Het Maakt Me Vrolijk - hoe Noord-Korea verandert

Noord-Korea verandert, wel degelijk. Vrij rondreizen is er voor een journalist nog altijd ondenkbaar. Maar de Britse verslaggever Tim Judah was er voor het weekblad the Economist. Hij zag de eerste tekenen: stapels bananen op de markt, reclame voor Fiat, arbeiders die klagen over het prestatieloon. Wat betekent het?

Ik heb de regering van Noord-Korea een belofte gedaan. Voor een journalist is dat misschien een merkwaardige bekentenis, vooral gezien het karakter van het regime in dit conservatieve communistische land. De belofte is dat ik alleen de waarheid zou vertellen. ,,Alleen wat ik zie en hoor'', beloofde ik.

Ik deed die belofte omdat Pak Kwang-ung, de overheidsfunctionaris die mijn rondreis begeleidde, bij een blikje Thais importbier begon te klagen over buitenlandse journalisten, die eerst naar Noord-Korea komen en vervolgens leugens opschrijven. ,,Jullie stoppen het programma van die journalisten ook zo vol met bezoeken aan musea. Dan zijn ze aan het einde van hun reis wanhopig op zoek naar íets om te schrijven'', wierp ik tegen. Pak Kwang-ung knikte.

Een journalist die vrij rondreist is in Noord-Korea ondenkbaar. Tijdens mijn reis waren Pak Kwang-ung en/of zijn collega Ri Yong-man voortdurend bij me, behalve wanneer ik sprak met buitenlandse diplomaten of mensen van hulporganisaties.

Een paar dagen later zei ik tegen Pak Kwang-ung dat hij niet bang hoefde te zijn dat ik leugens zou opschrijven, omdat ze me zo veel hadden laten zien. Daags tevoren waren we bijvoorbeeld in Pukchang, een kleine, grauwe stad, honderd kilometer ten noordoosten van Pyongyang. Ik was daar zogenaamd om een kijkje te nemen bij Concern, een Ierse hulporganisatie. Concern heeft in Pukchang oude, roestige en lekke waterleidingen vervangen door nieuwe. Ze hebben de drinkwaterinstallatie vernieuwd, scholen nieuwe toiletten bezorgd en gezorgd voor nieuwe waterpompen.

Pukchang wordt gedomineerd door een gigantische elektriciteitscentrale. De drie schoorstenen braken rook uit en voortdurend schuiven treinladingen steenkool de centrale binnen. Pukchang heeft geluk, zeggen lokale bestuurders. Door die centrale heeft de stad vrijwel altijd elektriciteit. Behalve van Pyongyang kun je dat van de rest van het land niet zeggen.

Tijdens een wandeling door de stad vroeg ik Ju Pyong-ryul, een lokale bestuurder die ons begeleidde, waar de markt was. Markten zijn hier pas toegestaan sinds de economische hervormingen van juli 2002. ,,We hebben geen markt'', zei Ju Pyong-ryul, ,,die is nog in aanbouw.'' Maar waar en hoe kopen Koreanen dan levensmiddelen?, vroeg ik. ,,Onderling'', zei hij.

Vijf minuten later, toen we de hoofdstraat afliepen, liepen we recht op een markt af. Een stuk of vijftig vrouwen krioelden in een zijstraat. Ze verkochten warme maaltijden, noedels uit eigen keuken, snoep, pennen, kleding en nog veel meer. Van mijn begeleiders was niemand gegeneerd. Er leek, zoals vaker op mijn reis, geen logische verklaring te zijn waarom ze me eerst vertelden dat er geen markt was, om me even later op een markt af te laten lopen.

Ik had verwacht dat officiële Noord-Koreanen formeel en stijf zouden zijn en voortdurend zouden verwijzen naar de woorden van de grondlegger van hun communistische staat, Kim Il-sung en zijn zoon en opvolger Kim Jong-il. Maar die verwachting kwam niet uit.

Die avond, in het kleine hotel van Pukchang, voegden vier functionarissen zich voor de maaltijd bij ons. Naarmate de avond vorderde werd het allengs ruwer. ,,Jaaa, je bent geen man -zelfs geen vrouw- als je dat niet kunt drinken!'', riepen ze. Het was een drinkwedstrijd met glazen Sul, het plaatselijke vuurwater, in rondes die elkaar steeds sneller opvolgden. Op twee barbecues bij onze tafels werden stukjes eend geroosterd. De kamer stond blauw van de rook en de kameraadschap.

De volgende morgen namen zij ons mee naar de plaatselijke waterbron. We beklommen een steile heuvel vanwaar je kilometers ver kon zien, inclusief de weg door de vallei. Er waren veel mensen op de been. Mensen fietsten, sjouwden dingen, duwden dingen, droegen dingen, gingen ergens naar toe, leidden ossenwagens of reisden dicht opeengepakt op open vrachtwagens. Je zag groepjes mensen lopen met spades en ander gereedschap.

In andere ontwikkelingslanden zie je vaak mensen die blijkbaar niets te doen hebben. Hier niet. Maar een van de redenen waarom je zo veel mensen ziet die op pad zijn is, dat vrijwel niemand een auto heeft of enig ander vervoermiddel. Ik heb buiten Pyongyang bijvoorbeeld geen enkele bus gezien.

Vanaf de heuveltop kon je zien hoe de boeren, hongerig naar land, de steile helling tot zo hoog mogelijk bebouwden. Van 1995 tot ten minste 1999 teisterde een hongersnood het land en tussen 200000 en drie miljoen mensen kwamen om. Niemand weet zeker hoeveel. De Noord-Koreanen noemen deze tijd ,,de zware mars''. Maar hoewel die tijd officieel achter de rug is, is het leven nog steeds behoorlijk zwaar.

Je moet van Noord-Korea in de eerste plaats de voedselsituatie begrijpen. Tot de hervormingen van juli 2002 speelden contanten -of zelfs geld- nauwelijks een rol in het leven. Iedereen is ingedeeld in 'werkeenheden' en elke maand krijgt iedereen rantsoenbonnen. Die worden verruild voor een bepaalde hoeveelheid goedkoop, gesubsidieerd voedsel.

Terwijl we op die koude, heldere morgen op de heuveltop stonden zei Han Chol-ho, een van de vier overheidsfunctionarissen: ,,We krijgen eten van de staat, maar dat blijft beperkt tot 300 gram per dag. Dat is niet genoeg.'' Ik vroeg of je niet kon kopen wat je verder nog nodig had, per slot van rekening is één reden voor de legalisering van markten dat er dan meer voedsel wordt geproduceerd. Maar het probleem hier in Pukchang, legde hij uit, was dat de regio niet voldoende kon produceren. ,,Deze provincie heeft voedselgebrek.'' Het tweede probleem was het gebrek aan diesel. Zelfs als er meer voedsel was, zou het niet eenvoudig zijn het te vervoeren.

Later, bij het waterbedrijf, spraken we Kim Chae-sun, iemand van de leiding. Zij vertelde ons dat ze vóór de hervormingen 80 won per maand verdiende. Sindsdien verdient ze 3000 won per maand. Tegen de semi-officiële wisselkoers is 1 euro ongeveer 1400 won. Nu er, door het werk van Concern, veel meer water door haar fabriek stroomt is haar maandsalaris opgelopen tot 3500 won. Vóór de hervormingen betaalde ze, voor een gezin van zes personen, 8 won per maand voor een flat. Nu 102 won. Maar het meest interessante was wat ze vertelde over haar echtgenoot. Hij werkte in de elektriciteitscentrale en ze zei dat hij ruim 12000 won kon verdienen, maar in het verleden tot 20000 won per maand had verdiend.

Ik begon te begrijpen dat de hervormingen in verschillende levens anders uitpakken. Ieders salaris werd gekoppeld aan de productie. Alle managers van een onderneming moesten winst gaan maken en werden gekort op hun subsidies. Maar sommige arbeiders, bijvoorbeeld in mijnen en energiecentrales, krijgen betere productiebonussen dan andere. Wat gebeurt er als je in een gammele oude fabriek werkt zonder energie, grondstoffen of markten? Of wat doen kantoorpersoneel en ambtenaren, die niet productiever kunnen worden? Meneer Han, 42, vertelde me dat hij 2700 won per maand verdient en dat zijn gezinsleden, net als iedereen, hun dagelijkse rantsoen van 300 gram krijgen van de voedselrantsoenering.

,,Wacht even'', zei ik, ,,Meneer Ri, die hier is vanuit Pyongyang, vertelt me dat hij 600 gram krijgt.'' Toen bleek me dat ambtenaren in Pyongyang, net als meneer Ri die eveneens 2700 won verdient, dubbele rantsoenen krijgen. Proberen de autoriteiten zich misschien te verzekeren van de loyaliteit van de mensen die de ruggengraat van het systeem vormen?

Voordat ik naar Noord-Korea kwam las ik dat dankzij de ineenstorting van de markt in het socialistische blok, en dankzij het isolement van het land, fabrieken in sommige sectoren maar tien tot vijftien procent van hun capaciteit produceerden. Ik vroeg meneer Han hoe de toestand in Pukchang was. ,,Ik ben geen econoom'', zei hij, ,,maar hier is het meer dan 70 procent. Maar het is hier een speciale situatie, omdat we de energiecentrale hebben.'' Wat doen de arbeiders, vroeg ik, wanneer ze niet nodig zijn in de fabrieken? Het antwoord was simpel: ze worden op het land ingezet bij de voedselproductie. Dat is een van de verklaringen waarom je zoveel mensen op de wegen ziet.

In het begin van ,,de zware mars'' kwam het WFP, het Wereldvoedselprogramma van de VN, hierheen om levens te redden. Het is sindsdien gebleven. Op het moment zijn 6,5 miljoen kwetsbare mensen, op een bevolking van ruim 23 miljoen, hun doelgroep. Onder hen zijn kinderen en moeders van baby's.

Ik werd meegenomen op een inspectietocht naar een plaats die Hoichang heet, zo'n 60 kilometer ten westen van Pyongyang. Elke dag worden WFP-inspecteurs uitgestuurd om te controleren of het voedsel wel onder de juiste mensen wordt verdeeld, en niet ergens anders terechtkomt.

Een van de grootste problemen in Korea is dat het niet werkelijk een agrarisch land is. Van de totale oppervlakte is maar 18 procent geschikt als landbouwgrond en dat land is al in gebruik. Landbouw op steile hellingen veroorzaakt ernstige erosie, en dat kun je duidelijk zien. Een ander probleem is dat twee derde van alle Koreanen in een stad woont. Behalve de inwoners van Pyongyang, waar het leven beter is dan elders, zijn plattelandsbewoners doorgaans beter af dan stedelingen. Want de meesten hebben een eigen moestuin, en toegang tot ander land, en dus de gelegenheid om niet alleen voor zichzelf extra voedsel te produceren, maar ook om er iets mee te verdienen.

Ik vroeg meneer Kim, een van de plaatselijke overheidsdienaren, of de levensstandaard in Hoichang sinds de hervormingen van juli 2002 was verbeterd. ,,Een beetje'', zei hij. Hij zette het idee achter de hervormingen uiteen. Arbeiders zouden meer geld verdienen naarmate ze meer produceerden, wat betekende dat ze ,,voedsel konden kopen in staatswinkels''. Maar hij zei ook: ,,Het probleem is dat de productie kleiner is dan verwacht, zodat het moeilijk is om kleding en andere noodzakelijke dingen te kopen. Sinds de hervormingen zouden ze meer geld ontvangen, maar omdat de fabrieken niet op volle kracht produceren....''. Zijn stem werd zachter en misschien kreeg ik ook wel geen volledige vertaling. Maar toen zei hij: ,,En de landbouwprijzen gingen sterker omhoog.''

In Hoichang bezochten we een crèche, een kleuterschool en een basisschool. De controleur van de WFP liep met de schooldirecteuren een vragenlijst door, bedoeld om erachter te komen of ze hun rantsoenen wel kregen en wat de huidige situatie was. Uit de cijfers die hij kreeg viel af te leiden dat, volgens de eigen Hoichangse opgave, meer dan 10 procent van de kinderen als ,,zwak'' of ,,ondervoed'' te boek stond.

Die cijfers over de scholen bevestigen trends die de organisatie in het gehele land signaleert. Wat betreft ondervoeding gaat de situatie al een paar jaar vooruit, maar het kan nog beter. Neem bijvoorbeeld Hoichangs crèche nummer 1. Directeur Mun Gil-sim zei dat 60 procent van haar kinderen qua gewicht en andere maten overeenkomt met de nationale standaard. Vorig jaar was dat nog 50 procent, in 2001 30 procent. Het laatste kind in haar crèche dat aan ondervoeding stierf, overleed in 2002.

In 1998 en 2002 hebben de regering, de WFP en Unicef (de kinderorganisatie van de VN) landelijk onderzoek gedaan naar de voedingstoestand. Dat onderzoek wees uit dat in 1998 62,3 procent van de kinderen klein voor hun leeftijd was, terwijl dat in 2002 gedaald was tot 39,2. Het effect van zulke hortende groei houdt niet op wanneer er meer voedsel beschikbaar is.

VERVOLG OP PAGINA 13

Ik was er niet op voorbereid om een klas 11-jarigen te bezoeken, is: een klas kinderen die tijdens de ergste jaren van de hongersnood baby en peuter waren. Toen we de klas binnengingen dacht ik dat het 7-jarigen waren. De leerkracht vertelde dat de zwaarst getroffenen vaak griep hadden en langzaam leerden.

Twee dagen later werd ik naar het Kim Il-sung-mausoleum gebracht in het Kumsusan-paleis, even buiten Pyongyang. Na zijn dood, door een hartaanval op 8 juli 1994, is het een gedenkteken geworden en zijn de ramen geblindeerd. De Koreaanse bezoekers hadden hun beste kleren aan en sommige vrouwen waren in traditioneel tenue.

In een grote marmeren hal, verlicht in een diep sombere oranje gloed, ligt Kim Il-sung achter glas in een kist. Hij draagt een pak maar een rood kleed bedekt zijn onderlichaam. De kleur van zijn gezicht is verbazingwekkend levendig. De rij nadert. Je beweegt, je staat aan een kant van de kist, buigt, draait om, buigt nogmaals, en zo verder tot je aan alle vier zijden hebt gebogen. Ik kon met name oudere vrouwen horen snuiten en ik zag ze tranen wegvegen. In de volgende ruimte zagen we Kim Il-sungs treinwagon, waarmee hij door het land reisde en daarna, op een marmeren verhoging, zagen we zijn zwarte, goed gepoetste Mercedes 600 SEL.

Als het Kumsusan-paleis het verleden van Noord-Korea vertegenwoordigt, dan is de Tongil-markt in Pyongyang mogelijk de toekomst. In oktober ging hij open. Het is de grootste overdekte markt in de hoofdstad. Honderden mensen verkopen er spullen. Allemaal doen ze dat om winst te maken en voor eigen rekening. Het is een uiterst zichtbaar resultaat van de economische hervormingen. En het is duidelijk een daverend succes. Het was er volgepakt met klanten. Het drukst was het bij de stalletjes die tv's en video's verkochten.

Toen ik door de staatswinkels sjouwde met de heren Pak en Ri was duidelijk dat er, hoewel je er wel voedsel kon kopen, geen rijst was of andere eerste levensbehoeften. Want die worden verkocht via het rantsoeneringssysteem. Er was geen vlees en, behalve appels, geen vers fruit of groenten. Op de markt was alles, inclusief geïmporteerd fruit zoals bananen, ananassen, vijgen en sinasappels. Hier was ook geen tekort aan vlees.

Toch, als je nagaat dat een doorsnee-kantooremployee ongeveer 2700 won per maand verdient, is alles hier op de Tongil-markt vrij duur (hoewel sommige gezinnen wat geld ontvangen van familie in Zuid-Korea en Japan). Een doorsnee-tv kost 72000 won en rijst kost 250 won per kilo. Een andere factor van betekenis is dat, volgens de WFP, de prijs van rijst op de markt in januari 145 won per kilo is. Dat wijst op behoorlijke inflatie, in ieder geval voor rijst. De waarde van de won daalt bovendien. Buitenlanders moeten hun geld tegen de officiële koers wisselen, voor 1 euro ongeveer 171 won. Op de markt lukte het me geld te wisselen tegen de semi-officiële koers van 1400 won. In oktober, toen de markt openging, was dat 1030 won.

Toen we van de Tongil-markt vertrokken kwamen we langs een reclamebord met een advertentie voor het enige commerciële product waarvoor in Noord-Korea wordt geadverteerd. Op alle andere borden zie je klassieke, socialistisch realistische beelden met talloze aansporingen, en beelden van Kimjongilia: rode bloemen, en Kimilsungia: witte bloemen. De reclame voor 'Huiparam' ('Fluit') is voor een compacte Fiat. De investering komt uit Zuid-Korea, Fiat is Italiaans en de fabriek staat hier. De tekst luidt: 'Het Maakt Me Vrolijk!' Volgens meneer Ri kosten ze ongeveer 8000 dollar en zijn ze grotendeels voor de export. Dat is niet verbazend omdat het, met meneer Ri's salaris, en aannemend dat hij niet één won uitgeeft, volgens mijn ruwe berekening 247 jaar zou kosten voor hij er een zou kunnen kopen.

Meneer Ri heeft het geluk dat hij in Pyongyang woont, waar volgens iedereen de gezondheidssituatie veel beter is dan in de rest van het land. Ik ging naar Egil Sorensen, die hier de WHO -de wereldgezondheidsorganisatie van de Verenigde Naties- vertegenwoordigt. Hij vertelde dat de gezondheidszorg van het land, vooral buiten de hoofdstad, 'in crisis' verkeert. Sterker nog, in ziekenhuizen is de situatie de laatste paar jaar verslechterd door een tekort aan water. Pompen doen het niet meer, buizen zijn gebroken en dus hebben ,,in werkelijkheid weinig ziekenhuizen stromend water''. Hij vervolgde: ,,Natuurlijk lijden mensen daar onder en gaan ze eraan dood, maar wij zien die patiënten niet.''

Behalve het gebrek aan medicijnen en instrumenten en de algemene achteruitgang heeft Noord-Korea nog een ander probleem. Het isolement van het land betekent dat artsen, volgens Sorensen, de geneeskunde praktiseren zoals in andere landen 30, 40 of 50 jaar geleden. De mensen hier doen hun best met de middelen die ze hebben, maar ook komen ze maar zelden in aanraking met ontwikkelingen in de gezondheidszorg. ,,In 1997 hadden ze nog nooit van 'paracetamol' gehoord. Dat was bij artsen onbekend.''

Toch veranderen de dingen, zoals Masood Hyder van de WFP me vertelde. Hij kwam in augustus 2002 hier aan en toen ,,kon je het woord 'verandering' in geen enkel document opschrijven, omdat de filosofie was: 'We hebben hier een perfect systeem'. In de afgelopen 18 maanden is hun houding jegens verandering veranderd.'' Volgens hem ,,zijn de veranderingen echt, ze hebben effect - maar ze zijn gedeeltelijk, niet compleet en broos''. Hij zei: ,,Is het allemaal schijn? Nee. Het stelt iets voor en het heeft effect. Is het omlijnd en onomkeerbaar? Nee, totaal niet.''

Andere buitenlanders hier hebben een diep cynische kijk op hervorming. Volgens een van hen zie je hier hetzelfde type verandering als in een paar nu voormalig communistische landen. Vertrouwde en loyale dienaren van het regime krijgen de gelegenheid om geld te verdienen voor zichzelf en voor de staat. Vooral wanneer ze in de im- en export zitten kunnen ze voor zichzelf monopolies scheppen, zichzelf goed betalen en een auto van de zaak en een mobiele telefoon krijgen. Maar zijn centrale boodschap was dat dit alles diende om een loyale kern van mensen de mogelijkheid te bieden geld te verdienen, zodat ze de autoriteiten zullen helpen te overleven. Hadden ze niet gemoeten, dan waren ze geen hervormingen begonnen.

Pyongyang is een stad van hoge gebouwen en monumenten, maar in toenemende mate en voor het eerst is het ook een stad met althans een paar auto's. Voor een nieuwkomer lijkt de hoeveelheid verkeer in het spitsuur op wat je in elke andere stad op zondagmorgen om 8 uur kunt zien. Maar wie hier woont, zegt dat het aantal auto's fenomenaal groeit, en dat Mercedes in het bijzonder populair is.

Nog nijpender is het probleem met computers en internet. Hoewel er een paar mensen, of instituties, moeten zijn die toegang hebben tot internet, is het land als geheel simpelweg niet met het net verbonden. Er wordt wel over gepraat om dat te gaan doen, maar daarover komen maar weinig details los. Het onderwerp is belangrijk genoeg. Per slot kan geen enkel land, laat staan bedrijf, in de moderne wereldeconomie meeconcurreren als het simpelweg niet aangesloten is.

Veel van wat ik zag in Noord-Korea maakte me sprakeloos. Op mijn vragen kreeg ik van veel mensen verwarrende en tegenstrijdige antwoorden. Wisten ze niet wat het antwoord was? Of wisten ze niet wat je aan een buitenlander mag vertellen? Of wisten ze niet wat op dit hooggevoelige terrein het beleid was?

Op mijn achtste dag in Korea nam ik een trein om te vertrekken. Vanuit de trein zag ik gebouwen die eruitzagen als fabrieken, maar er kwam geen rook uit de schoorsteen. Veel diplomaten hadden me verteld dat je in Hamhung en langs de oostkust de ,,roestgordel'' van Noord-Korea kunt zien.

In Pukchang, dichtbij de energiecentrale, zag ik een kleine fabriek in een gevorderde staat van verval, en er scheen niemand te werken. Toen ik de econoom professor Li vroeg of fabrieksdirecteuren mensen konden ontslaan nu de subsidies worden afgeschaft en er winst gemaakt moet worden, zei hij dat dat niet het geval is. Maar wel kunnen ze andere fabrieken en bedrijven -en naar ik van anderen hoorde: ook de plaatselijke autoriteiten- vragen om die mensen in hun boeken op te nemen. Hij beweerde dat er in Noord-Korea niet alleen geen werkloosheid is, maar dat er zelfs gebrek aan werkkracht is. Dat kan alleen waar zijn, dacht ik, als alle overtollige werkkracht wordt opgezogen door de landbouw. En inderdaad, met dat tekort aan brandstof en onderdelen voor landbouwmachines, en na alles wat me was verteld in Hoichang en Pukchang, leek dat erop te wijzen dat enorme aantallen mensen worden ingezet op de akkers. De tragiek daarvan is uiteraard dat Noord-Korea verandert in een pre-industrieel land.

In een zo gesloten samenleving is het moeilijk om de aard van het politieke en economische debat te zien. Los van het communisme hadden de autoriteiten vroeger een eigengemaakte ideologie die 'Juche' heette, ruw vertaald 'zelfvoorzienendheid'. Maar tijdens mijn bezoek had niemand het daar over. De laatste tijd krijgt een nieuwe ideologie meer nadruk. Die heet Songun: 'Eerst het leger'. En inderdaad bestaat een flink deel van Kim Jong-ils 'Ter Plaatse Leiding Geven'-bezoeken uit bezoeken aan militaire instellingen. Misschien probeert hij beide zijden tevreden te stellen, denken diplomaten en hulpverleners. Maar aangezien de hervormingen zijn begonnen en hij in alles het laatste woord heeft, moet hij wel op de hand van de hervormers zijn.

Op het ministerie van buitenlandse zaken ontmoette ik Thae Yong-ho, een ervaren ambtenaar die over Europa gaat. We ontmoetten elkaar begin maart op de eerste dag van de jongste ronde van het 'zes-landenoverleg' in Peking (tussen de VS, China, Rusland, Zuid-Korea, Japan en Noord-Korea, red.) over de nucleaire kwestie in Noord-Korea, waar geen enkele doorbraak zou worden bereikt.

Hij legde uit dat, in het licht van wat is gebeurd in Afghanistan en Irak, en tenzij de gesprekken nu een succesvol einde zouden krijgen, ,,we geen keus hebben. Om te overleven is er geen alternatief dan om ons met een afschrikwekkende kernmacht uit te rusten''.

Volgens Thae is het Amerikaanse beleid om Noord-Korea de mond te snoeren via economische sancties, zodat het land bijvoorbeeld zelfs als het dat zou willen niet bij de Wereldbank of het Internationaal Monetair Fonds voor geld kan aankloppen. Zodat Pyongyang contact legt met Europa en relaties aanknoopt met Europese landen. Maar de EU is niet zo vriendelijk, zei ik, omdat mensenrechtenorganisaties beweren dat in Noord-Korea 200000 mensen in werkkampen zitten. Daarom steunde de EU in de VN-commissie voor de mensenrechten een resolutie tegen Noord-Korea. ,,In ons land zijn geen werkkampen'', zei hij en ,,de staat steunt geen schendingen van de mensenrechten''.

Noord-Korea is beslist begonnen te veranderen. Maar waar die verandering toe leidt is nog erg onduidelijk. Behalve humanitaire hulp ontvangt het extra steun van China en Zuid-Korea, die doodsbang zijn voor elke instabiliteit. Er zijn wat Zuid-Koreaanse investeringen en er komen misschien meer in de speciale economische Kaesong-zone, vlakbij de grens. Hoewel dat enkele banen schept die hard nodig zijn, is het maar een fractie van wat het land nodig heeft. Intussen verkeert het land volgens mevrouw Vu Thi van Unicef ,,in een chronische noodtoestand''.

Trouwens, meneer Pak, u bent vast wel met me eens dat ik me aan mijn belofte heb gehouden?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden