Essay

Het leeggeslingerde midden

Beeld Colourbox

Open de wasmachine en je ziet wat een centrifuge doet: alles is naar de randen geslingerd. De politiek is zo'n centrifuge: het midden wordt leger, de partijen aan de randen groeien. Is dat erg?

De partijen in het midden worden de laatste jaren kleiner, aan de flanken - de SP, de PVV - groeien ze. De Nederlandse politiek lijkt daarmee op een centrifuge. En hoewel Nederland een stabiele democratie is, weten we dat zulke centrifugale krachten een land in problemen kunnen brengen. Dat gebeurde eerder in Frankrijk, Italië en Duitsland.

Duitsland van Hitler
Middelpuntvliedende krachten waren in Duitsland aan het werk in de aanloop naar 1933, het jaar dat Hitler aan de macht kwam. In Nederland zijn nu geen nazi's, en is er geen Hitler te bekennen. Toch kan een vergelijking nuttig zijn, zolang we het woord 'vergelijken' onderscheiden van 'gelijkstellen met'. Vergelijken is: kijken of iets hetzelfde is. Dan zie je een essentieel verschil én een overeenkomst.

Wat overeenkomt, is dat het moeilijker wordt om coalities te vormen. Zo kent Nederland nu tijdelijk een Kunduz-coalitie, die bestaat uit partijen als GroenLinks en VVD. Menig kiezer had nooit gedacht dat die twee elkaar nog eens zouden vinden. Maar in het slinkende midden zijn nu eenmaal steeds meer partijen nodig om een meerderheid te vormen.

Aan weerszijden van dat midden vinden we de oppositie: een op links, een op rechts. Het moeizame midden, het midden dat compromissen sluit en verantwoordelijkheid neemt, tegenover twee flanken die oppositie voeren en duidelijk laten merken waar ze tegen zijn: dat is de centrifugale democratie.

Gekozen ondergang
In Duitsland regeerde het midden destijds ook moeizaam, waarbij de partijen ter uiterste rechter- en linkerzijde geleidelijk aan kiezers wonnen. Toen er een economische depressie bij kwam, bleek het midden niet meer in staat tot regeren.

Kiezers werden bozer, het midden versmalde, coalities werden onmogelijk, waardoor het beleid zwakker en de oplossingen ontoereikender werden, de kiezers nog bozer, het midden weer zwakker en de crisis dus erger.

Toen de centrifuge klaar was met draaien, was de democratie dood. Alleen aan de randen zat nog leven, bij de communisten en de nazi's. Twee partijen die ieder voor zich van plan waren de democratie af te schaffen en de ander uit te roeien zodra ze de macht zouden krijgen.

De nazi's wonnen en kwamen - op democratische wijze - aan de macht. Sindsdien weten we: democratieën kunnen ten onder gaan, kiezers kunnen de ondergang kiezen.

Frankrijk en Italië
Er zijn meer politieke centrifuges geweest. Frankrijk in de jaren vijftig: een grote communistische partij op links, op rechts een oppositie van de oorlogsheld generaal De Gaulle. Moeizame coalities in het midden leverden regeringen op die gemiddeld om het halfjaar vielen.

Het eindigde met een ingreep van De Gaulle, die een nieuwe republiek oprichtte rond zijn eigen persoon. Frankrijk bleef een democratie, maar met een getemd parlement en een oppermachtige president.

Italië kende eveneens lange tijd een democratie met middelpuntvliedende krachten. En ook deze centrifuge stemde niet vrolijk, met neofascisten op rechts en communisten op links die niet meeregeerden, en een moeizaam voortmodderend midden rond de regerende christen-democraten.

Door permanent aan de macht te blijven verloor de christen-democratische partij aan idealen wat ze aan berekening won. Het eindigde toen de corruptie zo groot werd dat de kiezers in opstand kwamen.

Wie regeert?

Maar was alleen het politieke midden schuldig aan de corruptie, was alles te wijten aan de christen-democraten, of lag het ook aan de omstandigheid dat de flanken zo radicaal waren dat het midden eeuwig moest regeren?

Want dat is het probleem met centrifugale democratieën: wie moet er in vredesnaam regeren? Ze kunnen heel goed zichtbaar maken hoe divers de voorkeuren van de kiezers zijn, hoe verrassend radicaal hun dromen, en hoe oneindig de menselijke fantasieën. Minder goed is een centrifugale democratie erin om zichtbaar te maken wie morgen branden blust, lerarensalarissen uitbetaalt en belastingen int. Kortom, wie er morgen kan regeren.

Sterker nog: terwijl in een centrifugale democratie de partijen op de flanken trots kunnen opmerken dat zij geen vuile handen maken, lopen de verantwoordelijken in het midden het risico met hoon te worden overladen.

Onmogelijke positie
Kijk naar het CDA. Als het met de PVV regeert, verloochent deze partij haar principes. Regeert ze niet meer met de PVV en stoft ze haar principes af, dan is het CDA aan het draaien. De vraag is of de politici in het midden daar nog veel aan kunnen veranderen. De middelpuntvliedende krachten zijn zo sterk dat zelfs de slimste politicus in het midden wordt verscheurd.

Misschien had minister Spies, toen zij een boerkaverbod eerst 'van onvoorstelbaar groot belang' noemde en later toch niet zo'n goed idee vond, haar draai iets eleganter kunnen maken. Maar wat had dat uitgemaakt? Is het niet de positie in het midden die onmogelijk wordt?

Zo draait het systeem door. De flanken profileren zich. En het midden raakt gecompromitteerd.

Nog ingewikkelder coalities
Blij en opgelucht zijn veel kiezers nu de gedoogconstructie met de PVV voorbij is. Zal dat gevoel van opluchting aanhouden? Vijf partijen werken samen, met het risico van kiezersverlies aan de randen.

Stel dat de komende maanden tot de VVD-kiezers doordringt dat het bejubelde begrotingsakkoord vooral uit belastingverhoging bestaat, dan kan een deel overlopen naar de PVV. Of dat GroenLinksers de bezuinigingen te rechts vinden.

Dan gaat de centrifuge weer aan. Het midden moet nog ingewikkelder coalities sluiten, de kiezers herkennen de partijen niet meer, de oplossingen worden zwakker, de kiezers ontevredener, de flanken sterker.

Twee oplossingen zijn dan denkbaar. De eerste is: verander de regels zodat er een sterkere regering komt.

Verander de regels bijvoorbeeld op zijn Grieks: de grootste partij krijgt vijftig zetels extra, als bonus om de regeerbaarheid van het land te vergroten. Blijkt in de praktijk niet echt te werken. Verander de regels dan op zijn Duits: voer een kiesdrempel in, zodat een partij pas zetels wint als ze meer dan vijf procent van de stemmen krijgt (of tien, zoals in Turkije).

Of verander de regels op zijn Brits: vorm kiesdistricten en kies per kiesdistrict één parlementslid. Alleen grote partijen of partijen die in een bepaalde regio sterk zijn zullen nog kans maken op zetels. De keus die de burger heeft, wordt erg klein, maar hij stuurt wel een duidelijke regeringsmeerderheid naar het parlement. In plaats van een kakofonie kiest de kiezer een regering.

Ideologische verdeeldheid
Maar deze oplossing overtuigt niet. Want doen de regels er eigenlijk wel toe? In de Verenigde Staten is het hele bestel erop gericht meerderheden te vormen, het land kent slechts twee grote partijen, maar de ideologische verdeeldheid onder de burgers is er enorm groot.

Omgekeerd is Nederland, met zijn versplinterde partijenstelsel, 45 jaar na de polarisatie door nieuw links en tien jaar na de polarisatie door nieuw rechts, een toonbeeld van gematigdheid. Weliswaar is de PVV een moeilijk voorspelbare partij, een partij zoals we die niet kenden, maar de democratie houdt ze in ere. De SP is misschien een wonderlijke partij met een nog wonderlijker verleden, maar de democratie zal deze partij niet afschaffen.

Geruststellend is ook dat niemand meer weet wat nu eigenlijk links is en wat rechts. In Duitsland anno 1933 stonden blokken mensen, links en rechts, tegenover elkaar die niets meer met elkaar gemeen hadden, behalve de taal.

In Nederland vind je mensen die boerka's willen verbieden onder links en onder rechts, tegenstanders van marktwerking zowel bij de PVV als bij de SP, en veel van de nieuw-rechtse opinieleiders van nu waren ooit links - Pim Fortuyn was daarin bepaald niet de enige. Maar waar links en rechts zo door elkaar lopen, komen mensen elkaar ook weer tegen. Dat matigt de centrifugale krachten.

Nederland heeft dus wel te maken met krachten die het midden van het partijbestel leger maken en de randen sterker, maar zelfs aan de randen blijven de kiezers vrij gematigd. De kloof tussen rechts en links is hier niet zo extreem groot dat mensen die op de flanken stemmen de democratie willen afschaffen, of de mensenrechten, of de vrije markt, om er iets heel nieuws voor in de plaats te bouwen.

Repressieve tolerantie
De andere oplossing zoekt het niet in andere regels, maar in deze onderliggende waarden. Beslissend is niet het kiesstelsel, beslissend is hoe groot de polarisatie is.

In Nederland wordt de consensus vaak hersteld, de polarisatie bestreden door de uitdagers mee te laten doen, met andere woorden: door repressieve tolerantie. Staat er een groep op die de macht uitdaagt, dan wordt deze niet bestreden, zoals in Duitsland, Frankrijk of Amerika. Integendeel, in Nederland krijgt de uitdager subsidie en inspraak.

Zo waren in de jaren zeventig Nederlandse linkse jongeren minstens zo radicaal als in andere westerse landen, maar terreur en bommen hebben we hier, anders dan in Duitsland en Italië, nauwelijks meegemaakt. Integendeel, in verkiezingstijd hing in menig huis beneden in de woonkamer een VVD-poster achter het raam, en boven, op het zolderkamertje, een poster van de radicale PSP.

Ook de opstand die dertig jaar later kwam, werd op die manier ingetoomd. CDA-leider Balkenende zette de Lijst Pim Fortuyn (LPF) onmiddellijk op het pluche. De prijs die de nieuwe premier betaalde, was dat zijn eerste coalitie al na een paar maanden viel.

Die was veroorzaakt door verdeeldheid binnen de LPF. Balkenende's beloning was dat de LPF de volgende verkiezingen verloor en de kiezers van hun radicale voorkeur terugkwamen.

Niets is zo louterend als het pluche van de verantwoordelijkheid. Even kende Nederland weer middelpuntzoekende krachten.

Medeverantwoordelijk
Op dezelfde wijze hebben Mark Rutte en Maxime Verhagen, door de VVD-CDA-regering te laten gedogen door de PVV, de partij van Wilders medeverantwoordelijk gemaakt. Heeft dat gewerkt?

Wellicht wel; een jaar geleden leek het een mogelijkheid dat de PVV de grootste partij van het land zou worden. Nu lijkt eerder de SP de partij op de flank die de partijen in het midden uitdaagt, en mag de PVV hooguit hopen op een positie als een van de grotere partijen.

Als Rutte en Verhagen de PVV echt ministerzetels hadden gegeven, had het inkapselen misschien nog beter gewerkt - Fleur Agema als minister van volksgezondheid was vermoedelijk het leerzaamste experiment in de Nederlandse politieke geschiedenis geworden.

Maar ook de minder vergaande constructie waarbij de partij op de flank de regering van twee middenpartijen gedoogde heeft gewerkt: Geert Wilders kan nooit meer zo radicaal zijn als hij was. Hij belooft wel dat we op ons 65ste met AOW mogen, maar iedereen weet dat hij anderhalf jaar geleden aan één nacht slapen genoeg had om dit 'breekpunt' op te geven.

Het midden heeft de flanken een klein beetje, en voorlopig alleen op rechts, maar toch: ingetoomd. Een vergelijkbare omgang kan in de toekomst met de SP worden gezocht als die partij verder groeit.

Toch zegt niemand: Verhagen, bedankt. Bedankt dat je, door die gedoogconstructie, de groei van de rechterflank hebt afgeremd. Niemand die zegt: Rutte, goed gedaan. Goed dat je de Haagse centrifuge even hebt uitgezet.

Vertrouwen in de democratie
Regeren met een partij op de flank, waarbij je een echt rechtse of straks misschien voor het eerst een echt linkse regering krijgt, is polariserend. Logisch dat mensen die van matiging houden er niet zo blij mee zijn. Maar het past in de Nederlandse traditie om rebellen mee te laten doen.

De alternatieven zijn evenmin aantrekkelijk. De regels van het bestel wijzigen, zoals D66 vaak voorstelde, is al veertig jaar niet gelukt en het blijkt polarisatie niet altijd te voorkomen. En een regering door het midden zal de centrifugale krachten versterken.

De centrifuge maakt regeren lastiger. Maar het radicale stemmen hoeft niet te wijzen op een afkeer van de democratie, integendeel. Wie destijds in Duitsland extreem stemde, liep te hoop tegen de laatste restanten van een democratie.

In Nederland zou goed het omgekeerde kunnen spelen: het vertrouwen in de democratie is zo groot dat kiezers een gokje wagen. Als je erop vertrouwt dat anderen wel zorgen voor een regering, kun je zelf een radicaler hokje aankruisen om wat bij te sturen, voor de dieren of tegen de buitenlanders, voor God of tegen euthanasie.

De stem op een uitgesproken partij is dan geen teken van wantrouwen, maar een poging tot maximale invloed van een kiezer die erop vertrouwt dat het land toch wel wordt geregeerd.

Uiteindelijk is het de kiezer die kiest en bepaalt of de middelpuntvliedende krachten verder worden opgezwiept. De was wordt er lekker droog van, dat weten we zeker. Of het de politiek goed doet, is de vraag. Maar democratie is ook: collectief leren.

Gerbert van Loenen is politicoloog en adjunct-hoofdredacteur van Trouw. In 2009 verscheen zijn boek 'Hij had beter dood kunnen zijn. Oordelen over andermans leven'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden