Het lekkere gevoel dat jij het complot wél doorziet

Wat kunnen denkers zeggen over het nieuws? Tweewekelijks spreekt Trouws filosofisch elftal zich uit. Vandaag: Veel Amerikanen geloven dat Bush achter de 9/11-aanslagen zat. Ook een groeiend aantal Europeanen twijfelt. Wat maakt complottheorieën zo aantrekkelijk?

Complotten hebben iets religieus, vindt Pieter Pekelharing, docent sociale en politieke filosofie aan de Universiteit van Amsterdam. „Zij worden bedacht door mensen die weigeren te geloven dat sommige dingen gewoon kunnen gebeuren. Het lot kan het leven bepalen, zonder dat er hogere machten voor verantwoordelijk zijn.’’

Het geloof in goden noemt Pekelharing een ’complottheorie avant la lettre’. „De moderniteit heeft ons geleerd dat natuurverschijnselen met behulp van natuurwetten verklaard kunnen worden, met blinde ketenen van oorzaak en gevolg, zonder goede of slechte bedoelingen. Dat is ontzettend moeilijk te accepteren.’’

Dat maakt een complottheorie aantrekkelijk. Pekelharing: „Vroeger was God almachtig, nu Bush. Stel je voor dat hij echt achter de aanslagen zit, wat voor enorme organisatiegraad was ervoor nodig om al die gebouwen te ondermijnen, vliegtuigkapers te organiseren, en dat allemaal geheim te houden? Wie zulke beschuldigingen uit, neemt een geweldige bewijslast op zich. Maar daar trekken de complotdenkers zich weinig van aan. Hoe meer complotten, hoe fantastischer de werkelijkheid. Het is een vorm van primitief denken, waarin er voor wetenschap geen plaats is.”

Ger Groot, docent wijsgerige antropologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, ziet juist veel overeenkomsten tussen de moderne wetenschap en het complottengeloof. „De complottheorie is in zekere zin het hoogtepunt van wetenschappelijke rationaliteit, want ze schaft het irrationele toeval af. Alles is verklaarbaar, zonder een grijze zone die zich aan de verklaarbaarheid onttrekt. Dit is ook het wetenschapsideaal: een theorie die alles kan verklaren.”

Complottheorieën en wetenschappen hebben nog iets gemeen, zegt Groot: wantrouwen. „Het gaat beide om ontmaskering, om achter de schijn het zijn te ontdekken, een wetenschappelijke ambitie die Plato al had. De sluier moet van de werkelijkheid worden weggetrokken.”

Pekelharing: „De Verlichting is juist een poging geweest om ons aan complottheorieën te ontworstelen, om wetenschappelijk onderzoek te doen, zodat we niet zijn overgeleverd aan de goden, maar zelf – gedeeltelijk – het lot in handen nemen. Complottheorieën vooronderstellen almachtige en kwaadaardige krachten en onderstrepen onze machteloosheid. Bovendien toets je in de wetenschap opvattingen, ze moeten te weerleggen zijn. Complottheorieën zijn onweerlegbaar. En wie ze weerlegt, zit zelf in het complot.’’

Groot: „Is Freuds theorie een complottheorie? Die valt niet te weerleggen. We moeten eerst weten: Wat ís een complot? Het is een geslaagde poging van mensen om een werkelijkheid te scheppen die anders lijkt dan die is. Zulke complotten bestaan. Van de gebeurtenissen op 9/11 kan op een gegeven moment best blijken dat het werkelijke verhaal toch anders is. Sommige vragen die nu gesteld worden, lenen zich prima voor wetenschappelijk onderzoek. Waarom stortte een van de gebouwen zo merkwaardig in? Zo’n vraag kun je onderzoeken en zo’n vraag kun je ook weerleggen.’’

Volgens Groot zit het mooie van een ’doorgrond’ complot in „het idee dat je slimmer bent dan de anderen, dat je door de schone schijn heen ziet, terwijl anderen erin trappen”.

Er zit één groot verschil tussen wetenschap en complottheorie, zegt Groot. „Het probleem van de complottheorie is dat die, na bepaalde vragen gesteld te hebben, onmiddellijk een sprong maakt naar de conclusie. Echte wetenschap is geduldiger, en geeft toe dat ze altijd meer vragen oproept dan ze oplost.’’

Pekelharing ziet in de complottheorie ’een zoektocht naar zondebokken’. „Het is wel zo makkelijk als je kunt geloven dat alles de schuld is van de Joden en de Amerikanen. Op internet circuleerde snel na de aanslagen het gerucht dat er geen Joden in de Twin Towers aanwezig waren geweest.’’ Groot: „Vaak zijn complottheorieën onzin, maar dat betekent niet dat er helemaal geen complotten bestaan.’’

Waar Pekelharing zich bij het complotdenken zorgen maakt over ’de terugkeer van het primitieve denken’, is Groot eerder bang voor ’het doorgeslagen wantrouwen van de moderniteit’.

Groot: „Dat in de moderniteit niets meer zo is als het lijkt, is vooral een probleem voor de moraal. Het goede lijkt slechts goed, maar in werkelijkheid, zo luidt de typische moderne gedachtegang, ligt er cynisch eigenbelang aan ten grondslag. In het goede geloven, wordt door deze manier van denken onmiddellijk als naïef weggezet. Dit triomferende wantrouwen van de moderniteit, deze onstilbare behoefte aan ontmaskering, laat uiteindelijk geen ruimte voor goede bedoelingen. De drie moderne meesters van het wantrouwen, Marx, Nietzsche, Freud, hebben ons wat dat betreft met een probleem opgezadeld. Marx liet zien dat de economische orde die het beste is voor allen de daadwerkelijke uitbuiting verhult. Nietzsche toonde ons dat achter de moraal eigenlijk alleen de wil tot macht zit. En Freud bracht de liefde terug tot de lust. De moderne wetenschap maakt als een vorm van geïnstitutionaliseerd wantrouwen zo misschien meer kapot dan ons lief is. De opmars van de complottheorieën is daar een symptoom van.’’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden