Opinie

Het late middaguur is het mooist

(Marco Hofsté) Beeld
(Marco Hofsté)

Letter & Geest vraagt deze zomer auteurs om hun toevluchtsoord te bezoeken: ver weg of dichtbij, in het heden of uit het verleden, ideaal of noodzakelijk, binnen of buiten, kortom: een locatie die bijzondere associaties oproept. Vandaag: Arjan Visser.

Het is een strook van een dikke meter breed en iets meer dan vijf meter lang. Drie hoog, redelijk op het zuiden. Aan de balustrade bungelen rekjes met bloempotten – waarin soms, in de verkoekte potgrond, per ongeluk nog iets bloeit – en een netje met een paar oude pinda’s die door kieskeurige merels zijn achtergelaten. Het onderste gedeelte van het hek is afgeschermd met fijnmazig kippengaas. Dat hangt er omdat mijn jongste, als peuter, lege bierpijpjes tussen de spijlen door stak en naar beneden liet vallen.

In die jaren hadden we nog een werkster die in West, waar we eerder woonden, beter op haar plaats leek. W kon in het keurige Zuid niet wennen. Toen de benedenburen haar, door streng naar boven te kijken, ertoe wilden bewegen haar uitgedrukte peuken niet langer naar beneden te schieten, riep ze nijdig: „Heb ik wat van je an soms?” Ik hoorde haar ook eens vloeken in de huiskamer. „Weet je wat jíj doet, schijtluis?”, schreeuwde ze in de hoorn, „je bekijkt het maar!” Bezorgd vroeg ik haar even later met wie ze toch zo’n ruzie had gemaakt. O, zei W, terwijl ze haar schouders optrok en de stofdoek weer ter hand nam, „de Belastingdienst”.

Ze nam na een jaar Zuid alsnog ontslag om voor haar gebrekkige moeder te gaan zorgen. Alsof ze vermoedde dat wij haar niet geloofden, kwam ze op een dag met het bejaarde bewijsmateriaal in een rolstoelfiets van Slotervaart naar de Rivierenbuurt gereden. Ze nam hier een flinke slok uit een plastic drie liter pak halfvolle melk, een hap uit een roze koek (alles over de datum en bij Aldi aangeschaft) en fietste het hele eind met de zwijgende oude vrouw weer terug naar huis.

Op het balkon staat nog altijd de emmer, met bijbehorende handige dweil aan een stokje, die we ooit op haar aanraden hebben aangeschaft.

De zon komt in de mooie maanden zo rond tienen. In het weekend zet ik mijn krukje ’s ochtends al naast de keukendeur. Ik drink koffie verkeerd en ik lees de ochtendkranten. Hoeveel rampspoed er ook in het nieuws is: in het zonlicht kan ik moeilijk somber worden. Misschien komt het doordat mijn brein handig om de slechte berichten heen laveert.

Een paar uur later, als de boodschappen zijn gedaan en de zon een eind is opgeschoven, lees ik een roman en denk ik aan het boek dat ik zelf ga schrijven. In mijn werkkamer, aan de koude noordkant, twijfel ik wel eens of ik ooit de juiste woorden zal vinden maar buiten, op het zuiden, is wat ik wil vertellen al in driehonderd pagina’s samengevat. Het heeft een titel, een omslag en duizelingwekkende verkoopcijfers. Het gaat over een Amsterdamse diamantbewerker die na de oorlog in Brazilië fortuin maakt en op zijn oude dag terugkeert naar Amsterdam om – afijn, het is zó mooi, zo goed, dat ik het haast niet kan geloven. Recensenten die mijn laatste boek bekritiseerden staan onder mijn balkon. Ze huilen inkt en smeken om vergeving.

Ik kijk naar de achterkant van de huizen in de Lekstraat. ’s Ochtends stommelen op verschillende hoogten mensen in kamerjassen met warrige haardossen door hun keukens. Even later hoor ik de fluitketels. Gordijnen worden weggeschoven, ramen gaan open. Soms kijk ik iets te lang, dan overweeg ik – betrapt – te groeten maar sla mijn ogen toch maar neer. Je gaat tenslotte ook niet zwaaien naar acteurs in het theater.

Ooit woonden recht tegenover ons een man en een paar kinderen. Ze schreeuwden veel. De meisjes dat hij een klootzak was en de man dat ze maar lekker moesten oprotten naar hun moeder. Naast hen, maar dan een verdieping lager, zag ik vaak een ouder echtpaar aan een campingtafeltje zitten. Zij maakten nauwelijks geluid. Hij loste kruiswoordpuzzels op en zij rookte sigaretten. Op een dag verscheen zij alleen op haar balkon. Wat er met hem is gebeurd, weet ik niet. Ik keek naar haar en ik voelde me L. B. Jeffries die, gekluisterd aan een rolstoel, vanuit zijn appartement de buren begluurt. De sigarettenrookster zou dan miss Loneleyhearts zijn. Misschien heeft ze in mijn versie van ’Rear Window’ haar man wel omgebracht. Vermoorden is geen kunst, maar hoe krijgt zo’n besje het lijk haar huis uit? In stukken? Door de schoorsteen?

Kijk, daar zit ze weer. Ze ziet mij nu ook. Ik draai mijn blik naar rechts waar ik een buurman in een gebreide trui met een ernstig gezicht op en neer zie springen. Dat doet hij iedere middag wel een uurtje.

Ergens in de buurt woont iemand die erg hard lacht.

Er zijn motormaaiers, hogedrukreinigers en krolse katers.

Soms vliegen er groene vogels tussen de huizenrijen door.

Schuin onder mij: de tuin van A. Ik heb altijd gedacht dat er een magnolia bloeide, maar dat klopt niet en welke boomsoort het wel is kan ik haar niet meer vragen. Sinds er andere huurders zijn, interesseert die plek me niet meer. Alles bloeit nog even tierig en toch is het na A’s dood een dorre boel geworden.

Ze was oud. Lange tijd leek haar enige kwaal een zwakke maag te zijn die geen koude drankjes verdroeg. Daarom warmden wij haar glas wijn op in de magnetron. Als het lekker weer was, snoeide ze de rozen, of haalde ze het onkruid tussen de planten weg. Soms nam ze heel even rust, dan zag ik alleen haar voeten en een stukje van haar lange dunne benen onder het afdak uit steken.

Op een dag vertelde ze dat er een raar mannetje in de buurt was verschenen. Een klein, vreemd gekleed, zwijgzaam type. Of ik wist wie het was. Hij was me nog nooit opgevallen, maar ik zag hem daarna elke dag. Soms op meerdere plaatsen in de stad. Ik liep hem zelfs een keer tegemoet, terwijl ik hem kort daarvoor nog was gepasseerd.

Op het balkon dacht ik aan het rare mannetje. Ik verzon dat hij de dood was die zich lange tijd aan de randen van je bestaan ophoudt, maar dan steeds dichterbij komt. Eerst zie je hem in de tram, dan verschijnt hij in je straat. Er komt een moment waarop hij aanbelt en voor je het weet laat je hem binnen. En dan, op een morgen, staat hij voor je in de spiegel en dan weet je dat je tijd gekomen is.

Plotseling werd A ziek. Ik weet niet wat haar mankeerde. Het doet er niet meer toe. Het was iets vreselijks en ze zou er aan dood gaan. Ze was verbijsterd. Hoe kon dat, zomaar, ineens? Om een pijnlijk einde voor te zijn, besloot ze er zelf maar uit te stappen. Op de middag die ze ervoor had uitgezocht, scheen de zon.

Ik liep langs haar woning. Haar dochter stond in de deuropening. Ze zei dat de huisarts er al was en dat haar moeder zo een drankje zou krijgen. Ze vroeg of ik nog gedag wou zeggen. A lag in haar slaapkamer, met uitzicht op de tuin. De rozen keken nieuwsgierig naar binnen. Haar blik was rustig, afwachtend. Ik gaf haar een zoen en ik wenste haar een goede reis. In de keuken hoorde ik het piepje van de magnetron.

Ik ging terug naar boven, naar mijn balkon. Schuin onder me stopte A met leven. Later hoorde ik dat iemand een raampje in haar slaapkamer had opengezet zodat haar geest naar buiten kon. Dat was net zo vreemd als een stervende goede reis wensen, maar ik vond die gedachten kennelijk toch mooi genoeg om te bewaren.

Halverwege de middag zit ik met mijn rug tegen de deur van de balkonkast. Daarin bewaren we dingen die we eigenlijk moeten weggooien en een voorraad tomaten in blik. Ik zie mezelf. Eerst vanuit de huizen aan de overkant, dan hoger, vanaf het dak. Ik stijg op, ik vlieg. Mijn lichaam blijft achter op het krukje. Duim en wijsvinger slaan een bladzijde om. Ik kan bijna meelezen. Dan kantelt mijn hoofd zich naar het licht. Mijn ogen zijn gesloten. Ik word almaar kleiner. Het huis wordt een blok, in de straat, in de stad, in het land (ik ben een kleine jongen en ik schrijf mijn adres: Tienhoven van den Boogaartstraat 3, Werkendam, Noord-Brabant, Nederland, Europa, De Wereld, Het Heelal). Ik ben al in de ruimte, de aarde is een bolletje, maar nog altijd zie ik mezelf, met mijn ogen dicht, tussen donkerblauwe oceanen en witgetopte bergen, op die strook van vijf meter, drie hoog achter.

Vanuit mijn werkkamer kan ik, als het tegenzit, de tegenovergestelde richting gaan. Ik tuur naar mijn beeldscherm. Ik tik een woord. En nog een. En nog een. Ik toets delete. Delete. Delete. Tot er niets meer staat. Tot ik een prutser ben, en steeds kleiner word, en dieper zink in het enige wat ik weet te scheppen: rommel. Een hoofd vol rommel. Een huis vol rommel. In mijn koude kamer verlang ik een ander huis. In de zon bezit ik het al.

Ooit kochten we de Sunday Times. Het was mij om het property-katern te doen. Als een dier sleepte ik die pagina’s mee naar mijn nest, op het balkon. Ik koos altijd een cottage, het liefst één in Wales. Soms knipte ik de advertenties uit. Cononish House, Tyndrum, Perthshire (110.000 pond), a delightful Cotswold cottage in a first class village position (535.000 pond) en vlakbij Harlech, mijn favoriet, a hillside cottage and converted barn house with sea views voor 285.000 pond. In mijn werkkamer, waar de huisjes op mijn prikbord hangen, word ik chagrijnig van het idee dat ik in werkelijkheid nooit zo’n huisje zal bezitten, maar op mijn strook van één bij vijf trek ik me niets aan van mijn negatieve banksaldo en andere praktische bezwaren. Daar bedenk ik dat het slechts een kwestie van tijd is voordat ik mij ’s winters warm bij de AGA in mijn adorable little kitchen of in The Red Lion Inn een glas Guiness drink, na een lange wandeling door de heuvels van Snowdonia. Ze kennen me als de auteur van een respectabel oeuvre. In mijn oude landrover rijd ik eens per week naar het dorp voor voedsel en drank. Ik hoor van de dorpelingen dat er af en toe iemand naar mij op zoek is voor een interview. Op mijn verzoek trekken de locals hun wenkbrauwen op en doen ze alsof ik niet besta. Ik heb niets te vertellen. Mijn laatste boek heeft nieuwe plannen overbodig gemaakt. Alles is gezegd.

Het late middaguur is het mooist. Dan drink ik met mijn geliefde koude thee met sterke dranken; een mengsel dat we schnaps hebben gedoopt.

Daar komt ze. Ze draagt die mooie haarband. Het is alsof ik haar al een tijd niet heb gezien, alsof ik werkelijk ben weg geweest. We kletsen, we lachen, we halen herinneringen op. Ik moet me inhouden en niet wéér beginnen over vergankelijkheid, en over hoe snel toch alles gaat. In dit licht zie ik dat het zo erg niet is. Op deze plek, in dit gezelschap, kan ik me zelfs verheugen op mijn oude dag (laatst zag ik haar ineens met een leesbril op in bed en kon van ontroering daarna de slaap niet vatten).

Ik ga naar binnen, de avond in. In de tuintjes aan de overkant valt het laatste zonlicht. Rookpluimen stijgen op, straks komen de barbecueluchten. Daar waar die hip gedekte tafels staan, wordt straks een feest gegeven. De vrouw alleen, die er recht boven woont, leunt over haar balkonrand. Ze loert als een poes naar beneden, alsof ze van plan is midden in het aanstaande tuinfeest te springen. Een bierkrat schuift over de terrastegels. Stoelen worden uitgeklapt. Een deurbel gaat. Gastheer en gastvrouw kijken elkaar geërgerd aan. Kennelijk komt er iemand te vroeg. Even later dribbelt een oud dametje de tuin in. Ze zoekt een plaatsje in de zon, krijgt een glaasje en wordt alleen gelaten.

Als de tuin een uur later voor de helft is gevuld met mensen, zie ik haar nog op dezelfde stoel zitten. Ze heeft inmiddels een mantel omgeslagen.

Ik hoor kletterend bestek, knallende kurken, flarden van gesprekken. Heerlijke tuin, nee, ja, onbetaalbaar, we denken erover om een huis te kopen inWat heb jij eigenlijk... D66, jij? Jaja Hee, gozer! Leuk, je haar, bij wie heb je het laten doen? Twee, is ze al twee? Wat? Nee, thuis, we hebben een oppas ach, echt waar? Nou ja, als je maar gezond bent.

Er komen steeds meer gasten bij. Muziek, geschaterlach. Als het zo’n soort feestje wordt, reken ik op de boze man, ergens in ons blok, die om één minuut over twaalf zal schreeuwen dat het nu eindelijk een keer afgelopen moet zijn. Hij houdt het doorgaans wel een uurtje vol. Halverwege wordt de boze man uitgelachen of krijgt hij een paar scheldwoorden retour. Op het eind roept hij nog iets over de politie waarschuwen en vervolgens gaan zijn balkondeuren met een harde knal dicht.

Ik lig dan al in bed. Opgeladen door de zonnestralen, zinderen gedachten in mijn hoofd. Ik heb A teruggezien. Mooie verhalen geschreven. Over de flanken van Yr Widdfa gedwaald. Het is geweest of het gaat nog komen; een stroom gebeurtenissen die ik kan herbeleven en verfraaien, op mijn krukje drie hoog achter. Op een dag, weet ik, lukt het me zelfs zonder balkon. Nergens kan een mens zich rustiger en ongestoorder terugtrekken dan in zijn eigen ziel.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden