Het meisje van de kopieerzaak

De mens rekent, om het een beetje overzichtelijk te houden, zijn leven in jaren, maar hij handelt in dagen, dag in dag uit: het alledaagse. Dat wat 's avonds verdwijnt en 's ochtends weer begint. Van oudsher gaat poezie, vooral in de ogen van het publiek, graag over de wat grotere dingen van het leven: dood, levensvreugde, liefde. Maar daarnaast hebben dichters ook altijd een bijzondere aandacht opgebracht voor het alledaagse.

Vooral in deze eeuw (de eeuwigheid rekent nu eenmaal in eeuwen) heeft zich in de kunst en daarmee ook in de dichtkunst de emancipatie van het alledaagse voltrokken. De Tachtigers, die toch voornamelijk van nogal pontificale poezie hielden, lieten het kleine al niet helemaal ongezien. Een van mijn favoriete Leopold-gedichten is dat over een eenvoudige appel in een schaal, dat begint met de woorden 'Gerimpelde reinette, pippeling' en het verderop heeft over 'het helder klokhuis zilverwitte / met de kastanjehouten pitten'. Het leidt geen twijfel, Leopold eert ook het kleine, onaanzienlijke, de dagelijkse kost.

Een gedicht dat door zijn ietwat malle, haast al te alledaagse onderwerp, een zekere cult-status in bloemlezingen heeft verworven is 'De mattenklopper' van Alex Gutteling, een klein Tachtigertje. Maar wie denkt dat er met dit alledaagse huishoudgerief ook kleden geklopt worden zit er naast. 'Er is schoonheid in 't armoedigst kleine' meldt Gutteling omineus en de mattenklopper doet hem vervolgens sterk denken aan een Moors venster, een kroon, een arabesk. Ik weet niet of het Simplistisch Verbond haar logo, de mattenklopper, ook enigszins aan Gutteling heeft ontleend, maar met haar simplisme is dat zeker niet het geval.

Kennelijk kost het niet veel moeite om iets alledaags tot onderwerp te nemen, maar om er vervolgens ook met een alledaagse blik op te werpen, is wat anders. Ik begrijp dat wel. Het alledaagse munt nu juist uit door zijn onopvallendheid en als je het dan toch opmerkt gebeurt er al iets mee, je tilt het, alleen al door ernaar te kijken, uit de sleur. En dat is wat dichters steeds overkomt: ze worden getroffen door de eenvoud van het alledaagse en: het alledaagse vliegt er af. Het verschijnt en verdwijnt waar je bij staat, overigens precies wat het alledaagse qualitate qua moet doen.

Wie in de Nederlandse poezie rondneust naar gedichten met een alledaagse inslag, ziet het steeds opnieuw: het alledaagse krijgt van de dichter dat wat het van nature juist niet bezit: iets bijzonders. 'Wij stonden in de keuken, zij en ik.' Ha, denk je, gootsteenrealisme. Maar nee, er volgen weliswaar een fluitketel en een tuimelraam, maar de dichter denkt bij dat alles aan zijn werk, zijn inspiratie, waarom het maar niet wil lukken.

Of neem een echt 'alledaags' gedicht van Achterberg: 'Werkster': 'zij kent de onderkant van kast en ledikant', dat begint nog redelijk realistisch, maar aan het einde is de 'werkster' het symbool geworden van een standsverschil en ongemerkt heeft de dichter haar het alledaagse weer afgenomen.

Die bijna onontkoombare drang om het alledaagse op te sieren, een symbolische lading te geven of er meer van te maken dan het is, is geloof ik een van de onontkoombare eigenschappen van de kunstenaar. Hoezeer hij ook streeft naar een onbevooroordeeld standpunt, een waardevrije blik, het erdoor getroffen alledaagse zal door zijn keuze toch vanzelf meer, onverdiende en onkarakteristieke glans krijgen.

In de jaren zestig probeerden de schrijvers van het tijdschrift Barbarber zonder die opgepoetste, dichterlijke blik naar de alledaagse werkelijkheid te kijken. Ze hebben altijd benadrukt dat het allemaal als een spel begon en dat is maar goed ook, want van zo'n vooropgezet idee om het allemaal eens anders te bekijken houdt het alledaagse niet. Ze keken naar de gewoonste dingen alsof ze ze voor het eerst zagen, foto's, dozen, elastiekjes, een pepermuntje, telefoonboeken, formulieren. En ze stelden voor er rare dingen mee te doen. Zo oppert K. Schippers in het 'gedicht' 'Protesten uit de kinderkamer' om allerlei oningevulde formulieren te verzamelen. En alweer zie je het: het alledaagse, zo'n illusieloos formulier, leidt haast ongemerkt tot iets onalledaags: die troep verzamelen. Alledaags zou zijn geweest het te laten liggen of weg te smijten. Een dichter kan dat niet goed. Hetzelfde zie je bij een hedendaagse stroming dichters in Engeland, the Martians genaamd, die proberen zich als marsmannetjes op te stellen en alles op aarde quasi voor het eerst te zien. Hun moedwillig frisse standpunt leidt tot bijzondere maar daardoor juist allerminst alledaagse gedichten.

Ik heb die voorkeur voor alledaagse dingen van Schippers en de zijne op zich eigenlijk nooit zo opvallend gevonden. Wat ze wel zo'n beetje voor het eerst in de Nederlandse poezie aanboren zijn 'alledaagse gedachten': ze openen de poort naar gedichten over allerlei neuroses, teldwang, zinloze maar hoogst gecompliceerde hersenspinsels, brainwaves. Zo'n soort ultiem alledaags gedicht is Schippers' 'Tekst over andere tekst gewaaid', met daaronder een opsomming van de ingredienten 'King, inkt, lood, Leica M2, Kodak Plus X en

'De plaats die dit pepermuntje in mijn hoofd innneemt

Was die blank gebleven, als ik het nooit had gezien?'

Zo'n gedichtje verwijst naar het alledaags malen van gedachten, naar urenlang wakker liggen, naar de improduktieve, zinloze maar hoogst karakteristieke kant van het menselijk brein, de ultieme uitdaging voor de dichter die het nu juist allemaal welgevormd en treffend wil uitdrukken.

Aandachttrekkende dichters van deze tijd, zoals Elma van Haren, Tonnus Oosterhoff en K. Michel, zijn de vroeger vanzelfsprekende dichterlijke aandacht voor het hogere in het lagere allang kwijtgeraakt en laten hun vrolijk malende gedachten graag weiden in het alledaagse. 'Er ligt een geel slakkenhuis op de stoep' merkt Elma van Haren op in 'Kralengordijn' en verzamelt vervolgens in het gedicht haast lukraak en zonder 'dichterlijke' hierarchie wat ze daarna allemaal opmerkt, denkt en voelt. Bij Oosterhoff tref je tussen de hersenspinsels allemaal flarden alledaagse werkelijkheid aan: televisiebeelden, Lassie, krantenartikelen. En K. Michel verbaast zich over alledaagse, maar bij nader inzien heel vreemde lichamelijke zaken:'Complexe processen, als ik op blote / voeten over de tegels naar het balkon / loop, begint mijn neus te niezen.'

Het alledaagse zelf is voor deze dichters allang gefundenes Fressen en je merkt dat ze voornamelijk nog bezig zijn hun eigen, toch nog altijd geconditioneerde omgang met wat almaar verschijnt en weer verdwijnt, in kaart te brengen.

Wie in het laatste partje van Komrij's befaamde bloemlezing controleert hoe het met het alledaagse staat, komt het allemaal ruimschoots tegen:Tijgerbalsem, Kwik Kwek en Kwak, Biedermeijerstoeltjes, een dinkietoytreintje, een thermoskan koffie, een video van Rambo. Alledaagsheid troef.

In het gedichtje 'C A4 3' van de jonge dichter Ruben van Gogh wordt het aardig samengevat: 'Het meisje van de kopieerzaak / telt het aantal kopieen:Een twee drie vier en verandert vervolgens (wordt zelf gekopieerd tot) een 'prinses met lange blonde lokken', een 'waternimf' en een 'goede fee'. 'Nee nee nee: zeg ik. / Die eerste is het origineel.' Het alledaagse meisje van de alledaagse kopieerzaak dus, daar gaat het hem om. Een mattenklopper om matten mee te kloppen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden