Het menselijk embryo: klompje cellen of individu?

Is een embryo een ’mens’ wanneer je een eicel en een zaadcel bij elkaar brengt in een reageerbuis? Ja, zeggen tegenstanders van ruimer onderzoek met embryo’s. Nee, vinden voorstanders, en klonen is juist nodig om medische vooruitgang te boeken.

Het kabinet wil niet dat biomedici ruimere mogelijkheden krijgen voor onderzoek met menselijke embryo’s. De Tweede Kamer moet zich nog over de kwestie uitspreken. Vooruitlopend op het debat laat Trouw een voor- en een tegenstander van dit onderzoek aan het woord.

Vooruitgang boeken in vele takken van de geneeskunde

’Wanneer je een spermacel en een eicel bij elkaar in een reageerbuis stopt, roepen mensen van een bepaalde stroming meteen dat er ’een mens’ is ontstaan. Alsof de aanwezigheid van alleen een unieke DNA-code gelijkstaat aan een individu.”

Wim Fibbe, hoogleraar hematologie en stamcelbiologie in het Leids Universitair Medisch Centrum, vindt dat deze ’absolutistische’ benadering van het leven veel te ver gaat. In werkelijkheid, stelt hij, is voor het ontstaan van een individu veel meer nodig dan een DNA-code. Een baarmoeder bijvoorbeeld. En een moeder, en de sociale context van een gezin. Daar komt bij dat tijdens een zwangerschap veel embryo’s sneuvelen. We doen de waarheid kortom geweld aan als we een embryo in een reageerbuis gelijkstellen aan een individu.

Op zich valt er met aanhangers van deze orthodox-christelijke opvatting best te discussiëren over het wetenschappelijk gebruik van embryo’s, vervolgt de hoogleraar. Het probleem is alleen dat de uitkomst al bij voorbaat vastligt.

De ChristenUnie illustreert dit. Deze partij heeft, tegen het advies van de Gezondheidsraad in, in het regeerakkoord laten opnemen dat de mogelijkheden voor onderzoek met embryo’s beperkt moeten blijven. Zo houdt zij volgens Fibbe een bizarre discrepantie in stand. „In Nederland mag je embryo’s tot 22 weken aborteren, maar aan een klompje van een paar cellen kennen we absolute beschermwaardigheid toe. Dat noem ik hypocriet.”

Toch kan ook Fibbe leven met een enkele wettelijke beperking. Het kweken van embryo’s voor onderzoek bijvoorbeeld, bij wet verboden, acht hij op dit moment vrijwel nergens goed voor. „We beschikken over voldoende restembryo’s uit ivf-klinieken. In Italië liggen er zelfs vaten vol mee, netjes achter slot en grendel, in afwachting van wettelijke toestemming om voor onderzoek te worden gebruikt. We hebben er nu dus geen behoefte aan om nog meer embryo’s te maken. Het is geen hobby die we per se willen bedrijven.”

Het kunstmatig creëren van embryo’s brengt bovendien medische risico’s met zich mee: een vrouw moet een hormoonbehandeling ondergaan om eicellen te laten rijpen, waarbij ze kans loopt op trombose. In het kader van een ivf-behandeling is dat aanvaardbaar, meent Fibbe. Maar wanneer alleen de wetenschap erbij gebaat is, en wanneer er een alternatief bestaat in de vorm van restembryo’s, kun je zo’n lichamelijk offer nauwelijks van iemand vragen.

Andere onderzoekers zouden wel graag zelf embryo’s creëren, voornamelijk om te bestuderen hoe de efficiëntie van ivf-behandelingen kan worden verbeterd. Maar in de praktijk betreft dit een relatief kleine groep wetenschappers.

Veel omvangrijker zijn volgens Fibbe de nadelige gevolgen van een tweede beperking in de Embryowet: het verbod op het zogeheten therapeutisch klonen. Met deze techniek zouden onderzoekers modellen kunnen maken die geschikt zijn om allerlei ziektes te bestuderen en om nieuwe medicijnen te testen. Er zouden bijvoorbeeld spiercellen van een patiënt met de dodelijke ziekte spierdystrofie kunnen worden gekweekt. Zulk onderzoek is nu verboden. Erg jammer, meent de hoogleraar, want in vele takken van de geneeskunde zou er vooruitgang mee geboekt kunnen worden.

Voor het maken van deze onderzoeksmodellen zijn overigens niet per se eicellen nodig; restembryo’s, verrijkt met het genetisch materiaal van een patiënt, zijn voldoende. Aangezien onderzoek met restembryo’s al is toegestaan, is het in Fibbe’s ogen een kleine stap om ook het therapeutisch klonen te aanvaarden. Met streng ethisch toezicht van de overheid moet dat zeker goed gaan. In Engeland en België gebeurt het al op die manier.

Tegelijkertijd moeten we realistisch blijven, waarschuwt Fibbe. Naar zijn smaak worden de beloftes van het therapeutisch klonen te zwaar aangezet: de genezing van patiënten met een hartkwaal, suikerziekte en de ziekte van Parkinson zou al in het verschiet liggen. „Maar zover zijn we nog lang niet. We hebben nog veel huiswerk te doen.”

Een van de vragen is of in plaats van stamcellen uit een embryo net zo goed stamcellen uit een volwassen lichaam gebruikt kunnen worden om weefsels te kweken. Tegenstanders van embryonaal onderzoek zien die volwassen tegenhanger als een volwaardig alternatief, maar Fibbe wedt liever op beide paarden tegelijk. Al was het alleen maar omdat het volwassen lichaam geen stamcellen voor hartspier- en nierweefsel bevat.

De hoogleraar heeft niet de illusie dat zijn pleidooi op korte termijn veel zal uitmaken. De politieke situatie is er simpelweg niet naar. „De intentie van het kabinet om de beperkingen op embryonaal onderzoek te handhaven, is een politiek compromis. De ChristenUnie wilde dit punt per se binnenhalen omdat op het gebied van abortus, euthanasie en het homohuwelijk weinig te bereiken viel. De Partij van de Arbeid heeft erin toegestemd, en zo is de verruiming van de Embryowet gesneuveld, nog voordat de maatschappij erover heeft gedebatteerd. Ik verwacht dat de Tweede Kamer daarmee zal instemmen, want ik vrees dat voor dit thema geen enkele partij haar nek zal uitsteken.”

En toch heeft het volgens de hoogleraar zin om over de kwestie te debatteren. Vooral als mensen daarbij goede voorlichting krijgen. Dan zullen ze volgens hem in meerderheid vóór het onderzoek kiezen. „En als het publiek opschuift, gaat de politiek vanzelf mee. Het is een zaak van lange adem, maar uiteindelijk komen we er wel.”

Het nut is beperkt en de morele prijs is enorm

’Een embryo heeft vanaf het prilste begin een geestelijke en een lichamelijke dimensie. Het is veel meer dan alleen maar een klompje cellen. Een embryo is een mens die zich aan het belichamen is.”

Henk Jochemsen, bijzonder hoogleraar medische ethiek aan het VU Medisch Centrum in Amsterdam, is duidelijk. Een embryo is een „nieuwe biologische entiteit met een eigen unieke genetische bagage en daarmee verbonden ontwikkelingspotentieel, die als exemplaar, individu zo u wilt, van de homo sapiens (de mens) een continue, voor de soort typische, biologische ontwikkeling zal door maken”, zo schrijft hij in zijn hoofdstuk in een bundel over de relatie tussen christelijk geloof en wetenschap die later dit jaar verschijnt. „Vanuit biomedisch gezichtspunt is er geen reden het embryo niet als menselijk wezen te zien.” En een menselijk wezen verdient volledige bescherming.

Jochemsen neemt daarmee stelling tegen wetenschappers die het embryo slechts een relatieve beschermwaardigheid willen toekennen. „Ze wijzen er dan bijvoorbeeld op dat een embryo nog geen bewustzijn heeft, geen relaties, geen waarneembare eigenschappen. Maar daarmee begeef je je op gevaarlijk terrein. Want dat kun je misschien ook wel zeggen van zwaar verstandelijk gehandicapte of ernstig dementerende mensen. Mogen die dan ook voor onderzoek beschikbaar worden gesteld? De opvatting over het embryo heeft op termijn ook gevolgen voor onze houding tegenover mensen met verminderde capaciteiten.”

De hoogleraar, van oorsprong moleculair bioloog, moet ook niets hebben van het argument dat het ’offer’ van het embryo toch niets is in vergelijking met het grotere goed dat het onderzoek talloze mensen kan opleveren. Hij gruwt van de enorme beloftes die vooral in de VS door wetenschappers zijn gedaan. „Het is pure demagogie. Er is gesuggereerd dat grote groepen mensen niet kunnen worden behandeld omdat conservatieve christenen het embryo-onderzoek in de weg staan.” Jochemsen: „Je kunt grote vraagtekens zetten bij al die beloftes. De suggestie dat de volksgezondheid zwaar te lijden heeft doordat er te weinig mogelijkheden zijn voor embryonaal stamcelonderzoek is volstrekt onjuist.”

Natuurlijk: er zijn vast deelterreinen aan te wijzen waarop dat onderzoek wél voor vooruitgang zou kunnen zorgen. „Maar het nut is beperkt en de morele prijs enorm. Je kunt toch niet zeggen: ’Met het offeren van één mens, redden we er vijf. Dat is een positief resultaat van vier’. Een dergelijk utilitaristisch denken wijs ik volstrekt af. We hebben daar in het verleden ook vreselijke voorbeelden van gezien.” Jochemsen wijst in dit verband naar de VS waar bijvoorbeeld zwarte Amerikanen van wie bekend was dat ze aan syfilis leden, met opzet niet werden behandeld, omdat onderzoekers meer zicht wilden krijgen op het verloop van de ziekte.

Jochemsen is blij met het besluit van het kabinet het moratorium op het therapeutische klonen en het kweken van embryo’s speciaal voor onderzoek te handhaven. Dat biedt, zegt hij, niet alleen het embryo, maar ook de vrouw bescherming. Zij is immers degene die voor eicellen moet zorgen. De behandeling die ze daarvoor moet ondergaan is niet zonder risico’s. Stel dat klonen op grote schaal wordt toegestaan, dan zal de vraag naar eicellen sterk groeien. Er is niet zoveel verbeeldingskracht voor nodig om te bedenken dat dan vooral arme vrouwen door middel van betaling zullen worden verleid eicellen af te staan, aldus de hoogleraar.

Dat wil niet zeggen dat Jochemsen, tevens directeur van het christelijke Lindeboom Instituut voor medische ethiek in Ede, blij is met de wet zoals die nu is. Onderzoek met restembryo’s, die overblijven na ivf, blijft immers mogelijk. Dat ze er nu eenmaal toch zijn, vindt de hoogleraar niet voldoende argument om ze dan maar voor onderzoek te gebruiken. Dat het alternatief vernietiging zou kunnen zijn, ook niet. „Het feit dat iemand toch moet sterven, betekent niet dat je met hem mag experimenteren.” In donatie aan ouders die graag een kind willen, „een soort prenatale adoptie”, ziet hij de minst slechte optie.

Jochemsen: „Maar het beste is natuurlijk te zorgen dat die restembryo’s niet ontstaan.” Hij is dan ook zeer te spreken over nieuwe ivf-technieken zoals die onder meer in het UMC Utrecht worden ontwikkeld. Daar krijgen vrouwen minder zware hormoonbehandelingen, met als gevolg minder eitjes en minder embryo’s. Uiteindelijk blijkt de kans op een gezond kind echter niet minder dan bij de traditionele behandeling. „Op die manier wordt het probleem van de restembryo’s vanzelf kleiner”, aldus Jochemsen die meewerkte aan de medisch-ethische paragrafen van het verkiezingsprogramma van de ChristenUnie. Wat hem betreft moet het onderzoek zich volledig richten op volwassen stamcellen. „Dat biedt genoeg perspectief. En het kan zonder specifieke ethische bezwaren.”

Hij vreest echter dat hij en geestverwanten met hun bezwaren tegen embryonaal stamcelonderzoek en klonen uiteindelijk toch roependen in de woestijn kunnen blijken te zijn. „Nederland is tot nu toe relatief nuchter geweest over mogelijke resultaten. Maar gezondheid is ook hier zo’n enorme waarde geworden, dat de morele kanten van dergelijke experimenten al gauw minder zwaar wegen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden