Het landschap spiegelt wie wij zijn

interview | Identiteit De cultuur en de identiteit van de Nederlander zijn diep verbonden met het landschap dat hij eigenhandig heeft geschapen, zegt landschapsarchitect Adriaan Geuze. Deel 2 van een drieluik over landschap.

Natuurlijk kunnen we praten over hoe het Nederlandse landschap ervoor staat, hoe het is veranderd en wat er zou moeten gebeuren om een verdere aantasting van de open ruimte te voorkomen. Maar laten we het dan eerst eens hebben, oppert Adriaan Geuze, over wat dat Nederlandse landschap eigenlijk is en wat het betekent.

Het begrip 'landschap' is gestolen! We leven in een tijdperk met een nieuwe taal waarin woorden als duurzaamheid, milieu, biodiversiteit en doelsoorten domineren en waar het woord landschap niet meer valt. Alles is ineens natuur, steekt de landschapsarchitect van wal. "En dat terwijl we nota bene leven in het land waar dat woord is bedacht. Wij zijn eigenaar van het woord landschap, de Engelsen hebben hun begrip landscape uit onze taal geïmporteerd."

Dat het woord landschap - scheppen van land - van Nederlandse makelij is, heeft een diepere betekenis dan een louter taalkundige, meent Geuze. Een betekenis die buitenlanders tegenwoordig beter lijken te begrijpen dan de Nederlanders zelf. "Vraag in de wereld aan mensen hoe zij ons zien en je krijgt als antwoord: Nederland is horizon, koeien, tulpen, molens, dijken, zelfgemaakt land. Meer dan met Amsterdam en Rembrandt associeert de wereld een Nederlander met dat landschap. Buitenlanders weten dat Nederland niet had kunnen bestaan als die malle Nederlanders niet zelf hun land uit zee hadden gemaakt. Die kúnnen dat en als je waterproblemen hebt, moet je de Nederlanders bellen."

Vloedgolven

Vanuit die unieke geschiedenis van land maken uit zee kijkt Adriaan Geuze naar Nederland. Hij ziet die geschiedenis als een epos, over oudtestamentische vloedgolven en hoe de Nederlanders die rampen te boven kwamen, land gingen maken en dat verdedigen. "Dat epos bindt en determineert ons en heeft naar mijn overtuiging in hoge mate de ziel, de identiteit van de Nederlander bepaald."

Het Nederlandse heldendicht begint in de moerassen toen die nog boven de zeespiegel lagen. Om onduidelijke redenen gaan de Nederlanders daar wonen, en bouwen dichtbij zee een bestaan op. Monniken en boeren beginnen rond 1100 met het ontginnen van veen. Ze hakken het bos weg en draineren het land, waardoor dat daalt.

"Maar dan stijgt de zeespiegel en sleurt in december 1287 de Sint-Luciavloed een derde deel van Nederland mee de oceaan in. Boerderijen, hele dorpen, vee, alles verdwijnt, naar schatting 80.000 tot 100.000 mensen verdrinken bij deze vloed, waarbij ook Friesland in tweeën wordt gedeeld, en West-Friesland bij Holland gaat horen. Bijna anderhalve eeuw later komt daar nog eens de Sint-Elisabethsvloed overheen, waarbij een enorm gebied van Zuid-Holland en Brabant wordt verzwolgen door de zee.

"Die vloeden waren veel heftiger dan pest, oorlogen en misoogsten. De Nederlanders verloren hun land, letterlijk. Dit rampenepos, het existentiële drama, leidde ertoe dat we gingen uitvinden hoe we met z'n allen dit hachelijke bestaan konden redden. Het heeft ons gemaakt tot wie we zijn: een volk dat met elkaar land maakt en dat verdedigt. Land dat door sedimentatie boven de zeespiegel kwam te liggen, gingen we omdijken en draineren. Met als resultaat jonge, extreem vruchtbare zeeklei waarop je letterlijk alles kunt verbouwen. Het bedijken leidde al snel tot collectieve afspraken, over zaken als belastinginning, perceelindeling, rechtenverkaveling. Dat samen doen en organiseren en samen eigenaar zijn is ook de kiem van onze democratie."

In rap tempo ging de ontwikkeling verder. We ontwikkelden ons in houttechniek, die werd verfijnd in scheepsbouw, wat ons tot welvarende handelsnatie maakte, en in de bouw van windmolens. Met die molens konden we de zee leegpompen - wat we tegenwoordig droogmakerijen noemen - en zo nieuw land terugwinnen op zee. Dat leidde in de zeventiende eeuw tot de fenomenale situatie van een nieuwe natie met haar zelfgemaakte nieuwe land, met haar nieuwe platte religie, en met een bijbel geschreven in een eigen nieuwe taal. Met oud kwelderland met terpen in het noorden en Zeeland, met grootschalig veenweidegebied in het midden, maar ook met aangeslibde jonge zeeklei en inpolderingen hadden de Nederlanders in een paar eeuwen tijd een heel divers landschap gemaakt. Een ontwikkeling die is doorgegaan tot en met de inpolderingen in de twintigste eeuw."

Wat Geuze fascineert, is dat dit zelfgemaakte landschap, die geordende natuur waarin alle kikkers op één rij zitten, omdat de landmeter rechte sloten heeft getrokken, opeens een inspirerend thema werd voor dichters als Vondel en Huijgens en voor schilders.

"Hobbema schildert een ode aan de rechte hoeken en lijnen in dat landschap en Ruisdael laat steden als Haarlem en Amsterdam als gezegende stadjes figureren in dat landschap, waar altijd de mens op de voorgrond aan het werk is op de akker of de lakenvelden en waar de lucht en het licht kosmisch zijn. Dat landschap, dat gemaakt is, een concept is, werd het poëtische landschap, het Nederlandse Arcadië. Onze nostalgie naar het authentieke verbindt zich met het artificiële. In de rest van de wereld gaat dat anders: je maakt een nieuw concept en hebt vervolgens heimwee naar wat daarvoor lag. Duitsers bijvoorbeeld hebben een diepromantische negentiende-eeuwse perceptie van natuur en landschap en de Engelsen blijven dromen in hun late Middeleeuwen, met hun hang naar steenwallen, ruïnes en rolling landscapes."

Eenvoud

Dat Nederlandse landschap representeerde de belangrijke waarden van eenvoud, gewoonheid en argeloosheid. We moeten er hier wat van maken, de sloot moet schoon en het landschapsbeeld wat dat oplevert, is daarom mooi: dat is wat ons bindt. Ook dat zie je terug in de kunst, signaleert Geuze. "Vermeer schilderde niet het paleis maar het lullige huisje aan de gracht, en niet de voordeur maar de achterdeur. De bekoring van het pretentieloze, het genot van het gewone, het sublieme van het alledaagse, daar gaat het om. Het verlangen van onze cultuur naar het gewone, naar de platte samenleving, is gekoppeld aan ons verlangen naar een landschap dat we zelf hebben gemaakt, dat poëtisch bejubeld is en geschilderd en deel is van ons collectieve geheugen. Dat zit heel diep. De Nederlander praat daar niet over in intellectuele zin, maar hij gaat in dat landschap wel fietsen, spelevaren, schaatsen."

Diverse natuur

In de diversiteit van dit kleine, mensgemaakte 'kikkerland' ziet Geuze bovendien een 'krankzinnig diverse natuur, met een overmatige biodiversiteit en een enorm spectrum aan biotopen'. "De generatie van J.P. Thijsse leerde begin twintigste eeuw de Nederlanders zo naar hun eigen landschap te kijken: heidegronden, het hoogveen en het lage veenweidelandschap, keileem, beekdallandschap, kalkrijke en kalkarme zeeklei, duinen, binnenduinen, getijden- en rivierenlandschap, en alle daarbij behorende flora en fauna. Ze leerden ons in euforie over onze prachtige landschappen te denken. Wij herkenden die zelfgemaakte landschappen en waren trots en verwonderd zoals die zeventiende-eeuwse schilders."

Het zijn die onderling heel verschillende regionale landschappen, die landschappen uit Thijsse's Verkadealbums, waarmee Nederlanders hun identiteit verbinden, meent Geuze. "De gemiddelde Nederlander schuwt de grote stad. Die wil wel dicht bij de stad wonen, maar ook in tien minuten buiten zijn, om te fietsen, wandelen, varen of schaatsen. Daarom leven wij in een dichtbevolkte maar uiteengelegde stad met dat prachtige landschap ertussen, een deltametropool met dertien miljoen inwoners, tegenwoordig binnen de lijn Alkmaar-Zwolle- Eindhoven-Hoek van Holland."

In de eerste helft van de vorige eeuw werd dat Nederlandse landschap ontwikkeld op een pragmatische en democratische wijze. Grote collectieve opgaven als de ruilverkaveling, de Zuiderzeewerken, Deltawerken, Staatsmijnen, werden aangestuurd door de rijksoverheid. Vanuit een visie werd een plan ontwikkeld en gefaseerd uitgevoerd en onderweg zo nodig bijgesteld. Iedereen werd erbij betrokken - bewoners, bedrijfsleven, universiteiten - en er werd een koppeling gelegd met innovatie en onderzoek. Planvorming en onderzoek stonden onder leiding van inhoudelijk deskundigen. Die planmatige, democratische aanpak is in de jaren zeventig losgelaten, stelt Geuze vast.

"Met de invoering van de ruimtelijke ordening is de ontwikkeling van het land weggehaald bij de ingenieurs en in handen gelegd van juristen en managers. In de ruimtelijke ordening gaat het niet langer om een gemeenschappelijke visie op de invulling van onze ruimte, maar om de procedures die gevolgd moeten worden."

Koehandel

Als gevolg hiervan is er volgens de landschapsarchitect een koehandel ontstaan over het gebruik van de ruimte, waarin de natuur- en milieuorganisaties momenteel de bovenliggende partijen zijn. "Die zijn op juridisch-procedureel vlak veel sterker dan de industrie en de projectontwikkelaars en hebben meer invloed dan de vervoer- en landbouwlobby. Ze winnen alles in de ruimtelijke ordening die zich door haar ondoorgrondelijke complexiteit feitelijk onttrekt aan de democratie. Daar komt nog bij dat de milieubeweging het beeld heeft losgelaten van het Nederlandse landschap als spiegel van onze geschiedenis. Zij praten niet over de rijke streeklandschappen, waaraan de Nederlander zijn identiteit ontleent, maar over milieu, CO2 , duurzaamheid en biodiversiteit. Vooral aan de polders hebben ze een hekel en die zijn dan ook het haasje, wanneer het bijvoorbeeld gaat over de plaatsing van windmolens en het maken van nieuwe natuur."

Het verrommelen van onze ruimte kan zo niet langer doorgaan, vindt Geuze. "Grote, collectieve opgaven, zoals de hsl, de plaatsing van windmolens, klimaataanpassing aan de kust en het introduceren van een duurzame landbouw, zouden weer op een nationale agenda gezet moeten worden. We moeten terug naar onze eigen fantastische, democratisch georganiseerde planningstraditie van vóór de ruimtelijke ordening, terug naar de aanpak van de Zuiderzeewerken. Dat is niet moeilijk, want we leven in het land waar planning en land maken zijn bedacht."

Lezingen over het landschap

Het Wereld Natuur Fonds en Trouw organiseren lezingen over de betekenis van het landschap, in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam. Op 25 mei kijkt ruimtevaarder André Kuipers (r) vanuit het heelal naar de aarde en duikt landschapsarchitect Adriaan Geuze (l) in de ontstaansgeschiedenis van het landschap. 1 juni staat in het teken van bezieling, met ontdekkingsreizigster Arita Baaijens en natuurfotograaf Frans Lanting. Aanvang 20.00 uur. Trouw-lezers betalen 5 euro. Trouw.nl/exclusief.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden