’Het kamp was ons thuis, en ons werk’

Nog steeds zijn er in Libanon gevechten rond het Palestijnse kamp Nahr el-Bared. Maar de verdreven bewoners willen terug, ondanks alles.

De 72-jarige Nasmieh Darwisj zit met achttien man op een twee-kamer appartement in het kamp Bedawi in Noord-Libanon. Kleinzoon Ahmad, twee jaar oud en vierde generatie vluchteling, ligt op een matras in de hoek te slapen.

„Het is vroeg opstaan hier”, klaagt haar man. „Anders sta je in de rij voor het toilet.” Een keuken is er niet, want het appartement was nog niet klaar. Koken doen ze op een camping gasje, afwassen in de wastafel. Kleding ligt op kleine stapeltjes langs de muur. Sinds gisteren komt er geen water meer uit de kraan. „De watervoorziening is berekend op 18.000 man”, zegt een man van de VN-organisatie voor Palestijnse vluchtelingen UNWRA. „Niet op het dubbele. We werken eraan.”

Nasmieh was elf toen ze in 1948 met haar ouders en acht broers en zussen de plaats Safoerija in Palestina ontvluchtte. Ze herinnert zich het dorpje nog. „Als ik tijm ruik, denk ik aan vroeger.” Via Libanese plaatsjes en tijdelijke tentenkampen kwam ze, twee jaar later, aan in Nahr el-Bared – Arabisch voor ’Koude rivier’. Het eerste onderdak was een tent, ’die altijd wegwaaide.’ De was deden ze in de rivier. Met baantjes als landarbeider en later juf op de kampschool hielp ze de familie. Beetje bij beetje bouwden ze erbij. Het begon met een hut. Het eindigde met een vierkamer flat aan zee, waar ze met haar man tien kinderen groot bracht.

Dat huis is nu vernield; geraakt door een van de allereerste bommen op het kamp. Een van haar zonen, Said (35), verloor het leven. Met de andere negen en hun families trok zij in bij haar broer Mahmoed, in het nabijgelegen kamp Bedawi. Met 45 man zitten ze nu in drie flatjes.

Ze brengen de dag door met het bij elkaar sprokkelen van eten. De vele hulporganisaties in het kamp delen allemaal wel iets uit, maar het is nooit genoeg, of net niet wat je nodig hebt. De meesten hebben geen geld meer, want werk is er niet, en alles van waarde is achtergelaten. „We dachten dat het maar voor even was”, legt schoonzoon Khaled uit. Hij was accountant in Nahr el-Bared. Het handelsbedrijf waar hij voor werkte in het kamp zette vorig jaar bijna een miljoen dollar om. „Iedereen wil terug. Al moeten we in het puin leven. Het is niet alleen ons huis, maar ook ons werk.”

Saoedi-Arabië heeft twee miljoen pond per familie beloofd (982 euro) voor eten en kleding. Het blijft een tijdelijke oplossing voor de ruim 6000 families (zo’n 30,000 man), die het kamp eind mei ontvluchtten.

„In oktober begint de school weer”, zegt Khaled. Hij heeft twee dochters. De vijf kampscholen in Bedawi draaide voor de gevechten al een dubbele schooldag, met sessies in de morgen en middag om aan alle kinderen onderwijs te kunnen geven. Nu zitten ze vol met families. „We zullen thuis les moeten geven.”

Volgens Khaled hebben velen nog hoop. „Ze denken dat ze meteen terug kunnen zodra de gevechten over zijn.” Hij ziet het somber in. „Ik hoor dat 85 procent van de huizen is vernield.” Alleen de Libanezen rond Nahr el-Bared doen goede zaken. Televisiestations betalen 200 dollar per dag voor een balkon met zicht over het kamp. En de bombardementen gaan nog steeds door, ook al beweerde de minister van defensie vorige week dat de gevechten over waren.

De Libanese premier Siniora heeft gezegd dat het kamp, met geld van Arabische landen, herbouwd zal worden. Ze moeten het nog zien. „Tel al-Zaatar (een kamp vernietigd in 1976 tijdens gevechten tussen de PLO en christelijke milities) is ook nooit herbouwd.”

„We roepen altijd dat we terug naar Palestina willen”, zegt Nasmieh. „Nu wil ik enkel terug naar Nahr el-Bared. Dat is thuis.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden