Het kind als project

Kinderen worden krampachtig gestimuleerd. Ouders plaveien voor hen de weg, maar verwachten dan wel dat hun zoon of dochter die weg ook volgt. (FOTO MARK KOHN) Beeld Mark Kohn
Kinderen worden krampachtig gestimuleerd. Ouders plaveien voor hen de weg, maar verwachten dan wel dat hun zoon of dochter die weg ook volgt. (FOTO MARK KOHN)Beeld Mark Kohn

Moderne ouders managen hun kind op microniveau. Ontwikkelt het zich goed, stimuleer ik het genoeg, haal ik eruit wat erin zit? Het kind is maakbaar. Toch zou iets meer aanrommelen zo gek niet zijn.

Mijn dochters zitten op een fantastisch kinderdagverblijf, met betrokken, deskundige leidsters. Dat ik daar onlangs een tikje teleurgesteld de deur uitliep, ligt geheel en al aan mij.

Ik voer deze persoonlijke ervaring hier op, omdat ik vermoed dat die iets zegt over het moderne ouderschap. Over ouders die weinig én zeer gewenste kinderen hebben, met wie ze het allerbeste voor hebben. En die stiekem denken – net als de vader in ’Een tafel vol vlinders’, het Boekenweekgeschenk van Tim Krabbé: ’Mijn kind is géén confectie.’

Mijn teleurstelling vloeide voort uit het jaarlijkse oudergesprek dat ik met één van de leidsters voerde. Laat ik haar Janneke noemen, en laat ik nogmaals benadrukken dat zij haar werk uitstekend doet.

Janneke had volgens pedagogische voorschriften een analyse gemaakt van mijn oudste dochter Meia, die ruim 2,5 jaar is. Bij een kopje thee namen we die door: ze heeft nog geen belangstelling voor het potje en is soms iets te assertief. ’Een slim en pittig wijffie’, zo typeerde Janneke haar: „Ze is een enthousiast kind”. Verder geen bijzonderheden.

En dat laatste stak mij, dat geef ik hier maar eerlijk toe. Vorig jaar noemde Jannekes collega mijn dochter nog ’een leiderstypje’ en ’echt een aanwinst voor de groep’. Kijk, dáár ging mijn moederhart van kloppen, dát sloot aan bij mijn heimelijke overtuiging dat Meia er toch uitspringt. Maar ’enthousiast’ en ’slim’ – dat zijn tamelijk bleke bijvoeglijke naamwoorden die je op bosjes kinderen kunt plakken.

Deze kleine belevenis schoot me te binnen tijdens het lezen van ’Slow kids’ van Carl Honoré, dat zojuist in Nederlandse vertaling is verschenen. De Engelsman gaf zijn boek een omineuze ondertitel mee: ’Waarom voeden we onze kinderen op tot ze erbij neervallen?’ Een andere – retorische – vraag die hij in zijn aanstekelijke betoog beantwoordt, is: ’Moeten we ons kroost niet eens wat meer met rust laten?’

Honoré beschrijft het getob van moderne ouders, die in extreme vorm ook wel ’hyperouders’ of ’helikopterouders’ heten. Moeders en vaders die vinden dat hun kind moet excelleren. Die heel bewust hun cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling stimuleren. Die boven hun koters cirkelen en ze nauwlettend in de gaten houden. Ouders die hun kind dus zien als een ’project’, dat ze zorgvuldig moeten managen.

Voorbeelden van hyperouderschap haalt Honoré onder meer uit de Verenigde Staten. Zo voert hij een moeder in Los Angeles op, die met haar vijfjarige zoon naar de bioscoop gaat. Daar vraagt het jochie of hij in de rij achter haar mag zitten: ’Hij zei dat het dan net was of we samen in de auto zaten,’ aldus haar toelichting. ’We rijden zoveel rond voor zijn buitenschoolse activiteiten, dat hij het liefst tegen mijn achterhoofd aan kijkt. Ik vond het vreselijk.’

Hyperouders zijn ambitieus: ze doen hun kinderen op allerlei clubjes, sturen hun zevenjarige dochter naar Chinese les, perfectioneren avond aan avond het huiswerk van hun kroost. Hyperouders zijn óók overbezorgd en te beschermend: ze laten hun kinderen niet in de zandbak spelen, vanwege de nare bacteriën. Ze brengen en halen hun koters van hot naar her. „Gemiddeld genomen is de afstand die Britse kinderen in hun eentje naar huis mogen, sinds 1970 met bijna negentig procent afgenomen”, schrijft Honoré.

Maar dat zijn Britse en vooral Amerikaanse kinderen en ouders. In de Verenigde Staten is alles groot en hyper, de vaders en moeders incluis. Honoré’s betoog – dat past in een reeks boeken met titels als ’Paranoid Parenting’, ’Anxious Parents’ en ’Hypermama’ – roept dan ook vragen op. Zijn er ook hyperouders in Nederland? Is dit een brede, maatschappelijke trend? En: zit er misschien ook zo’n hyperstukje in mij?

In 2002 lanceerde Sire, de Stichting Ideële Reclame, de campagne ’Kinderen hebben het druk’. Daarin bezwijken meisjes en jongens haast onder hun buitenschoolse agenda’s, hun vioolkist, hun hockeytraining. Op die campagne kwam kritiek, zegt Sire-directeur Jantien Anderiesen: „Misschien waren de hobby’s te elitair. Men zei: ’Dit is een grachtengordelprobleempje’. Maar mijn gevoel zegt me: het probleem speelde wel degelijk.”

Daarvan is ook ontwikkelingspsycholoog Steven Pont overtuigd. Er bestaat geen objectieve test voor hyperouders, zegt hij: „Het is een gevoelskwestie. We zijn geneigd om ouders die zich drukker maken dan wij, overdreven te vinden.” Hyperouders, dat zijn de anderen.

Maar de hyperouder staat ook voor ’een beweging, waarbij kinderen als groep erg op de huid worden gezeten’, zegt Pont. De levensopdracht van de jeugd is volgens hem veranderd: „Ouders plaveien de weg voor hun kind, maar verwachten daar ook iets voor terug. Hun zoon of dochter moet die weg wél volgen.”

Pont hield een enquête onder 58 professionals in de kinderopvang, bestaande uit 43 pedagogisch medewerksters en 15 managers. Volgens hen bestaat zo’n 20 procent van de ouders waarmee zij werken uit ’overbeschermers’. Hun kinderen betalen daarvoor een prijs, zegt Pont: „Ze worden onzeker, denken dat ze zelf niks kunnen, krijgen een te klein ego. Of ze raken juist compleet over het paard getild.”

Moderne ouders zijn de wereld van het kind aan het watteren, meent Pont. Met helmpjes voor het fietsen en kinderschaartjes die minder scherp zijn dan de volwassen varianten. Laatst hoorde hij dat de GGD een kinderdagverblijf voorlopig afkeurde, omdat er een omgevallen boom in de buitenruimte lag. Want daar konden peuters vanaf vallen, met lelijke schrammen en gebutste knieën als gevolg. So what? vraagt Pont zich af. „Opgroeien gaat van au!”

Het kind is maakbaar. Dat idee heeft zich ook in Nederlandse hoofden genesteld. „Je hebt een kind, en dat moet goed zijn”, zegt de Utrechtse hoogleraar sociologie Christien Brinkgreve. „En is er toch iets mis, dan valt dat te repareren.” Met ’lerend speelgoed’, een kinderpsycholoog, remedial teaching of extra training voor de Cito-toets. Alles wat kan helpen om de ontwikkeling van het kind te optimaliseren.

Arme kinderen, verzucht Brinkgreve. Al dat stimuleren heeft ’iets krampachtigs’: „Het kan belastend zijn om het project van je ouders te zijn.” Arme vaders en moeders ook, want die kunnen bang en onzeker worden. Bescherm ik mijn kind genoeg? Doe ik het wel goed? De snel veranderende maatschappij voedt die onzekerheid, zegt Brinkgreve: „Ouders willen hun kind toerusten. Maar voor wat precies?”

Dat was pakweg zestig jaar geleden veel duidelijker, zegt historisch pedagoog Janneke Wubs. „Toen had opvoeding nog een sterke morele lading. Kinderen moesten geschikte volwassenen, goede mensen worden. Als putjesschepper of als arts, dat maakte niet zoveel uit.” Zelfopoffering, inschikkelijkheid, dienstbaarheid aan het algemeen belang – dat waren de waarden die moeders en vaders op hun kroost moesten overbrengen.

Maar nu moeten ouders ’eruit halen wat erin zit’, zegt Wubs, die promoveerde op ’Luisteren naar deskundigen. Opvoedingsadvies aan Nederlandse ouders 1945-1999’. Die adviezen verschoven van morele waarden naar de cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind. Ouders krijgen nu tips over met welk speelgoed ze baby- en kinderhersenen het beste kunnen stimuleren. Of hoe ze hun kind zo succesvol mogelijk door de school kunnen loodsen.

Van dit soort adviezen worden ouders vanzelf een beetje hyper, zegt Wubs: „Je moet heel stevig in je schoenen staan, om te zeggen: Ik laat m’n kind maar een beetje aanrommelen.” Voor gerommel biedt de moderne maatschappij volgens haar ook weinig ruimte: „Je kunt nergens meer fikkie stoken, of kattekwaad uithalen op straat. Of het moet zijn rondom die ene boerderij achter Pieterburen.”

Kinderen krijgen steeds minder fysieke én sociale ruimte om te experimenteren. Werkende ouders sturen hun kinderen vaak naar de buitenschoolse opvang. „Laten de begeleiders kinderen daar experimenteren, dan krijgen ze gedonder met de ouders,” aldus Wubs.

Toch zou iets meer ’aanrommelen’ voor kinderen niet zo gek zijn. Uit onderzoeken blijkt dat zij het meest gebaat zijn bij een ’autoritatieve opvoedingsstijl’, aldus Wubs. Daarbij geven ouders genoeg grenzen aan, en bieden ze hun kinderen tegelijkertijd genoeg vrijheid.

Dat betekent laveren tussen overbezorgdheid en verwaarlozing, tussen hyper en onverschillig, tussen losjes en veraf. Kinderen zo’n opvoeding geven is hondsmoeilijk, zegt Wubs, die zelf moeder is van drie kinderen: „Je weet de hele tijd precies wat je verkeerd doet.”

Toch blijven proberen, zo moedigen Carl Honoré en Steven Pont de ouders aan. Stop met het micromanagement van je kind, laat hem zijn eigen fouten maken, van een boomstam vallen, in de winter zonder jas naar buiten gaan. Dan heeft hij het één keer koud, en trekt hij in het vervolg zijn jas uit eigen beweging aan.

Probeer eens een houding van ’achteloze betrokkenheid’, zo formuleert Brinkgreve de opdracht van moderne ouders. Want zit je bovenop je kind, dan raakt het niet opgewassen tegen teleurstellingen en dissonanten. Opvoeden is één grote ’les in loslaten’, zegt zij: „Ouders moeten leren dat hun macht beperkt is.”

Dat is op zichzelf al een heel project, ook voor vaders en moeders die zichzelf niet graag als ’hyper’ zouden typeren.

Laatst ging ik met mijn dochter frietjes halen. Terwijl we in de vensterbank van de frituurzaak zaten te wachten, onderwierp ik haar gewoontegetrouw aan een interview: Heb je het vandaag leuk gehad op de crèche? Met wie heb je gespeeld? Zijn jullie ook in het klimrek op het plein geweest? „Mama,” zei mijn peuter, die nauwgezet de verrichtingen van de patatbakker volgde. „Nou moet jij e-ven-tjes stil zijn.”

(Trouw) Beeld Mark Kohn
(Trouw)Beeld Mark Kohn
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden