Het misverstand over kerk en staat

LPF-kamerlid Joost Eerdmans en rechtsfilosoof Paul Cliteur hanteren een 'volstrekt onjuiste interpretatie van de scheiding tussen kerk en staat', betoogt historicus Jan Dirk Snel. 'Zij doen alsof die scheiding vanzelfsprekend moet leiden tot verbanning van religie uit het politieke domein. Dat is misleidend. Historisch gezien leidde de scheiding van kerk en staat juist tot een veel grotere invloed van de religie op de politiek.'

Met de scheiding tussen kerk en staat is het merkwaardig gesteld. Met het idee tenminste. Iedereen is ervoor en niemand is ertegen. En toch hoor je van tijd tot tijd politici en commentatoren ernstig betogen dat ze vóór de scheiding van kerk en staat zijn. Dat is vreemd. Waarom zou je zoveel nadruk leggen op iets waar iedereen het al mee eens is?

Het antwoord is eenvoudig: uit onkunde omtrent de betekenis van dit principe. Het misverstand is ontstaan dat de scheiding van kerk en staat betekent dat de invloed van religie moet worden teruggedrongen uit het publieke domein. De historische werkelijkheid is echter omgekeerd. Juist de scheiding van kerk en staat maakte een veel nauwere verbinding tussen religie en politiek mogelijk.

Een blik op de Nederlandse geschiedenis maakt dat duidelijk. Precies een eeuw geleden was Abraham Kuyper minister-president en minister van binnenlandse zaken. Hij was een voormalig hervormd predikant. Precies twee eeuwen geleden was J.H. van der Palm achtereenvolgens agent (minister) voor nationale opvoeding en voorzitter van de raad voor binnenlands bestuur. Ook hij was hervormd predikant geweest. Het optreden van Kuyper en Van der Palm rond 1900 en 1800 is pas mogelijk geworden door de politieke modernisering die aan het eind van de achttiende eeuw beslag kreeg en die men desnoods met de Verlichting in verband mag brengen. Rond 1700 of 1600 was een predikant in de politiek ondenkbaar. De rol van de religie in het publieke leven en in de politiek is in de afgelopen twee eeuwen aanmerkelijk geweest. In de vroegmoderne tijd, onder het oude bewind ten tijde van de Nederlandse Republiek (1572-1795), was die veel geringer. De cesuur werd gevormd door de scheiding van kerk en staat.

Je kunt alleen scheiden wat eerst verenigd was. Hoe zag de relatie tussen kerk en staat er voor de scheiding van 1796 eigenlijk uit? In de meeste Europese staten bestond in die tijd een staatskerk. De kerk van de vorst was ook die van de onderdanen. Zover was het in de Nederlandse Republiek nooit gekomen. De gereformeerde kerk - de voorloper van de huidige Nederlandse Hervormde Kerk - was de bevoorrechte publieke kerk, maar niemand was verplicht zich daar bij te voegen. Sterker nog: die kerk wilde alleen maar leden die zich uit overtuiging meldden. Onbedoeld bevorderde ze daardoor wel de pluraliteit. De heersende regenten hadden liever een nationale, brede kerk voor iedereen gezien - meer tolerantie naar binnen en minder tolerantie naar buiten dus.

In de vroegmoderne tijd waren het de politici die meenden dat een staat één heersende religie nodig had. In de Nederlandse Republiek was dat de 'christelijke, gereformeerde religie'. Men moet dit heel letterlijk lezen: de overheid was van mening dat ze eenvoudig de christelijke religie zonder meer aanhing en wel in de 'ware' hervormde gedaante. De kerk die deze vernieuwde vorm van de christelijke godsdienst uitdroeg, werd door de overheid beschermd en financieel gesteund. Daar stond tegenover dat deze kerk ook in haar macht was. Na de Dordtse synode van 1618-19 werd er geen landelijke kerkvergadering meer toegestaan. Bij vergaderingen van kerkenraden hielden commissarissen-politiek een oogje in het zeil. De band tussen kerk en staat betekende bepaald niet dat de kerk de overheid de les kon lezen. Het was veeleer omgekeerd: de overheid lette er zorgvuldig op dat predikanten niet te kritisch werden. De predikanten van de officiële gereformeerde kerk waren in het algemeen ook aan strengere censuur onderworpen dan bijvoorbeeld doopsgezinde theologen.

In het algemeen stonden in de Republiek politieke ambten alleen open voor wie gereformeerd was. Maar om voor gereformeerd door te gaan, hoefde men geen lidmaat van de officiële kerk te zijn. Wie niet nadrukkelijk doopsgezind of katholiek of iets anders was, werd geacht de gereformeerde religie van de overheid te delen.

Tegen deze achtergrond kan men begrijpen wat de scheiding van kerk en staat op 5 augustus 1796 betekende. Voortaan had de overheid geen specifieke band meer met één bevoorrechte kerk. 'Geen heersende kerk, geen heersende staat', was de leus. Leden van alle kerkgenootschappen - christelijke, maar ook joodse - kwamen nu voor overheidsambten in aanmerking. Alle godsdienstige overtuigingen konden zich nu in het publieke domein doen gelden. Zo kan men ook begrijpen waarom de scheiding van kerk en staat in de loop van de negentiende en twintigste eeuw juist leidde tot een veel grotere invloed van de religie op de politiek. De toenemende vrijheid van meningsuiting, de parlementarisering en de groei naar democratie - die pas in 1922 voltooid werd - betekenden dat alle overtuigingen, dus ook alle godsdienstige overtuigingen, aan het publieke debat mee konden doen.

De scheiding tussen de staat en de ene, gereformeerde kerk betekende overigens niet dat er niet veelvuldige relaties waren tussen de overheid en de kerken. De Grondwet van 1801 bepaalde zelfs in artikel 12: 'Elk hoofd eens Huisgezins, en op zich zelf staand Persoon van beiderlei Kunne mits den ouderdom van veertien jaar bereikt hebbende, doet zich inschryven by een of ander Kerkgenootschap, hetwelk vrywillig kan verlaten worden, om tot een ander over te gaan.' Het is typerend voor de waarde die de verlichte staat aan kerkelijkheid hechtte. Dat bij de volkstelling van 1809 er in heel Nederland maar 295 onkerkelijken geregistreerd werden en in 1899 slechts 2,3 procent niet bij een kerkgenootschap aangesloten was, moet duidelijk aan overheidsbeleid toegeschreven worden. En dat beleid was mogelijk geworden door de scheiding van kerk en staat.

De regering van koning Willem I stelde reglementen op voor de Nederlandse Hervormde Kerk, de Evangelisch-Luthersche Kerk en het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap. Nog tot 1868 bestonden er afzonderlijke ministeries voor hervormde en katholieke eredienst. Tot 1983 bevatte de Grondwet een heel hoofdstuk over de godsdienst. En pas in de jaren tachtig kwam er een eind aan de betaling van predikantstraktementen door de overheid. Nog steeds bestaan er financiële banden tussen de overheid en de kerkgenootschappen.

Het beginsel van de scheiding tussen kerk en staat betekent in de Nederlandse context dan ook slechts dat de overheid alle godsdiensten en levensovertuigingen gelijkelijk behandelt en niet in de eigen sfeer van kerkgenootschappen en levensbeschouwelijke organisaties ingrijpt; zij erkent de eigen autonomie. Het zegt dus op zich niets over relaties die er verder kunnen zijn tussen de staat en kerken en andere organisaties of over de houding van de overheid ten aanzien van religie.

Het is belangrijk dit te benadrukken, omdat de laatste tijd een volstrekt onjuiste interpretatie van de scheiding tussen kerk en staat het publieke vertoog binnensluipt. Het LPF-kamerlid Joost Eerdmans kondigde bijvoorbeeld onlangs aan dat hij in de Tweede Kamer een voorstel wil verdedigen 'om net als in Frankrijk het recht op een seculiere staat in de Grondwet op te nemen'. 'Geen hoofddoekjes in de rechtszaal of in het openbaar onderwijs', is zijn leus. Het staat Eerdmans natuurlijk vrij om dergelijke onverdraagzame voorstellen te lanceren, maar het slaat nergens op als hij ze baseert op 'een absolute scheiding van kerk en staat zoals wij die sinds de Verlichting kennen'. Ook de rechtsfilosoof Paul Cliteur beroept zich voortdurend op het principe van de scheiding van kerk en staat, als hij - bijvoorbeeld tegenover de Amsterdamse burgemeester Cohen - betoogt dat de overheid zich niet met religie moet inlaten en dus met het oog op integratie van nieuwkomers niet met religieuze organisaties in gesprek moet treden. De scheiding van kerk en staat betekent domweg niet dat de staat niets met religie of met kerkgenootschappen te maken heeft. Het is dan ook volstrekt misleidend om zich ter verdediging van bepaalde lievelingsopvattingen te beroepen op dit principe.

De scheiding van kerk en staat zegt alleen iets over de manier waarop de staat en de kerkgenootschappen zich tot elkaar verhouden. Het beginsel zegt niets over de waarden die een staat op een bepaald moment aanhangt.

In Nederland viel de scheiding tussen kerk en staat samen met de erkenning van het goed recht van andere stromingen in het publieke debat. Maar echt nodig is die scheiding daarvoor niet eens. In de EU kennen Engeland, Denemarken en Griekenland geen scheiding tussen kerk en staat. Men kan toch niet zeggen dat het in Engeland een nadeel is om geen lid te zijn van de anglicaanse staatskerk. In Londen is een bobby met een sikh-tulband heel gewoon, terwijl het laïcistische Frankrijk met het recent afgekondigde verbod op hoofddoekjes en keppeltjes in het openbaar onderwijs een obscurantistisch modderfiguur slaat.

Cliteur en Eerdmans stellen ons de Franse laïcité ten voorbeeld, maar het is de vraag wat die precies met de scheiding tussen kerk en staat te maken heeft. Van Dale omschrijft laïcisme als het streven om het openbaar leven geheel aan de invloed van de godsdienst te onttrekken. Op 17 december 2003 hield de Franse president Jacques Chirac een lange toespraak over de laïciteit. Wie die leest, staat verbaasd over de warrigheid van het betoog. Er komen een hoop hooggestemde woorden voorbij over de gezamenlijke waarden van de natie en over het bij elkaar houden van mensen, maar uiteindelijk draait het uit op een banaal verbod van de islamitische hoofddoek, het joodse keppeltje en grote christelijke kruisen. Chirac geeft hoog op van de rechten van vrouwen, maar het recht van islamitische vrouwen om een hoofddoek te dragen schijnt daar om ondoorgrondelijke redenen niet onder te vallen. Men mag aannemen dat joodse mannen in Frankrijk op straat vrijelijk een kippa mogen dragen, maar waarom dat recht ineens vervalt als ze de openbare school binnengaan, dat vergeet hij uit te leggen.

Hoe Chirac zijn verbod op uitingen van levensovertuiging in de publieke ruimte weet te combineren met het 'respect voor alle geloofsovertuigingen' dat ook de Franse grondwet belijdt, is een raadsel. Ook Ephimenco laat na om uit te leggen hoe het verbod op de hoofddoek te rijmen valt met tolerantie en godsdienstvrijheid. Ook al voer je nog zoveel serieuze - en misschien wel terechte - bezwaren tegen de hoofddoek aan, het blijft een simpele inperking van grondrechten.

De verwijzing van Cliteur en Eerdmans naar de Franse laïciteit is ongelukkig. Moslims in Nederland beseffen heel goed dat er hier een scheiding van kerk en staat is. Ze stemmen in het algemeen ook op partijen die dit beginsel aanhalen. Hooguit zal er hier of daar een marginaal groepje zijn dat de scheiding afwijst, maar enige politieke invloed valt daar vooralsnog niet van te verwachten.

De scheiding tussen kerk en staat zegt niets over de geestelijke richting die een staat neemt. Het streven van Cliteur en Eerdmans naar een seculiere, areligieuze staat vertoont sterke overeenkomsten met de theocratische opstelling van de SGP. Ook die partij wil de Nederlandse staat natuurlijk niet koppelen aan één bepaald kerkgenootschap en dus de scheiding van kerk en staat echt niet terugdraaien, maar ze streeft wel naar een staat met een zeer duidelijke signatuur. Het streven van Chirac, Cliteur, Eerdmans - en, naar men moet vrezen, ettelijke hedendaagse LPF'ers en VVD'ers - naar een overheid met een duidelijk omschreven ideologie is een terugval in de vroegmoderne politieke theorie van voor de Verlichting.

Juist de opvatting van vorsten dat een land één religie nodig had, leidde tot interne conflicten en soms tot godsdienstoorlogen. Zo zal ook het huidige streven naar onderdrukking van levensbeschouwelijke uitingen in het publieke domein alleen maar tot maatschappelijke spanningen leiden. Ware neutraliteit betekent niet onderdrukking, maar ruimte bieden aan pluriformiteit. Dat is de consequentie die verstandige politici de afgelopen eeuwen uit het principe van scheiding van kerk en staat getrokken hebben.

Historisch gezien werd de scheiding van kerk en staat doorgevoerd door politici die de godsdienst een warm hart toedroegen. Dat die scheiding in tijden dat het merendeel van de bevolking christelijk was, tot toenemende invloed van de religie op de politiek leidde, lag voor de hand. Dat de scheiding in tijden dat het merendeel van de bevolking weinig met religie heeft, tot secularisering leidt, ligt evenzeer voor de hand.

Maar doen alsof de scheiding tussen kerk en staat vanzelfsprekend moet leiden tot verbanning van religie uit het politieke domein is misleidend. In een open democratie tellen alle argumenten, onzinnige en zinnige, religieuze en antireligieuze. Alle politieke richtingen in Nederland gaan uit van de scheiding van staat en kerk en daarom kan niemand er zich op beroepen voor de fundering van zijn particuliere standpunt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden