Het kwaad lacht zijn tanden bloot

Links: Roberto Bolaño.Rechts: In 2001 werden in Ciudad Juaréz opnieuw acht lijken van misbruikte vrouwen gevonden. (Trouw) Beeld AP
Links: Roberto Bolaño.Rechts: In 2001 werden in Ciudad Juaréz opnieuw acht lijken van misbruikte vrouwen gevonden. (Trouw)Beeld AP

Met zijn imposante, postume ’2666’ bevestigt de Chileen Bolaño zijn status als groot schrijver. Hoewel het boek doortrokken is van dreiging, geweld en moord – op jonge vrouwen met name – blijft het boek volkomen vrij van sensatiezucht.

Ciudad Juárez is een Mexicaanse stad waar je als toerist met een grote bocht omheen reist. De lugubere faam die deze grensplaats sinds het begin van de jaren negentig opbouwde is welbekend: honderden lijken van meisjes tussen de 13 en 21 jaar oud werden aangetroffen op de vuilnisbelten in de sloppenwijken, of in de omliggende Mexicaanse woestenij. De lichamen vertoonden vergelijkbare sporen van seksueel misbruik en van mishandeling, sommige waren getroffen door meerdere hartstilstanden.

Het begon allemaal in 1993, net voordat Mexico en de VS het Nafta-akkoord ondertekenden, dat de handelsrelaties tussen beide landen een flinke duw in de rug zou geven. Ciudad Juárez was al jarenlang het paradepaardje van de succesvolle samenwerking: een stad vol maquilas, grote assemblagefabrieken waar vlijtige Mexicanen in een mum van tijd bergen televisietoestellen, computers, auto’s enzovoorts in elkaar staken, die tegen extreem gunstige tarieven naar de VS werden geëxporteerd.

Ciudad Juárez ontpopte zich bijgevolg tot het mekka van werkzoekende Mexicanen, vooral van meisjes met smalle vingers, die het elektronische draadwerk in een ijltempo konden monteren. De arbeidsters stroomden toe uit het Mexicaanse achterland, zochten onderdak in een van de vele sloppenwijken van de metropool, en kwamen niet zelden in aanraking met de gewelddadige wereld van drugs, prostitutie en smokkel die er welig tierden.

Vandaag de dag wordt er minder bericht over de vrouwenmoorden, maar Ciudad Juárez heeft nog steeds de onbetwiste reputatie de gewelddadigste stad van Mexico te zijn: in 2008 werden niet minder dan 1600 van de 5600 aan de drugscriminaliteit gerelateerde moorden in deze stad gepleegd.

Dat is zo’n beetje de context van ’2666’, zonder twijfel een van Roberto Bolaño’s meest ambitieuze én meest geslaagde werken. In dit grootse epos van meer dan duizend pagina’s voert de auteur een waar leger aan personages op, die in eerste instantie weinig met elkaar van doen hebben, maar uiteindelijk allemaal als een magneet naar één bepaalde plaats worden gezogen.

Die plaats heet Santa Teresa, een fictieve stad die de verteller in de Mexicaanse staat Sonora situeert. Al snel blijkt echter dat Santa Teresa verdacht veel op Ciudad Juárez lijkt, dat overigens in de naburige staat Chihuahua ligt.

Waarom tooit Bolaño zijn stad niet met deze ronkende naam, die als een rode vlag werkt op de publieke interesse? In talloze pulpromans is al munt geslagen uit het grote potentieel voor sensatie van de stad. Daarbij fantaseerde men er lustig op los over de oorzaak van het geweld: de moorden stonden in dienst van de opname van snuffmovies, de organen van de slachtoffers werden op grote schaal verhandeld, de meisjes waren het slachtoffer van de rituelen van een satanische sekte.

Bolaño daarentegen kiest een heel andere strategie. Enerzijds distantieert hij zich van de dagelijkse gruwelen door als setting een fictieve stad uit te kiezen. Dat maakt zijn verhaal er echter niet minder realistisch op, want anderzijds baseert hij zich met zo’n precisie op forensische rapporten, op bestaande documentaires en reportages, dat de moorden onheilspellend dichtbij komen. Het vierde – en centrale – deel van de roman, ’Het deel van de misdaden’, beperkt zich dan ook hoofdzakelijk tot een ellenlange, gedetailleerde en bloedstollende beschrijving van meer dan honderd vrouwenlijken die tussen 1993 en 1996 werden teruggevonden – overigens zonder dat de sensatiedrang ook maar één voet tussen de deur krijgt. Opvallend is bovendien dat elke vorm van verklaring volledig de mist in gaat, zodat de lezer zich verliest in een huiveringwekkend en uitzichtloos panorama.

Dit vierde deel heeft een bijzondere functie: de opsomming van de moorden doet denken aan een rituele catharsis, een manische drang om alles uit te spreken, niets meer ongezegd te laten. En dat heeft alles te maken met wat eraan voorafgaat.

In de voorafgaande drie delen groeit namelijk een griezelige spanning, het kwaad is er voortdurend aanwezig, maar ongrijpbaar. Geweld en moord worden gesuggereerd, maar nooit bevestigd. Bolaño slaagt er als geen ander in om onrust te zaaien, zijn roman is als een mijnenveld waar je als lezer heel voorzichtig doorheen sluipt, terwijl je elk moment een ontploffing vreest, je ogen dichtknijpt, wacht, en toch weer behoedzaam verder loopt. Zo beschrijft het eerste deel een uitstapje naar buiten: een aantal academici uit Santa Teresa gaat op bezoek gaat bij de rector van de universiteit: „Toen rector Negrete verscheen, die in huis had gezeten met een kerel die de opzichter van de rancho scheen te zijn, gingen ze over tot het oprakelen van de barbecue en verspreidde de geur van vlees en warme aarde zich over de binnenplaats in de vorm van een fijn rookgordijn dat iedereen omhulde als de mist die voorafgaat aan een moord en dat op mysterieuze wijze optrok toen de vrouwen de borden naar de tafel brachten, en waarvan de lucht in je kleren bleef hangen en zich vastzette op je huid.”

Ook Bolaño’s gevoel voor humor en ironie is bijzonder sinister. In zijn proza weerklinkt een demonische lach waar je kippenvel van krijgt. Zo schept de verteller zelf er een duivels genoegen in om het geweld zijdelings te suggereren, om je met eindeloze en banale uitweidingen om de tuin te leiden, je het bloed onder de nagels te halen, alsof hij je hoonlachend zit aan te staren.

Ook politieagenten, impresario’s en rijke drugshandelaars lachen, of glimlachen, zoals bij het lijk van Michelle Requejo: „Haar handen waren op haar rug gebonden en iemand wees er even later op dat de knoop identiek was aan de knoop waarmee Estrella Ruiz Sandoval [een ander slachtoffer] was vastgebonden, wat sommige politieagenten een glimlach ontlokte.’’

Minder verdachte personages lachen niet, maar kijken weg. Het wemelt van de passages waarbij getuigen het hoofd wegdraaien, of het licht uitdoen om maar niets te zien. Toch kan niemand zijn handen in onschuld wassen, en, wat erger is: niemand ligt daar wakker van. Het kwaad is triviaal, onderdeel van het dagelijks leven.

De gruwel blijft overigens bepaald niet tot één plaats beperkt: het bloed vloeit ook kwistig in de straten van Detroit, Londen, Ansbach of de Russische Krim; Santa Teresa is niet meer dan een eindpunt, de monding waar al het onheil samenvloeit. Bovendien duiken de courantere locaties die we al uit Bolaño’s vorige werk kennen weer op.

Zo is de hoofdpersoon in het tweede deel, Amalfitano, een professor filosofie die net als Bolaño in Chili is opgegroeid, een poos in Spanje verblijft en ten slotte naar Mexico verhuist. De Chileense dictatuur, die centraal stond in ’Het lichtende kwaad’ en ’Chileense nocturne’, komt opnieuw ter sprake. En hoewel nazi-Duitsland af en toe al opdook in Bolaño’s werk, speelt het laatste deel van het boek zich daar nu volledig af. Hoofdpersoon Benno von Archimboldi, alias Hans Reiter, is een Pruisische schrijver die als soldaat zonder enige overtuiging het nazi-regime heeft gediend. De relatie tussen kunst en fascisme is geen nieuw thema bij Bolaño, maar nu slaagt hij er toch in om een uitermate raadselachtig personage neer te zetten, een soldaat die zich eerder een alg voelt, een zeebeest, een vis op het droge aan het Russische front.

’2666’ raakte bedolven onder de literaire prijzen en was een echte kaskraker, vooral in de Verenigde Staten. Ironisch genoeg valt dit overweldigende succes Bolaño pas te beurt na zijn dood: de roman werd immers postuum uitgegeven, en was eigenlijk niet eens helemaal voltooid. Hoewel Bolaño misschien hier en daar stilistisch nog wel wat bijgeschaafd zou hebben, is dit ongetwijfeld zijn magnum opus, een meesterwerk dat de Latijns-Amerikaanse literatuur weer in al haar kracht doet herrijzen, zoals in de gloriedagen van Gabriel Garcia Márquez.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden