Het lieveheersbeestje houdt van de stad

Zevenstippelig lieveheersbeestje.Beeld ANP XTRA

Van alle kevertjes zijn de lieveheersbeestjes natuurlijk het allerschattigst. En het aardige is, ze zitten gewoon in de stad.

Vraag het lieveheersbeestje waar het graag vertoeft en het antwoord is helder. De stad heeft allerlei pluspunten. De stad biedt bijvoorbeeld stenige overwinteringsplekken, ruigte en gestreste bomen; zaken die in de natuur veel moeilijker te vinden zijn. "Een beetje tuin, zo een met een boom, telt al snel vijf tot tien soorten lieveheersbeestjes", aldus entomoloog Vincent Kalkman van EIS Kenniscentrum Insecten. Dat is nu ook wetenschappelijk vastgesteld, in een vergelijkend onderzoek in het Nationale Park De Meinweg en het nabijgelegen Roermond. Die uitkomst geldt voor veel meer locaties, verzekert Kalkman.

Twee jaar geleden zette EIS, samen met Waarnemingen.nl, een waarnemingsproject lieveheersbeestjes op. Kennis is immers de basis voor bescherming en lieveheersbeestjes zijn relatief gemakkelijk te vinden en herkenbaar, anders dan het overgrote deel van de circa 20.000 insecten die ons land rijk is. Door de verzamelde gegevens van amateurs en professionals te vergelijken met data van voor 1990, konden de nodige conclusies worden getrokken over het wel en wee van het kevertje.

Oké, zegt Kalkman, "In de Meinweg komen meer soorten voor. Maar met 22 soorten in de stad tegenover 27 in het natuurgebied doet de stad het bijzonder goed." Lieveheersbeestjes vliegen goed - enkele tientallen kilometers zijn geen probleem - en kunnen daardoor gemakkelijk nieuwe leefgebieden bereiken. En de hogere temperatuur van de stad is voor insecten een voordeel. Dat betekent een snellere groei en ontwikkeling.

Sommige soorten worden nu relatief veel in de stad gevonden, zoals het Aziatisch en tweestippelig lieveheersbeestje. Ook het ruigtelieveheersbeestje is een stedeling; het houdt van gerommel en gegraaf en daarmee van ruigtekruiden. Schaakbordlieveheersbeestjes bi- vakkeren bij voorkeur in ruigte met struiken van stadse bermen en parken en het meeldauwlieveheersbeestje is veel op parkbomen aanwezig.

Tekst loopt door onder de afbeelding

MeeldauwlieveheersbeestjeBeeld buiten-beeld

De entomoloog: "Al met al hebben - in dit onderzoek - twaalf soorten een duidelijke voorkeur voor de stad."

Omdat de meeste lieveheersbeestjes leven van luizenkolonies, is één flink aangetaste struik, boom of ruigte al genoeg om een fikse populatie lieveheersbeestjes te herbergen. Luizen hebben het in de stad ook heel best; de planten zijn door droogte en ruimtegebrek vaak flink gestrest en vallen daarmee makkelijk ten prooi aan plaagdieren.

Tegenover een voorkeur voor de stad staat 'vermijdingsgedrag', vooral van specialisten, soorten die sterk aan één bepaalde soort luizen zijn gebonden. Deze luizen zijn op hun beurt veel gebonden aan één soort plant of boom zoals heide, den of spar.

Waarnemingen

De keverkenner: "Een superspecialist is het bosmierlieveheersbeestje dat alleen voorkomt op plekken met veel bosmiernesten. Andere lieveheersbeestjes worden door bosmieren verjaagd, maar door zijn geur wordt het bosmierlieveheersbeestje met rust gelaten en kan het zich tegoed doen aan de luizen die door de bosmieren worden gehouden. Bosmieren komen in de stad niet voor; de bosmierlieveheersbeestjes evenmin."

Uit een vergelijking van de in totaal 70.000 waarnemingen van voor en na 1990, komt per saldo een overwegend gunstig beeld naar voren. Weliswaar is het voor 1990 al zeer zeldzame twaalfvleklieveheersbeestje inmiddels hier uitgestorven en zijn de voorheen vrij algemene zwarte lieveheersbeestjes en hiëroglyfenlieveheersbeestjes (beide heidesoorten) sterk afgenomen, maar daar staat een forse toename tegenover van onder meer het tienvleklieveheersbeestje en een behoorlijke versteviging van de positie van het meeldauw- en citroenlieveheersbeestje.

Tienvlek lijkt vooral te profiteren van het warmere klimaat. Dat kan ook meespelen bij de twee andere, die beide leven van schimmels en die beter gedijen bij warm vochtig weer dan bij droog en koel weer.

Tekst loopt door onder de afbeelding

CitroenlieveheersbeestjeBeeld buitenbeeld

Reus

In 2002, 2014 en 2016 kreeg Nederland er drie soorten bij: het Aziatisch lieveheersbeestje, met 7 mm een reus onder de lieveheersbeestjes, het ongevleugelde lieveheersbeestje en het zwartstreeplieveheersbeestje.

De eerste nieuwkomer is, zo beoordeelt Kalkman, geen onverdeeld genoegen. "Met name het veel kleinere tweestippelig lieveheersbeestje ondervindt erg veel schade van dit exotisch insect. De Aziaat eet het kleintje en beconcurreert het in elk geval ook qua voedsel. De concurrentie geldt ook voor het tienstippelig lieveheersbeestje; ook deze soort is achteruitgegaan sinds de exoot in ons land - als bestrijder van bladluizen - is geïmporteerd."

Blijer is de entomoloog met de komst van het ongevleugeld lieveheersbeestje. Hoewel enkele jaren geleden al voor het eerst gesignaleerd, is het dier onlangs pas officieel als nieuw voor Nederland gemeld. De ongevleugelde is een buitenbeentje. Niet alleen kan het diertje niet vliegen, maar bovendien eet het geen luizen maar grassen. "Het doet geen vlieg kwaad, hoort hier van nature thuis en is een leuke aanvulling voor de Nederlhttps://www.youtube.com/watch?v=JtDVXzY_u8wandse natuur."

De nieuwste nieuwkomer is het zwartstreeplieveheersbeestje dat in 2016 voor het eerst in Limburg is gesignaleerd. Dit jaar is de soort gevonden in Noord-Brabant en ze lijkt aan het begin te staan van een opmars. "Komende jaren blijven we waarnemingen van vrijwilligers inzamelen en wie weet kunnen we dan over enkele jaren zien dat het zwartstreeplieveheersbeestje het hele land heeft veroverd."

Veelkleurig Aziatisch lieveheersbeestjeBeeld buitenbeeld
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden