Het monsterverbond tussen liberaal en conservatief

2003 gaat de geschiedenis in als het jaar dat liberalen en conservatieven in Nederland frontaal in de aanval gingen. Hun gelijktijdige afrekening met de erfenis van links is echter geen gezamenlijke operatie. Liberalisme en conservatisme zijn wezenlijk verschillende politieke filosofieën, eerder tot confrontatie dan coöperatie geneigd.

Op het eerste gezicht is 2003 een normaal parlementair jaar geweest. De oude, ietwat krakende Haagse machinerie draait weer op volle toeren, met het bekende getrouwtrek dat bij een tijd van bezuinigingen hoort. Het tumult rond het optreden van de fortuynisten lijkt alweer jaren achter ons te liggen.

Toch is het pas anderhalf jaar geleden dat Fortuyn werd vermoord en zijn 26 volgelingen de Tweede Kamer opwinding brachten. Inmiddels zal menig Nederlander moeite hebben zich te herinneren waar de afkorting LPF toch voor stond. De oude partijen hebben zich wonderbaarlijk snel hersteld, inclusief de PvdA die een ogenblik vreesde geheel te worden weggevaagd.

Het beeld van de politieke continuïteit is echter bedrieglijk. De omslag in de Nederlandse politiek die Fortuyn op het oog had, is wel degelijk bezig zich te voltrekken. Tal van heilige koeien worden uit de sloot gehaald en kordaat bij de horens gevat: verzorgingsstaat, onderwijsvrijheid en ontwikkelingssamenwerking, om er maar drie te noemen. Rechts heeft het initiatief naar zich toegetrokken en links zit er enigszins bedremmeld bij.

De publieke discussie was dit jaar vele malen geanimeerder dan lange tijd het geval placht te zijn. Weliswaar wordt er minder schreeuwerig over gedebatteerd dan in de tijd van de Fortuyn-revolte, maar stevige standpunten worden met graagte betrokken en op het scherpst van de snede uitgevochten. Zo hoort het in een democratie: zonder voortdurend openlijke confrontaties tussen uiteenlopende politieke voorkeuren raakt Den Haag vervreemd van wat er leeft in het electoraat. Pim Fortuyn heeft laten zien wat daarvan het gevolg kan zijn.

De talrijke ideeën, voornemens en maatregelen die in het afgelopen jaar de politieke discussie beheersten, zijn zo uiteenlopend van aard en strekking dat ze moeilijk op één noemer zijn te verenigen. Proberen we toch in de puntenwolk van initiatieven grote lijnen te ontwaren, dan worden er twee overduidelijk zichtbaar: een liberale en conservatieve tendentie.

Liberaal is in de eerste plaats het beklemtonen van de zelfredzaamheid van de burgers -om een oude VVD-term van stal te halen. Of het nu gaat over de collectieve arbeidsvoorwaarden, WAO of ruimtelijke ordening, steeds opnieuw wordt geredeneerd vanuit het individuele belang en het individuele initiatief.

Daaraan verwant is de acceptatie van ongelijkheid. In voorkomende gevallen is het organiseren van enige tegendruk wenselijk -zie de voorstellen van Tabaksblat- maar voor het overige zijn grote inkomensverschillen geen enkel bezwaar, kan de nivellerende middenschool verdwijnen en zullen nieuwe studenten in de toekomst een verschillend collegegeld betalen.

Vanouds is het derde punt: voortgezette privatisering en bedrijfmatigheid. De ervaringen met de Nederlandse Spoorwegen hebben wel voor enige ontnuchtering gezorgd, maar de privatiseringstrein dendert voort, getuige het streven naar ontbureaucratisering van de zorgsector en de voortgezette pressie op het wetenschappelijk onderwijs zich meer naar de belangen van het bedrijfsleven te voegen. ,Kenniseconomie' is het toverwoord.

Naast het liberale ontvouwde zich in het afgelopen jaren een conservatief programma. Het doet enigszins denken aan het oude 'ethisch reveil' van Dries van Agt maar het is veel ambitieuzer en opdringeriger. Het verklaart overigens dat het vooral de CDA-bewindslieden Balkenende en Donner zijn die zich van het programma hebben meester gemaakt en niet ophouden om de burgers in termen van fatsoen, respect, normen en waarden toe te spreken. Zelfs een satire op de monarchie moest het ontgelden.

Schrillere geluiden met dezelfde strekking zijn afkomstig van een clubje rond de Edmund Burke-Stichting. Hier wordt 'morele hardheid' aanbevolen en een puriteinse levenswandel; lichtvaardige echtscheidingen en het homohuwelijk worden afgekeurd. En wat ook niet gering is: Nederland wordt erop gewezen dat het wortelt in de Grieks-Romeinse en Joods-christelijke beschaving.

Daarmee spoort de harde aanval van de conservatieven op het multiculturele gedachtegoed. De breed gedeelde ongerustheid over de aanwezigheid van honderdduizenden moslims in ons midden wordt naar vermogen uitgebuit. Integratie -bedoeld wordt: assimilatie- is het Gebot der Stunde. De inburgering van vreemdelingen -met name moslims- is afgelopen jaar inderdaad zeer prominent op de politieke agenda gekomen. Islamitisch onderwijs wordt gewantrouwd, moskeepreken gaan door de molen van de staatsveiligheidsdienst, huwelijken van allochtonen met partners uit het moederland vinden afkeuring, hoofddoekjes wekken weerstand en zelfs een hoge minaret bij een gebedenhuis zorgde voor discussie. Het kamerlid Hirsi Ali bestond het moslimkinderen te kapittelen omdat ze God hoger achtten dan de Nederlandse wet.

Aan de basis van deze oordelen ligt de overtuiging dat cultureel relativisme een verwerpelijk idee is. Er bestaan superieure en inferieure culturen en het staat wel vast dat Nederland tot de beste van de eerste categorie behoort: de westerse beschaving. Het is een seculiere vertaling van het oude Kruisvaardersgeloof dat God met ons is en de goddelozen dus geen gelijkwaardige positie innemen.

Het zou goed zijn als alle betrokkenen zich wat beter bewust waren van de fundamentele verschillen tussen de liberale en de conservatieve formule. Helaas wordt een duidelijke keuze nogal eens uit de weg gegaan, met als gevolg hybride beleidsoplossingen, respectievelijk totale verwarring. Zo verkondigt de Burke Stichting allerlei zuiver liberale ideeën over de zelfredzaamheid van het individu die haaks staan op het goed-conservatieve wantrouwen in de mens als moreel wezen. Boeiend is ook het pleidooi voor terugkeer naar de thorbeckiaanse nachtwakerstaat met politie, justitie en defensie als 'kernactiviteiten', een visioen dat door de liberalen zelf al honderd jaar geleden illusoir is bevonden.

Anderszijds wordt van liberale zijde onvoldoende krachtig geprotesteerd tegen zuiver dirigistische voorstellen, zoals de Roterdamse plannen tot gedwongen spreiding van allochtonen over de hele stad en tot het weren van lagere inkomenstrekkers uit de gemeente. Over het dwaze voornemen om probleembuurten op te vrolijken met een portie bewoners met hogere inkomens is het maar beter te zwijgen.

Dergelijke voorstellen geven sterk de indruk dat het maakbaarheidsgeloof van de jaren zeventig niet is verdwenen maar van links naar rechts verhuisd en bovendien van sector is gewisseld.

Toen waren Den Uyl en zijn makkers druk in de weer om het vrije ondernemerschap in te perken, de inkomenspiramide af te vlakken en het onderwijs in dienst te stellen van het gelijkheidsbeginsel. De verzorgingsstaat werd voltooid, het milieu onderwerp van beleid verklaard en de ontwikkelingshulp tot hoeksteen van het linkse programma. Het was de taak van de staat om iedereen gelukkig te maken.

Momenteel wordt driftig getimmerd aan een samenleving die in normen en waarden gelooft, het ideaal van deugdzaamheid in ere heeft hersteld en natuurlijk ook het gezag respecteert. Alle maatschappelijke organistaties worden opgeroepen mee te helpen bij het kweken van oppassende burgers, moreel gediplomeerd, niet rokend, matig drinkend en veilig vrijend. Vreemdelingen krijgen de opdracht zich zo spoedig mogelijk tot echte Nederlanders om te vormen en kunnen bij weigerachtig gedrag met zachte of harde dwang in de goede richting worden gestuurd. Het is de taak van de staat alle mensen beschaafd te maken.

Nu het tegenbeeld. Destijds was alles toegestaan, van hasj roken tot het kraken van woonruimte, en zelfs pedofilie werd als een interessante variant beschouwd. Vreemdelingen waren hartelijk welkom. Ze verruilden hun culturele spectrum en ze moesten vooral in hun specifieke identiteit worden erkend. De staat kon van alles zijn maar nooit een zedenmeester of een betweter.

Vandaag de dag staat vrijheid voor iets heel anders. Het gaat erom vrij baan te maken voor assertieve en innovatieve individuen die begrepen hebben dat op elk terrein van het leven ondernemerschap mogelijk en lonend is. Het is de vrijheid van de markt, het superieure selectiemechanisme dat in principe iedereen de kans biedt de top te bereiken en zijn zakken te vullen. Hier kan de staat volstaan met het scheppen van ruimte.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden