Het leven krijgt zin door wat je ermee doet

Huub van der Lubbe schreef met ’Guichelheil’ zijn derde dichtbundel. Het leven heeft volgens hem geen zin, maar hij gelooft er wel erg in: „Ik doe mijn best”.

’Kijk, daar staat ’ie. Tussen de wilde reseda, het vlasbekje en de schapenzuring.” Huub van der Lubbe wijst in de Amsterdamse Hortus Botanicus naar een klein, bijna onooglijk plantje. „Teer Guichelheil. Toen ik dat zag, wist ik meteen hoe mijn nieuwe dichtbundel moest heten. ’Guichel’ betekent goochelen, zinsbegoocheling. ’Heil’ staat voor heilzaam. Mooi toch?’

Van der Lubbe (57), zanger van De Dijk, schrijver van liedjes en poëzie, is kind aan huis bij de botanische tuin. Hij vindt er rust in de drukke stad. Kan er inspiratie opdoen.

Even verderop valt zijn oog op alruin, een geneeskrachtige plant die omringd wordt met magie. De legende vertelt dat de plant kreunt als je hem plukt of erop staat. Van der Lubbe vult aan: „Volgens mij werd van alruin gezegd dat het onder de galg groeide, uit het zaad van de gehangenen. Prachtig verhaal. Je ziet: de poëzie is hier erg aanwezig. Het groeit hier gewoon”.

Hij is gekleed in een vrolijk, tot op de draad versleten bloemenoverhemd en een groene spijkerbroek. We praten over ’Guichelheil’, zijn nieuwe bundel gedichten, liedteksten en vertalingen. Een bundel vol tegenstellingen: leven naast dood, angst naast vreugde en geluk. Het gaat over verleden en toekomst, over eenzaamheid en over liefde. Van der Lubbe is een bedachtzame prater. Laat veel stiltes vallen om na te denken over wat hij wil zeggen. Hij komt regelmatig terug op wat hij eerder heeft gezegd en vraagt zich voortdurend dingen af. Een gesprek aan de hand van zijn eigen teksten.

„Het schrijven van liedteksten en gedichten is niets anders dan me afvragen: wat is er aan de hand? Waar gaan deze regels over die ik zomaar heb opgeschreven? Zit er wat in? Daarmee wordt er bij mij een denkproces in gang gezet. Het scherpen van mijn pen scherpt ook mijn geest. Ik heb meestal niet zo mijn meningen over dingen paraat, maar als ik het opgeschreven heb, is dat het. Ja hoor, ik sta mijzelf toe om erop terug te komen. Zangers hoeven totaal niet consequent te zijn, vind ik. Ik zou heel hard iets kunnen verkondigen in het ene lied en in een ander lied het tegenovergestelde. En dan denk ik ook nog dat het allebei tegelijkertijd waar moet kunnen zijn.”

„De zin van het leven? In ieder mens schuilt de ongelooflijke oerkracht dat je het leven als een geschenk aanvaardt. Dat denk ik, maar dat kan ook mijn westerse, verwende kijk op de dingen zijn. Ík beschouw het in ieder geval wel als een wonder en een geschenk. Maar zin heeft het leven niet. Ik ben van katholieke huize, maar die kerk kon het ook al niet vertalen in aardse termen. Zij had er een hemel voor nodig. Ik denk dat het eerder in de hoek van de liefde zit. Want ik geloof wel heel erg in het leven zelf. En dat het zo ontzettend mooi kan zijn. Daar werk je met zijn allen aan en je kunt het net zo mooi of verschrikkelijk maken als je zelf wilt.

„Ik probeer voor mezelf vol te houden dat mensen het beste willen. Aan de andere kant: als dat zo was, zou de wereld er toch anders uitzien. Misschien is het wel mijn luxe positie. Ik ken alleen maar leuke mensen. Waarschijnlijk ben ik gewoon naïef. En door mijn vak kan die naïviteit ook botvieren.”

„Ik weet nog dat ik veertien, vijftien was. We hadden een feestje op school, op zondagavond. Ik was de jongste die had meegedaan aan het toneelstuk ’De ingebeelde zieke’ van Molière. Ik weet nog dat ik het hartstikke stoer vond, een feestje met vooral oudere leerlingen. Daar had ik me echt op verheugd. Ik erheen. Vlak buiten Krommenie stond een Caltex benzinepomp en toen ik daarlangs fietste... Ik weet niet wat er was, maar ik werd ineens zo bevangen door de blues. Dat was voor het eerst van mijn leven, dus ik wist niet wat me overkwam! Ik dacht ineens: waar is het allemaal om? Want straks, aan het eind van de avond, is het feest weer geweest en fiets ik naar huis. En morgen moet ik weer naar school.

„Ik was perplex dat ik niet alleen maar euforisch was voor wat er ging komen, dat feest, maar dat ik ook al het einde zag. Vervolgens heb ik dat niet meer op mezelf betrokken. Van mijn vijftiende tot mijn dertigste wist ik wel dat zoiets als dood of einde bestond, maar dat kwam gewoon niet bij ons voor. Ik dacht echt dat ik onsterfelijk was: niet doodgaan en jong blijven natuurlijk.”

„Je hebt een sterfgeval in je onmiddellijke omgeving nodig om je te realiseren: o, wacht even, dit is wel een hele idiote gedachte dat het ’bij ons’ niet zou voorkomen, de dood. Dus zeg je: oké, goed, héél af en toe. Van mijn dertigste tot mijn vijftigste zat ik in die fase. Nu ben ik 57 en is het gelukkig nog geen fact of life, hoewel het wel vaker voorkomt. Dan is het toch niet zo heel verwonderlijk dat je op een gegeven moment constateert: ja, het gaat mij ook gebeuren. Het gaat ons allemaal gebeuren. Dus ik verzet me er niet langer tegen.

„Ik denk er wel over na. Ik wil kijken naar wat het eventueel voor consequenties heeft. Voor hoe ik nu leef. Ik wil niet als ik dood ga, denken: ik heb nog niet dit... ik heb nog niet dat... Dan had ik dat moeten doen. Dus nu denk ik: wat zou ik nog graag willen meemaken, zien, doen? Het gaat toch vooral om doen.”

„Dit gedicht is natuurlijk niet geschreven toen het zo geweldig ging, maar in een periode waarin ik in grote spanning zat. Ineens realiseerde ik me: wat heb ik al die tijd gedaan dat er niks aan de hand was?! Dan stond ik gewoon op en leefde mijn leven. Je raakt verstrikt in sleur, maar je moet je hoofd daar zo aan zien te laten ontsnappen dat je momenten koestert. Met frisse ogen kunt blijven kijken: dit is mooi, dat ook.

„Het leven heeft uit zichzelf geen zin, daar ben ik van overtuigd, maar het krijgt zin door wat je ermee doet. Je kunt elkaar mooie momenten geven, dat is toch niet niks? Alleen, ja, die kun je niet vasthouden. Dat is het geweldige van kinderen krijgen. Je kunt de liefde niet vasthouden, want dat is ook een kwestie van momenten, alleen kinderen blijven bestaan. Die zijn manifestaties van die liefde.”

„Mezelf beschrijven? Dat kan ik niet. Dit kan ik erover zeggen: ik doe mijn best. Ja, en je tobt wat af. De blues hebben, is niet onplezierig. En iemand moet toch tobben voor ons allemaal? Ik beschouw het als een zegen dat ik liedjesschrijver ben. En dichter, zo je wilt. Dat betekent dat het getob ergens toe leidt. Het is mijn bestaan geworden en daarmee is het tobben opgeheven. Ik leef ervan. Ja, ik ben er ook trots op, al vind ik trots een moeilijk woord. Ik voel me er gelukkig mee. Het tobben is omgezet in een soort plezier. Het traditionele tranendal blijft, maar voor even is het getransformeerd in iets waar kwaliteit in zit, schoonheid, emotie. Ik heb er een vorm aan gegeven waardoor het overdraagbaar is.”

„Wat er nog op mijn verlanglijstje staat om te doen? Tja...” Van der Lubbe denkt lang na. „Daar ben ik over aan het nadenken en dat laat ik even zo. Kijk, midvoor van het Nederlands elftal zal ik niet meer worden en ik hoef niet naar de maan. Maar een flink reis misschien? Een vriend van mij, Jan Willem, zit nu weer in Iran. Hij wil mij mee hebben, de volgende keer dat hij gaat. Hij komt daar alleen maar ongelooflijk aardige mensen tegen en hij wordt allerwegen geholpen. Een totaal ander beeld dan de godsdienstwaanzinnigen die wij vaak te zien krijgen. Dat is óók waar, maar het is anders als je er, zoals hij, middenin zit.

„Ik wil graag mee hoor, maar... Tot nu toe had ik het te druk. Op een zeker moment is tijd geen argument meer. Tijd krijg je nooit, die moet je maken. Als je het niet wilt missen, moet je er nu aan beginnen. Dat ga ik doen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden