Het leed achter de littekens

Kunstwerken uit het project 'Met mij alles goed', waaronder rechts het levensgrote bureau van Sanna Martha. Het project licht hulpverleners voor over zelfbeschadiging. (FOTO'S RENÿ PUT)

Hulpverleners in de psychiatrie weten niet goed hoe ze om moeten gaan met cliënten die zichzelf verwonden. Een kunstproject en een training door ervaringsdeskundigen benoemt de zwakke plekken in de hulpverlening. Straf en boosheid moeten plaatsmaken voor belangstelling en begrip.

’Op mijn zesde beet en kneep ik mezelf al”, vertelt Marcia Kroes (40). „Mijn vader was gewelddadig. Ik leerde al snel dat ik niet moest opvallen. Mijn tranen binnenhouden, anders zou ik ervan langs krijgen. Toen ik ouder was, ging ik snijden. Ik kerfde in mezelf met punaises of stukjes glas. Branden deed ik ook wel, dat begon met de strijkbout. Zolang ik pijn in mijn armen had, had ik geen geestelijke pijn.”

Kroes is ervaringsdeskundige in het project ’Met mij alles goed’. Het project reist langs tien ggz-instellingen en licht hulpverleners voor over zelfbeschadiging. Nu is zelfbeschadiging nog een enorm taboe. En reageren op cliënten die zichzelf verwonden vinden veel behandelaars erg lastig.

Kroes kan erover meepraten. „Ik heb vaak hulp proberen te zoeken, al sinds mijn twaalfde. Waar ik ook kwam, bij maatschappelijk werkers of psychologen, ik proefde onvermogen, op het wanhopige af. Ze wisten niet hoe ze me moesten helpen. Ik mocht nooit vertellen wat ik had meegemaakt, want praten zou een terugval veroorzaken. Terwijl ik mijn verhaal juist zo graag kwijt wilde.”

Hulpverleners slaan de plank vaak faliekant mis, zegt ook Sonja Nijon, initiatiefnemer van het project. Niet uit onwil, maar ze weten gewoon niet wat ze met zelfbeschadiging aan moeten. Dat leidt tot een grote kloof tussen waar cliënten behoefte aan hebben en wat hulpverleners hun bieden.

Nijon: „Vaak wordt er gewerkt met een contract. Daarin staat dat je alleen hulp krijgt als je niet meer in jezelf snijdt. Maar zoiets werkt averechts. Je kunt niet stoppen met snijden aan het begin van een therapie, want dan is de oorzaak ervan nog niet weggenomen. Cliënten willen toch graag aan het contract voldoen, en dat voert de spanning op. De enige uitweg die cliënten kennen uit een gespannen situatie, is zichzelf beschadigen.”

Een andere methode die slecht werkt, is de time-outregeling: wie opgenomen is in een zorginstelling en zichzelf toch beschadigt, moet een tijdje weg. „Maar mensen die zijn opgenomen weten niet waar ze naartoe moeten, ze raken aan lager wal. Het zou beter zijn om terugval te gedogen”, zegt Nijon.

In ggz-instellingen komt 90 procent van de hulpverleners in aanraking met mensen die zichzelf verwonden – maar daarvan is slechts 18 procent op de hoogte van zelfbeschadiging door de cliënt. „Dat komt gedeeltelijk doordat behandelaars niet snel naar zelfbeschadiging vragen”, verklaart Suzanne de Klerk. Ze doet als psycholoog onderzoek naar zelfbeschadiging en is niet verbonden aan ’Met mij alles goed’. „Cliënten worden altijd behandeld voor klachten als depressie of een borderline persoonlijkheidsstoornis. De diagnose zelfbeschadiging bestaat niet. Zelfbeschadiging wordt behandeld als bijkomende klacht, of men verwacht dat de cliënt er vanzelf mee stopt als de onderliggende aandoening wordt behandeld.”

En nergens staat omschreven hoe er hulp moet worden gegeven. De Klerk: „Er bestaan doorgaans geen richtlijnen. Als je in de gaten krijgt dat een kennis zichzelf beschadigd, vermijd je ook ernaar te vragen. Hulpverleners reageren precies hetzelfde. Zolang je er niet over praat, bestaat het niet en hoef je het ook niet op te lossen.”

Ook Tanja de Waal, die in haar werk als psychotherapeut met zelfbeschadiging te maken krijgt, erkent dat het een moeilijk probleem is. „De meeste hulpverleners kunnen maar moeilijk begrijpen dat het functioneel kan zijn om met je hoofd tegen de muur te bonken. Maar cliënten kunnen zichzelf niet op een andere manier troosten, omdat ze nooit getroost zijn. En zelfbeschadiging is een verslaving. Het lichaam maakt endorfine aan, het snijden werkt verdovend.”

Het moge duidelijk zijn: zelfbeschadiging is een lastige kwestie. Maar de hamvraag is natuurlijk: hoe moeten hulpverleners er wél mee omgaan? Kroes, Nijon, De Klerk en De Waal geven vergelijkbare antwoorden. Zelfbeschadiging moet vooral bespreekbaar worden. Het moet niet worden genegeerd. En ook niet worden bestraft of veroordeeld. Een luisterend oor en warme aandacht – daarmee kom je het verst.

Dat is nou net de aanpak die het project ’Met mij alles goed’ voor ogen staat. In het project werkt de Landelijke Stichting Zelfbeschadiging samen met hogeschool InHolland, waar verpleegkundigen in de geestelijke gezondheidszorg (ggz) worden opgeleid. Het project bestaat uit een kunsttentoonstelling in ggz-instellingen, en een aansluitende training.

Het kunstproject is een idee van Sonja Nijon. Ze was op zoek naar een manier om voet aan de grond te krijgen in de geestelijke zorg. Want voor de Landelijke Stichting Zelfbeschadiging, waaraan Nijon is verbonden, was het niet gemakkelijk om binnen te komen in de instellingen. Die zitten immers niet altijd op kritiek van cliënten te wachten.

Nijon wilde de taal van kunst gebruiken om de dialoog tussen cliënten en behandelaars op gang te brengen. „Kunst kan een gesprek over gevoelens losmaken. Over doodsangst, machteloosheid, paniek, maar zonder dat het meteen heel persoonlijk wordt. Denk maar aan ’De Schreeuw’ van Munch. Dat schilderij hang je echt niet boven je bank, maar iedereen voelt de paniek die eruit spreekt. Cliënt en hulpverlener kunnen over machteloosheid praten zonder te zeggen: wat voel jij je machteloos hè. Ze kunnen samen nieuw terrein verkennen, en staan zo op gelijke voet.”

Als de kunst één, twee maanden in een ggz-instelling heeft gestaan, volgt een training voor hulpverleners. Samen met iemand van hogeschool InHolland ontwikkelde Marcia Kroes die training. Haar les: de hulp na zelfbeschadiging kan worden verbeterd door warme, liefdevolle, oprechte aandacht van de hulpverleners. „De nadruk moet niet liggen op stoppen. Mensen hebben nooit geleerd zich op een andere manier te uiten, ze kunnen niet over gevoelens praten. Ze moeten leren dat ze ertoe doen. In een gesprek met een cliënt moet het gaan over wat er achter zelfbeschadiging zit.”

Een ander sleutelwoord is volgens Kroes normalisatie. „Als iemand ineens een verband om zijn vingers heeft, is het het beste om ’m gewoon te vragen wat hij heeft gedaan. Benoem wat je moeilijk vindt, maar blijf vragen stellen, op een respectvolle toon. Jonge meiden die zichzelf beschadigen vinden het moeilijk om te benoemen wat ze zien, denken, voelen – het helpt als een hulpverlener het goede voorbeeld geeft.”

De kunst en de training lijken hulpverleners inderdaad de ogen te openen, al bevindt ’Met mij alles goed’ zich pas op de derde locatie. De mooiste reactie kreeg Nijon van een hulpverlener die bekende: nu besef ik pas dat ik mijn cliënt eenzamer heb gemaakt.

De raad die wordt gegeven tijdens het project kan niet alleen ggz-instellingen, maar ook huisartsenposten en de Eerste Hulp in het ziekenhuis van pas komen. Suzanne de Klerk: „Veel zelfbeschadigers mijden het ziekenhuis, omdat ze daar naar worden behandeld. Op internet staat ook hoe je jezelf moet hechten, dus gaan ze thuis aan de slag. Andere artsen reageren juist weer zo lief dat iemand steeds blijft terugkomen.”

In instellingen zou het volgens De Klerk helpen om een centraal aanspreekpunt aan te stellen. „En het zou goed zijn als zelfbeschadiging geaccepteerd zou worden als aandoening. Nu is de behandeling altijd op problematiek naast zelfbeschadiging gericht. Het zou een op zichzelf staande diagnose moeten zijn.”

(Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden