Het mes in 'de linkse hobby'

Kunstsubsidies leiden tot elitaire ’subsidie-kunst’, zeggen . Is dat zo? En wat zijn dan de alternatieven?

Seije Slager

Ja, natuurlijk is het logisch om te praten over bezuinigingen op kunstsubsidies, als er ook op de zorg en het onderwijs gekort wordt, zegt Simon Reinink, directeur van het Concertgebouw. Maar hij is bang dat de sector onder het komende kabinet meer dan een ’gewone bezuiniging’ te wachten staat.

Kunstsubsidies zijn tegenwoordig namelijk niet meer de onomstreden manier om kunst voor iedereen toegankelijk te maken. Het zijn ’linkse hobby’s’, volgens Geert Wilders, die ze het liefst helemaal af zou schaffen. In de wandelgangen rondom de formatie circuleert nu een bezuiniging van 220 miljoen euro, ruim één vijfde van het totale budget.

Reinink: „Politici moeten zich goed realiseren wat ze doen. Veel instellingen zitten nu al heel krap, er dreigt een kaalslag. Het is een sector waar relatief weinig geld te halen is, terwijl er maximale schade aangericht kan worden.”

Maarten Asscher, ooit topambtenaar op het ministerie van onderwijs, cultuur en wetenschappen, tegenwoordig directeur van boekhandel Athenaeum, proeft af en toe een klimaat van ’selectief pesten’. Kunstenaars moeten ineens het bestaansrecht van kunstsubsidies verdedigen. „Wat is het bestaansrecht van kunst? Tja, dat is geen verhaal dat je in één smsje vertelt. Dan kun je ook wel vragen wat het bestaansrecht van Nederland is.” En hij mijmert nog even over het bestaansrecht van voetbal, nog zo’n sector die met veel overheidsgeld overeind gehouden wordt.

Aus Greidanus, artistiek leider van Toneelgroep De Appel is alvast aan het bezuinigen geslagen. „Het zijn namelijk niet alleen de landelijke subsidies die onder druk staan. Wij zijn net erg gekort door de gemeente Den Haag.” Terwijl hij wel langlopende verplichtingen heeft. Veel rek zit er niet meer in. Want los van de recettes van de voorstellingen, is Toneelgroep De Appel bijna volledig afhankelijk van subsidie om de begroting rond te krijgen.

Maar is zo’n eenzijdige afhankelijkheid wel een goede zaak? De Rotterdamse hoogleraar culturele economie Arjo Klamer pleit al langer voor meer ondernemerschap in de kunstwereld. Zijn faculteit deed ooit onderzoek naar het effect van subsidie op kunst. Dat is lastig meetbaar. „Maar een algemene conclusie was wel dat kunstenaars die gesubsidieerd worden zich internationaal minder manifesteren. Dat geeft natuurlijk te denken.”

Oftewel, kunstsubsidie leidt tot luie ’subsidiekunst’. Het is een bezwaar dat je vaker hoort. Net als dat subsidies elitaire kunst opleveren, omdat kunstenaars zich, op kosten van de hardwerkende belastingbetaler, niets hoeven aan te trekken van de smaak van diezelfde belastingbetaler. Zit daar wat in?

Theatergroep De Appel verloor in 2002 de subsidie van het Rijk, en vond zichzelf in de jaren daarna opnieuw uit, met gewaagde marathonvoorstellingen die goed in de smaak bleken te vallen bij het publiek. In 2005 kreeg de groep weer subsidie. Greidanus: „Nu zeggen ze wel eens tegen me dat het onze redding was dat onze subsidie gestopt werd. Het lijkt me wat overdreven, maar het is inderdaad waar dat zoiets je creatief kan maken.” Aan de andere kant: het is niet zo dat Toneelgroep De Appel ineens nieuwe inkomsten aan wist te boren. Zo’n marathonvoorstelling komt op eigen kracht nooit uit de kosten. „Je kunt gewoon minder doen met minder subsidie.”

Beeldend kunstenaar Joep van Lieshout is een voorbeeld van een kunstenaar die succesvol onderneemt zonder subsidies. Zijn bedrijf Atelier Van Lieshout draait genoeg omzet om twintig man personeel in dienst te kunnen houden. Vindt hij dat zijn collega’s zich ondernemender op moeten stellen? „Vroeger was ik daar wel voor. Maar het is eigenlijk bullshit. Dan lopen de eikels die het best kunnen marketeeren met het geld weg. Kunst heeft nog nooit op de vrije markt gefunctioneerd. Vroeger nam de kerk de kunst onder de hoede, tegenwoordig de overheid.”

En is hij zelf dan niet het bewijs van het tegendeel? „Ik heb als beginnend kunstenaar heel veel profijt gehad van subsidies. Daardoor heb ik me kunnen ontwikkelen, een lasapparaat kunnen kopen. Anders was ik nu nog ober geweest.”

En kom bij Van Lieshout niet aan met het bezwaar van elitarisme: „De Habsburgse keizer die voor zijn vriendjes privé-opera’s liet opvoeren, dát was elitair.”

Maarten Asscher ziet wel degelijk dat kunstsubsidies soms tot ietwat losgezongen kunst leiden. Al zal hij daar geen sweeping statements over bezigen. De problemen verschillen per sector. „Je kunt er nauwelijks in algemene termen over praten. De Nederlandse Opera maakt prachtige dingen, maar opera is zo duur. Opera zal nooit op eigen kracht uit de kosten komen.”

Maar Asscher ziet ook sectoren waar de subsidies wel erg dominant geworden zijn. „Bijvoorbeeld in de film vallen haast alle schakels van de keten onder een gesubsidieerd regime: niet alleen de opleidingen, het scenarioschrijven en de productie van films, maar ook de distributie, de programmering, de festivals, de filmhuizen, de uitzending, enzovoort. Op het moment dat iedereen alleen nog maar overheidslucht inademt, kun je je afvragen of dat nog wel gezonde lucht is. Dan kan kunstzinnig kunstmatig worden.”

Hij vergelijkt het met de boekenwereld, waar sommige auteurs weliswaar subsidies krijgen, maar het resultaat gewoon in een normale winkel tussen de andere auteurs ligt. In de popwereld is het net andersom: weinig artiesten worden ondersteund, maar ze spelen vaak op gesubsidieerde podia.

Zo’n vermenging heeft volgens Asscher voordelen. „Er studeren ieder jaar weer talloze mensen af van regie-opleidingen. Die willen allemaal hun eigen toneelclubje beginnen en krijgen daar ook allemaal startsubsidie voor. Op het moment dat er dan geen enkel marktmechanisme is om ’daar in te sorteren, wordt het koor van mensen dat ’geen bezuinigingen!’ roept steeds groter, en worden hun argumenten steeds zwakker.”

Maar, werpt Greidanus dan tegen, subsidie is er nou juist om dingen mogelijk te maken die niet op de markt overleven. „Als je wilt dat er een avant-garde is, als je wilt dat er laboratoria zijn waar nieuwe dingen worden uitgeprobeerd, dan moet je dat subsidiëren.”

Dat is Klamer met hem eens. Maar zorg dan ook dat er meer maatwerk in de subsidies komt, zegt hij. „Iedereen wordt nu volgens ongeveer dezelfde systematiek beoordeeld. Maar een instituut als het Concertgebouworkest, dat kun je volgens mij het beste als erfgoed classificeren. En die echte avant-gardekunstenaars, die moeten nu ook nog bewijzen dat ze enig publiek trekken. Dat is dan ook weer raar. Beoordeel die dan zoals je nu wetenschappelijk onderzoek beoordeelt.”

Daarnaast pleit Klamer voor een derde bron van inkomsten, naast subsidies en ondernemerschap: sponsoring, door bedrijven en door rijke particulieren. „Nederlanders willen graag voor een dubbeltje op de eerste rij zitten, maar ik zou het niet gek vinden als rijke Nederlanders zich wat verantwoordelijker zouden voelen voor de kunsten”.

Leuk plan, zegt Greidanus, „maar als kleine toneelgroep krijg je nooit genoeg substantiële weldoeners aan je gebonden. Dat is meer voorbehouden aan de grote instellingen.”

Inderdaad, erkent Reinink, hij heeft goede ervaringen met het werven van sponsors voor het Concertgebouw. „Onze begroting bestaat voor minder dan vijf procent uit subsidie. Al geldt dat dan weer niet voor onze belangrijkste bespelers.” Het Concertgebouw experimenteert ook met grotere verschillen in toegangsprijzen: de goedkoopste kaartjes zijn goedkoper gemaakt, de duurste duurder.

Maar, valt Reinink toch Greidanus bij, „de verwachtingen van sponsoring zijn veel te hoog. Zeker in deze onzekere economische tijden moet je daar niet geheel van afhankelijk willen zijn.”

Voor Asscher is het onderwerp echter een mooie gelegenheid om de bal terug te kaatsen naar de politici die op de kunsten willen bezuinigen. „Dat het in Nederland moeilijk is om genoeg rijke particulieren te interesseren, komt ook doordat de politiek daar nog steeds fiscale barrières tegen opwerpt. En onze politici geven ook geen inspirerend voorbeeld. Waar is de minister-president bij de uitreiking van de P.C. Hooftprijs? Zo blijft de kunst toch een verzameling beesten in een afgesloten kooi, die ook interessant zijn om af en toe naar te kijken. Terwijl de kunsten een onderdeel zouden moeten zijn van de vrije natuur.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden