het boerenbestaan, culminerend in het prachtige Stierenportret. Opvallend is het streven naar volmaaktheid dat hij hier zo graag wil suggereren. De stier wordt door een koe geflankeerd, een schapengezin compleet met lam stoffeert de voorgrond. De boer, die zijn linkerarm liefdevol op een Ruisdael-achtige boomstronk legt, is nog net niet van een echtgenote voorzien. Vanonder de stier kiert een weids perspectief met sappige weidegrond. Rechtsboven krijgt de stier een fladderend tegenwicht in een leeuwerik die – hoe symbolisch! – ook al met een lofzang op het platteland bezig is.

Potter, die een meester was in het weergeven van een beperkt genre, namelijk dat van paarden en runderen, was een tijdgenoot van Jacob van Ruisdael, algemeen beschouwd als de invloedrijkste landschapsschilder in de zeventiende eeuw. Rembrandt daarentegen, die vaak geldt als de grootste Nederlandse schilder van de zeventiende eeuw, heeft zich niet met landschappen beziggehouden.

Ruisdael is de eerste schilder bij wie de boer uit het landschap verdwijnt. Ondanks zijn grote productie aan landschappen (zijn oeuvre wordt op rond de achthonderd werken geschat) besteedt hij weinig aandacht aan de bewoners van het platteland. Zelfs op de geestgronden achter de Noordzeekust, waar hij de bleekvelden schildert, brengt hij nagenoeg geen mensen in beeld.

Pas twee eeuwen later duikt de boer weer op in landschapsschilderijen. Maar hij is dan nog steeds geen geliefd thema: Millet krijgt slechts hoon voor zijn keuterboertjes die bij het horen van het angelus op de akker neerknielen voor hun gebed. Om over de twintigste eeuw maar te zwijgen: geen schilder van enig niveau (Chabot en de Groninger Ploegschilders uitgezonderd) waagt zich nog aan de bewieroking van de landsman.

Opvallend gegeven: dit verlies van getoonde compassie loopt synchroon met het verlies aan eigen identiteit. Vanaf het vertrek van de vele Nederlandse schilders naar Parijs ontstaat in de Nederlandse schilderkunst een hang naar een internationale stijl die ervoor zorgt dat voortaan alle schilderkunst overal is in te wisselen.

Kijk voor alle details over de verkiezing op www.hetmooisteschilderijvannederland.nl . Daar kunt u ook meedoen aan de verkiezing door te reageren en zelf schilderijen te nomineren. Schrijven kan ook naar mooisteschilderij@trouw.nl. Of per post: Trouw lezersservice tav mooiste schilderij, Antwoordnummer 2792, 1000 PA Amsterdam.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden