’Het mooie is lelijk, het lelijke mooi!’

Wat is dat eigenlijk: lelijk? Die vraag dreigt kopje onder te gaan in de vloed aan prachtig-lelijke illustraties en citaten die de Italiaanse semioticus Umberto Eco over ons heen giet in zijn nieuwe, aantrekkelijk ogende boek.

Umberto Eco: De geschiedenis van de lelijkheid. Uit het Italiaans vertaald door Yond Boeke en Patty Krone. Bert Bakker, Amsterdam. ISBN 9789035131965; 451 blz. euro 35

Geheel in lijn met de voor hem zo typerende hang naar systematiek en volledigheid stelde Umberto Eco na de ’Geschiedenis van de schoonheid’ nu een ’Geschiedenis van de lelijkheid’ samen. Maar terwijl er over schoonheid sinds de Oudheid een overvloed aan theoretische teksten voorhanden is, zijn er verrassend weinig over lelijkheid geschreven. Pas in 1766 presenteert Lessing met ’Laocoön’ een eerste aanzet tot een esthetiek van de lelijkheid, een aanzet die snel navolging zal krijgen bij verschillende romantische filosofen en schrijvers. Eerder werd er in de westerse cultuur nauwelijks systematisch nagedacht over de categorie van de lelijkheid.

Toch was het voor Eco geen optie om de talrijke poëtica’s en verhandelingen over de schoonheid eenvoudigweg a contrario te interpreteren om zo de lelijkheid duidelijk in beeld te krijgen: de ogenschijnlijk complementaire begrippen schoonheid en lelijkheid blijken dat bij nadere beschouwing niet te zijn. Naast het tegenovergestelde van mooi omvat het begrip lelijk nog heel veel meer, tenminste, als we meegaan in Eco’s voorstellen: ’lelijk’ is voor hem namelijk ook gruwelijk, monsterlijk, gemeen, sadistisch, obsceen, grof, boers, crimineel, smerig, abject, mismaakt, ziek, unheimlich, gotisch, kitsch, decadent etcetera.

Wat wél precies overeenkomt bij een vergelijking van schoonheid en lelijkheid is de doorslaggevende rol van de subjectieve blik: het predikaat lelijkheid, net als dat van schoonheid, hangt in hoge zo niet volledige mate af van het waarnemende subject. Eco citeert in zijn inleiding de heksen uit Macbeth die uitschreeuwen: „Het mooie is lelijk en het lelijke is mooi”.

Bij het lezen en bekijken van de ’Geschiedenis van de lelijkheid’ klinken deze woorden geregeld na, want vaak blijkt de artistieke weergave van lelijkheid naadloos in schoonheid over te kunnen vloeien. Anders gezegd: vaak vormen de schrijvers, dichters en beeldend kunstenaars het lelijke uit de werkelijkheid om tot esthetisch aantrekkelijke kunstwerken. Het is jammer dat deze interessante en problematische paradox in het vervolg van Eco’s studie zo weinig aandacht krijgt: in feite is dit hele fascinerende boek namelijk eerst en vooral een geïllustreerde geschiedenis van de literair-artistieke weergave van lelijkheid, waarbij lelijkheid zoals gezegd zeer ruim wordt opgevat.

Eco’s kennis van de westerse kunst en literatuur is zonder weerga en deze kennis wordt ook in dit boek weer breed geëtaleerd door middel van een schitterende stortvloed van citaten en afbeeldingen. In deze fascinerende stortvloed wordt de lezer aanvankelijk prettig meegesleept. Gaandeweg ontleedt Eco het glibberige onderwerp van de lelijkheid door haar vele verschijningsvormen te categoriseren naar thema en tijdvak. Zijn mes snijdt soepeltjes door reflecties over en afbeeldingen van lelijkheid uit Oudheid, Middeleeuwen, Renaissance, Barok, Romantiek, Decadentisme, Modernisme en Postmodernisme. Daarbij onderscheidt hij steeds meer categorieën en subcategorieën, waaronder het lijden van Christus, martelaars, de dood, de hel, de duivel, wonderen en monsters, mirabilia, de karikatuur, de heks, satanisme, misgeboortes en opengesneden lijken, tot en met industriële lelijkheid, kitsch en camp.

Al lezend rijst de vraag of deze oprekking van het begrip wel helemaal te verdedigen is: van deze uitwaaiering wordt het boek zeker niet minder fraai, maar om eerlijk te zijn, raakt de blik op het hoofdthema zelf nogal eens vertroebeld. In veel gevallen denken/zien we niet meteen lelijkheid bij de door Eco geselecteerde (fragmenten van) kunstwerken. De vele vormen van lelijkheid die Eco ten tonele voert, zouden misschien beter onder een algemenere, meer abstracte noemer kunnen worden geplaatst. Het zijn stuk voor stuk verschijningsvormen van het Vreemde of de Ander, van een afwijking van ethische, fysieke of esthetische normen of idealen, van een bepaalde artistieke onder- of tegenstroming.

Een ander opvallend element in de ’Geschiedenis van de lelijkheid’ is dat deze zich vrijwel uitsluitend beperkt tot de westerse weergave van lelijkheid. In het hele relaas ontbreekt gek genoeg een enigszins uitgewerkte antropologische benadering van het begrip lelijkheid, evenals een poging om de grenzen van de westerse cultuur te overstijgen. In de inleiding wordt kort gewezen op deze noodzakelijke inperking tot de westerse cultuur, maar hoe verhelderend was het juist geweest om meer te vernemen over hoe lelijkheid wordt opgevat, beschreven en afgebeeld in niet-Westerse culturen!

Ook vraagstukken van actuele lelijkheid worden jammer genoeg angstvallig vermeden. Eco’s blik blijft strak gericht op literatuur en beeldende kunst. De lelijkheid van het ’echte’ leven komt zijn boek niet binnen. Een enkel voorbeeld. De media staan bol van verhalen en beelden van de lelijke gevolgen van schoonheidsidealen die in onze tijd grote groepen mensen tiranniseren. Denk aan lelijk makende eetstoornissen als anorexia nervosa, aan een aandoening als ingebeelde lelijkheid, aan ’onnodige’ en niet zelden misvormende chirurgische ingrepen om krampachtig aan een bepaald ideaalbeeld te voldoen.

Deze lacunes doen echter niets af aan de (paradoxale) schoonheid en beeldrijkdom van dit prachtig uitgegeven boek, dat door de soepele vertaling bovendien bijzonder plezierig leest.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden