Het leven op de Galatabrug gaat door

Geert Mak schreef in het Boekenweekgeschenk ’De brug’ over de Galatabrug in Istanbul, met zijn vissers, handelaren, loterijmeisjes en bedelaars. Trouw-correspondent Erdal Balci ging terug naar de brug en ontmoette er Ali, de zolenman uit het boek. Die is trots op ’De brug’.

Het is koud en winderig in Istanbul als Geert Mak afscheid komt nemen van zijn brug. Na er enkele maanden gebivakkeerd te hebben en onder zijn dagelijkse bewoners vrienden te hebben gemaakt, komt hij gedag zeggen. Maar zijn vrienden zijn er niet. Daarom fantaseert Mak over wat ze doen. Over Ali, de zolenman, schrijft hij: ’de zolenman droomt van een vrolijke maaltijd met al zijn kinderen.’

Vandaag is het niet zo koud in Istanbul en het waait ook niet zo hard. De tientallen hengelaars en de straatverkopers zijn er wel op deze zaterdagmiddag in maart. Het is druk op de Galatabrug. Mensen die waterpijp willen roken, vullen de cafés onder de brug. Duizenden voetgangers steken over van de ene kant van de zee-engte naar de andere. De tram rijdt de mensen van de moderne, oud-christelijke wijk naar de traditionelere buurt waar de moskeeën en de Aya Sophia staan.

Ook Ali de zolenman is er. Precies op de plek waar Geert Mak hem had achtergelaten, voor de dames-wc, met een lading schoenzolen die hij aan de schaarse voorbijgangers probeert te slijten.

Hij is geïnteresseerd in het boek van Mak dat ik hem laat zien. Hij bestudeert de passages waarin zijn naam voorkomt, lacht en zegt: „Wat voor taal is dit? Het komt zeker ook wel een keer in het Turks uit?”

Geert Mak schreef het Boekenweekgeschenk van 2007 over de historische Galatabrug in Istanbul. Die ligt bij het begin van de Gouden Hoorn, een zijrivier van de Bosporus, die Istanbul instroomt. De brug ligt precies tussen twee werelden en verbindt het noorden en het zuiden van het Europese deel van de stad. Op de heuvel (Taksim) in het noorden zijn de kerken en ambassades waar tijdens de Ottomaanse tijd de christenen woonden en waar de nieuwste mode uit Parijs werd gevolgd. Ten zuiden van de brug woonden de moslims met hun gesluierde vrouwen. Ze deden hun boodschappen in de oosterse bazaar en vervloekten het christelijke deel. Die wijk, Pera, noemden ze ’de wijk van de varkeneters’.

De brug is een plek waar ’geleefd’ wordt. Eronder zijn restaurants en cafés. Erboven hangen hengelaars elke dag over de reling. Illegale Afrikanen verkopen er nepparfum, Koerdische jongens brengen illegale sigaretten aan de man, er bedelen jongens die verslaafd zijn aan lijm. Kleine zaakjes in de tunnel bij het begin van de brug hebben voor elk wat wils en straatmuzikanten spelen er hun weinig indrukwekkende melodietjes.

Mak heeft met een paar van de ’mensen van de brug’ een vriendschap opgebouwd en hun verhalen aangehoord. De zolenman, de boekhandelaar, de sigarettenjongen en de oude sjouwer vertellen over hun leven. Ze vertellen daarmee ook het verhaal van de brug, het verhaal van Istanbul en eigenlijk ook dat van Turkije. Mak mixt de ontroerende verhalen van zijn personages met de ontroerende geschiedenis van de stad en het land.

Het ligt voor de hand om bij het verhaal over een land met veel kleuren uit te gaan van een brug die zo’n symbolische waarde heeft. Op die brug kruisen de wegen van de verschillende rassen, culturen, talen en nationaliteiten. Dit idee heeft de Joegoslavische schrijver Ivo Andric ooit de Nobelprijs opgeleverd. In zijn boek ’De Drinabrug’ uit 1945 schrijft hij over de brug die door de Ottomaanse overheerser wordt gebouwd en meteen een centrale plek inneemt in de levens van de verschillende culturen. De brug wordt een deel van het land, het bouwwerk dat als het ware een scheuring tussen de verschillende nationaliteiten en de religies voorkomt.

Geert Mak doet dat ook: de Galatabrug is het hart van Turkije. Een ’lelijk, betonnen geval’, maar het is de perfecte weerspiegeling van het land. Vanuit heel Turkije zijn hier mensen samengekomen om handel te drijven. Mensen die zich staande proberen te houden in die stad met meer dan tien miljoen inwoners. Sommigen lukt het om te overleven, anderen gooien de handdoek in de ring en keren terug naar hun dorp, zoals de familie van ünder, de Koerdische sigarettenjongen.

Toen het voorjaar was aangebroken, ging Mak terug naar de brug. Ali de zolenman stond er ditmaal wel. Hij maande Mak: „Zet je capuchon toch op, je vat nog kou, jongen!” Tegenwoordig heeft Ali nog steeds de oudbakken kameelkleurige jas aan die Mak in het boek beschreef. Nog steeds heeft hij last van zijn tanden die stuk voor stuk aan het verrotten zijn. En nog steeds heeft hij geen contact met zijn oudste zoon.

Ik zeg tegen hem dat de Nederlandse schrijver heeft geschreven dat de zolenman droomde van een vrolijke maaltijd met al zijn kinderen. „Ik heb laatst mijn oudste zoon opgebeld. Hij hing meteen op. Iemand die zoiets niet heeft meegemaakt, kan mij niet begrijpen. Maar ooit zal hij spijt hebben. Misschien als ik dood ben”, vertelt Ali.

Hij bestudeert nog eens de omslag van het boek. Hij is er heel blij mee en straalt. „Ik heb altijd gezegd dat mijn leven als een roman is. En kijk, het is daadwerkelijk een boek geworden”, vertelt hij. Hij wil thee bestellen, hij omhelst me en gaat weer de wc in om schoon te maken.

Het motregent. De voetgangers versnellen hun pas. De hengelaars doen of er niets aan de hand is. Er moet vis gevangen worden. De Bosporus moet hun gezinnen voeden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden