Het is tijd voor theater in de politiek

'Fortuyn was een man met een missie, overtuigd van een goddelijk plan met zijn leven en met de Nederlandse samenleving - en tegelijk een religieuze twijfelaar. Een mensenmens, die aangaf zich diep eenzaam te voelen. Hij was zowel nabij als oneindig ver. Zijn verschijning had daarmee iets van een genadige toewending: een Grote Geest die toch alles wil doen, zichzelf wil geven, voor een gewoon landje en voor al die gewone mensen in dat landje.' Volgens filosoof Govert Buijs heeft Pim Fortuyn met zijn optreden, zijn magische aantrekkingskracht en zijn dood de religieuze dimensie van de politiek weer volop blootgelegd.

RECHTS EN LINKS

'Een ruk naar rechts' - zo is de uitslag van 15 mei en de voorafgaande opkomst van Pim Fortuyn uitgelegd. Die uitleg wordt ook gretig gevolgd door de drie onderhandelaars, die momenteel onder leiding van informateur Donner in hoog tempo allerlei voormalig 'linkse' maatregelen van tafel onderhandelen - zich vrolijk beroepend op een verkiezingsuitslag die zich daar slechts oppervlakkig voor leent. Want op die interpretatie is veel af te dingen. Behalve op de links-rechts-as moet de uitslag ook afgezet worden op een verticale as, die de politiek-religieuze dimensie in beeld brengt.

De verbluffende opmars van Pim Fortuyn alsmede zijn - ondanks de dramatische triestheid - ongekend glorieuze einde betekenen niet zozeer het einde van Dijkstal en Melkert, maar bovenal het einde van de opvatting van politiek die door (thans) Minister van Staat Hans van Mierlo in de afgelopen decennia is geventileerd en die stilzwijgend door bijna het volledige politieke spectrum is overgenomen. Vooral de religieuze rituelen en emoties na zijn overlijden laten zien dat Fortuyn een andere, vergeten dimensie van de publieke ruimte aan het licht heeft gebracht. En het is precies één van Fortuyns eigen boeken, het onlangs op zijn eigen initiatief herdrukte en op de verkooplijsten weer hoog scorende 'De verweesde samenleving', dat deze interpretatie suggereert.

Als de vele aspecten van het verschijnsel Fortuyn onder één noemer zijn te brengen, dan is het wel die van de bijna perfecte harmonie tussen zijn cultuursociologische analyse en zijn poging in eigen persoon het antwoord op de geanalyseerde problemen te belichamen. Fortuyn legde haarscherp een aantal vacuüms bloot in de Nederlandse samenleving en modelleerde zichzelf vervolgens gedurende vijftien jaar net zo lang tot hij er precies als gatenvuller inpaste: een politiek-esthetisch zelfverwerkelijkingsproject zonder weerga in Nederland.

In 'De verweesde samenleving' deed hij nog zijn beklag over het ontbreken van 'vaders', figuren die ergens voor staan en levensoriëntatie kunnen bieden. Hij kondigde daar de komst aan van nieuwe vader- en moederfiguren, nieuwe Goede Herders. Sindsdien is hij hoe langer hoe meer zichzelf gaan presenteren als precies een dergelijke figuur. Fortuyn als redder des vaderlands - en grote groepen accepteerden dit van hem. In een land waar iedere niet-premier die zelfs maar in de verte de associatie met een mogelijk premierschap toelaat, ongenadig als een kapsoneslijer wordt neergesabeld, kon Fortuyn zich ongestoord als toekomstig premier etaleren. 'Vergist u zich niet, ik.....'. Hij mat zich een presidentiële levensstijl aan - al ver voordat zijn politieke opmars begon. Zijn Rotterdamse huis gaf hij de allure van een paleis - en tegelijk wist hij zich te presenteren als man van het volk. Hij verplaatste zich in een koninklijke limousine met chauffeur (die Fortuyn, als hij zijn moeder bezocht, rustig een aantal uren in de auto liet zitten). Hij was totaliter aliter, helemaal anders dan wie dan ook, raadselachtig - en tegelijk dichtbij, transparant, gevoelig, open, naar het leek zonder geheimen. Hij was een man met een missie, overtuigd van een goddelijk plan met zijn leven en met de Nederlandse samenleving - en tegelijk een religieuze twijfelaar. Een mensenmens, die tegelijk aangaf zich diep eenzaam te voelen. Hij was de briljante intellectueel, professor Pim, die tegelijk gewone-mensentaal sprak (en bovendien nogal pover Engels). Kortom: Fortuyn was tegelijk nabij en oneindig ver. Zijn verschijning had daarmee iets van een genadige toewending: een Grote Geest die toch alles wil doen, zichzelf wil geven, voor een gewoon landje en voor al die gewone mensen in dat landje.

Democratie van Hans is anders dan die van Pim

De politieke vernieuwing van Fortuyn had weinig te maken met procedurele ingrepen à la D66, al probeert Van Mierlo nog zo hard enkele ideeën van Fortuyn als een bevestiging uit te leggen van zijn eigen missie en zo alsnog het gelijk te krijgen dat hij de afgelopen vijfendertig jaar maar zo mondjesmaat heeft gekregen. Maar de democratie van Hans is anders dan de democratie van Pim. Van Mierlo heeft zich al vele jaren sterk gemaakt voor het waarlijk vertegenwoordigende karakter van de democratie. De democratie dient het volk zo direct mogelijk te representeren. In de ideeënwereld van Van Mierlo spelen politieke ideologieën geen rol meer. Er zijn slechts 'problemen' - of in het afgestompte Haagse jargon: 'dossiers' - en daarnaast directe procedures en oplossingen. Problemen en oplossingen zouden direct door de burgers worden aangedragen en door politici worden overgenomen en uitgevoerd.

Het zijn precies de drie partijen die - onder aanvoering van D66 - sterk hebben ingezet op ontideologisering die nu ongenadig klop gekregen hebben. Aanvankelijk leken zij als geen ander de tekenen des tijds te verstaan. De Val van de Muur betekende niet de val van een ideologie, maar van alle denkbare ideologieën. Deze interpretatie van Berlijn 1989 werd schreeuwerig dominant binnen de Nederlandse (en de westerse) intellectuele elite. Men joeg het waanbeeld na van een volstrekt seculiere politiek, een politiek beroofd van alle zingevingsdimensies, verschraald tot problemen en procedures, een wereld van pure piecemeal engineering, zoals Karl Popper het ooit noemde.

Dit 'bewuste vergeten' van wat tegenwoordig zingevingsaspecten heten, is in kleine maar invloedrijke intellectuele kringen in het Westen al sinds de late achttiende eeuw in de mode. Sinds die tijd zijn er fraaie schema's bedacht, die het verdwijnen van religie als een noodzakelijke uitkomst van de wereldgeschiedenis schetsen. Men ging utopische verwachtingen koesteren omtrent deze laatste religieloze fase van de wereldgeschiedenis en interpreteerde allerlei gebeurtenissen als de definitieve intrede in dit laatste tijdperk. Of net zo ernstig: signalen van het tegendeel werden eenvoudigweg genegeerd. Men deed al alsof er geen religie meer was - een stofwolk van vanzelfsprekende achterhaaldheid.

En steeds weer was men stomverbaasd als deze dimensie er toch nog op de een of andere manier bleek te zijn. Het meest schrijnende geval van verblinding bij de liberale elites was wel de opkomst van de nationaal-socialistische quasi-religie in de jaren dertig in Duitsland. Voor een deel had men voor de opkomst van deze onderstroom geen antenne gehad, voor een ander deel bleek men persoonlijk vatbaar voor deze religieuze verleiding. Niet alleen had men met deze post-religieuze utopie anderen niet begrepen, ook hun eigen ziel was voor velen in deze liberale elite kennelijk tot een onbekend land geworden - een 'waste land' bovendien (T.S. Eliot).

De politiek--religieuze dimensie

Hoe naïef en utopisch het Van Mierlo-begrip van representatie is, valt vooral op als we het vergelijken met het begrip van representatie van de twintigste-eeuwse Duits-Amerikaanse politiek filosoof Eric Voegelin. Op basis van cultureel-antropologische en historische studies, alsmede van zijn analyse van de politieke situatie in de jaren dertig in Duitsland en de Sovjet-Unie, kwam hij tot de conclusie dat er naast deze procedurele representatie twee andere dimensies bestaan: de existentiële representatie en de transcendente representatie.

Voegelin voegt er fijntjes aan toe dat men nooit verbaasd moet zijn dat, als men deze beide andere dimensies vergeet, het gevaar groot is dat zich iemand opwerpt die ze wél activeert - en dan wellicht niet zo netjes representatief in de procedurele zin.

De existentiële representatie heeft te maken met de mate waarin politieke leiders in staat zijn alledaagse belangentegenstellingen te overstijgen en werkelijk de indruk wekken het volk als geheel te representeren. Representatie heeft volgens deze dimensie ook iets van 'spiegelen', van laten zien wie we zijn. De politiek leider is één van ons, maar dan ietsje meer, ietsje uitvergroot, zoals we eigenlijk allemaal willen zijn. Dat is iets anders dan gepeuter achter de komma in een dossier of het uitdokteren van een waterig compromis - om dat vervolgens als de essentie van politiek te verkopen.

De transcendente representatie slaat op de mate waarin politieke leiders zichzelf zien en door het volk gezien worden als representatief voor een Hogere Missie, als degene die bepaalde overstijgende waarden belichaamt, uitdraagt en hierin de samenleving meeneemt (soms ook door juist tegenover de dominante opinies in de samenleving stelling te nemen). 'Representeren' betekent hier niet 'volgens juiste procedures verkozen zijn' en ook niet 'spiegelen' maar 'voorgaan', het veld overzien en dan stappen zetten die anderen niet durven zetten. Het is deze dimensie die de politieke orde tot een terrein van zinbeleving maakt. Men kan het daarom een politiek-religieuze dimensie noemen.

In deze dimensie passen woorden als hoop, redding, vrede, gerechtigheid, thuiskomen en heil. Op dit niveau wordt ook de moreel-religieuze energie opgewekt om de fameuze normen en waarden uit de sfeer van de kretologie naar die van de persoonlijke inzet over te brengen. En hier is het mogelijk mensen te inspireren ter wille van een hogere missie - ja zelfs een werkelijk offer van hen te vragen.

In oude tijden was deze dimensie volop zichtbaar. een Chinees keizer bijvoorbeeld kon alleen regeren voorzover van hem geloofd werd dat hij een Hemels Mandaat had. Wanneer door een ramp dit geloof geschokt werd, betekende dit zijn einde.

In de Amerikaanse politiek is deze dimensie ook volop present: van Woodrow Wilsons 'to make the world safe for democracy' tot Roosevelts 'Freedom of speech, freedom of worship, freedom from want and freedom from fear' en Kennedy's 'Don't ask what your country can do for you but what you can do for your country'.

Er kunnen van de invulling van deze derde dimensie ook negatieve voorbeelden genoemd worden: de missie van de uiteindelijke Proletarische Heilsstaat bijvoorbeeld of de Raszuivere Gemeenschap.

Deze derde dimensie kan vergeleken worden met een huis, dat altijd maar één bewoner tegelijk heeft. Pas als het leeg is ontstaat er ruimte voor een andere bewoner. In Europa is dat huis in de afgelopen eeuw bewoond geweest door de grote ideologieën, die de hier aanwezige 'politiek-religieuze energie' hebben geëxploiteerd voor hun totalitaire doelen. Door deze derde dimensie kan de politieke orde dus ook het karakter krijgen van een bedwelmende roes, waarin alle morele grenzen wegvallen. Alle middelen zijn plots geoorloofd. Door het activeren van deze dimensie van een politieke orde is het mogelijk mensen boven zichzelf uit te laten stijgen - ten goede of ten kwade.

Maar deze dimensie geeft aan de concrete politiek ook een bepaalde voorlopigheid. Het Grote Ideaal is immers zo groot, dat het nooit volledig realiseerbaar is. Het wordt opgeroepen én tegelijkertijd op afstand gehouden. Levensgevaarlijk - zelfs een politiek-religieuze hoofdzonde, juist ook voor de machthebbers zelf - is de suggestie dat het ideaal volledig realiseerbaar of zelfs al gerealiseerd is. Het oproepen ervan moet daarom altijd in één adem gepaard gaan met het besef van de 'smalle marges'. Men gaat op weg, maar de weg is hobbelig en bochtig, altijd nog weer hobbeliger en bochtiger dan gedacht.

Deze dimensie kan sterker of minder sterk geactiveerd worden, maar is altijd, op zijn minst sluimerend, aanwezig. Een politicus dient er dus rekening mee te houden en voelhorens voor te hebben. Of men deze dimensie nu leuk vindt of niet is irrelevant. Veel veiliger dan een utopische ontkenning is politiek-religieuze waakzaamheid: hoe wordt deze dimensie in een samenleving ingevuld?

Blijkens zijn boek 'De verweesde samenleving', volgens de ondertitel een 'religieus-sociologisch traktaat', besefte Fortuyn dit. Hij zag het existentiële en spirituele vacuüm, waarvan D66 en Paars de exponent geworden waren. Nederland werd bestuurd, maar niet geleid.

Als deze analyse ook maar enigszins hout snijdt, wordt duidelijk hoe potsierlijk de reactie van de gevestigde politiek op het verschijnsel Fortuyn was. Hier was iemand met de allure van een Augustus, maar Hans Dijkstal miste 'financiële dekking'. Hier stond een on-Nederlandse meester in de politieke theologie, die soeverein vriend en vijand benoemt en zo mensen iets geeft om tegen te strijden (iets waar de PvdA onder Den Uyl nog alles van afwist), maar Melkert wist niets anders te bedenken dan dat we het toch vooral 'samen moeten doen'. Even werden in Nederland alle registers van de politieke werkelijkheid aangesproken, zoals dat in grotere naties gebruikelijker is. Fortuyns optreden, zijn magische aantrekkingskracht en zijn dood hebben deze derde dimensie van de politiek weer volop blootgelegd - maar vooral als vacuüm.

De kamikaze van links

De ontideologisering betekent een verwaarlozing van deze dimensie. De gevolgen hiervan zijn aanzienlijk ernstiger ter linkerzijde dan ter rechterzijde. Het fameuze 'afschudden van de ideologische veren' is voor links niets minder dan kamikaze-politiek.

In de moderne westerse samenlevingen lijkt permanente persoonlijke behoeftebevrediging zo ongeveer de kern van het mens-zijn. Mensen worden gevormd tot economisch calculerende consumenten, zogenaamd zelfs met 'onbeperkte behoeften'. Het hoeft geen betoog dat zelfbeperking hierbij niet hoog scoort. In deze zin is er iets als een natuurlijke onderstroom richting rechts. De zelfbeperking die rechts van mensen vraagt is een minimale: het opgeven van net voldoende individuele vrijheid als verenigbaar is met de individuele vrijheid van anderen.

Links is in deze kwestie de erfgenaam van het christendom, meer dan rechts: het vraagt van mensen zelfbeperking ter wille van anderen, het vraagt solidariteit met have nots, eventueel zelfs buiten de eigen grenzen, het vraagt ook solidariteit met het milieu. En het belooft langs deze weg de ingang in een betere wereld.

Links kan echter niet meer beschikken over de hele heilseconomie van het christendom. Het persoonlijke accent in het christelijk geloof, de omgang met de eigen ziel, de individuele karaktervorming - in het katholicisme gesymboliseerd door de individualiteit van het biechthokje, in het protestantisme door de nadruk op de eigen geloofskeuze - verdampt bij links geheel. De collectiviteit van de staat komt hier in de plaats van de individualiteit van de genade. Maar nog belangrijker is dat de zelfbeperking waartoe links oproept niet langer in het kader van genade, dankbaarheid en hoop staat, maar van zeer binnenkort te verzilveren rechten. De nieuwe wereld is een recht, dat men in de zeer nabije toekomst kan claimen.

Overal waar links succes heeft, kweekt ze een grote groep voormalig-solidaire arbeiders op tot proto-liberalen, die van enige zelfbeperking niet meer willen weten. Zij krijgen plots andere belangen, die zij niet beleven als geschenk maar als recht. Steeds weer is links verrast dat mensen zodra ze - dankzij allerlei prachtige solidariteitsarrangementen - opgeklommen zijn, geen dankbaarheid tonen en links de rug toekeren. De kiezer is ondankbaar - het is de oude klaagzang die al sinds de negentiende eeuw in socialistische kringen wordt aangeheven.

Een beroep op een Hoger Ideaal kan echter wel degelijk een tegenwicht vormen tegen deze natuurlijke verrechtsing. Links zal dan wel meer religieuze energie moeten mobiliseren dan rechts, met overtuiging een Grotere Visie poneren en tegelijk het uitstel van de volledige realisering overtuigend kunnen presenteren. Zonder de christelijke zondeleer is dat niet gemakkelijk, maar het kan wel. De Nederlandse grootmeester van links, Joop den Uyl, was de man die als geen ander de grootse visies kon combineren met een besef van de 'smalle marges'. Juist hij behoorde begrijpelijkerwijs tot de grote voorbeelden van Fortuyn - hoewel hij de laatste ooit persoonlijk de deur gewezen had.

Privatisering van de zin

Pendant van de ontideologisering is de privatisering of individualisering. Ook hier blijkt het grote gevaar voor links. Al twee eeuwen geleden analyseerde de Franse politieke denker Alexis de Tocqueville precies deze dynamiek van de democratie, die Fortuyn haarscherp aanvoelde. Volgens De Tocqueville resulteert een ver doorgevoerde individualisering onvermijdelijk in wat hij noemde een 'algehele apathie'. De wereld van individuen wordt hoe langer hoe kleiner en daarmee wordt de grond waarop een appèl op solidariteit en inzet in goede aarde kan vallen, hoe langer hoe kleiner. En niets is volgens De Tocqueville zozeer te vrezen in een democratie als apathie, want dit is de ideale kweekgrond voor hetzij anarchie, hetzij despotisme.

De keuze voor 'werk, werk, werk' is vanuit deze optiek sociaal gezien een goede geweest, maar politiek gesproken voor links een ramp. Waar werkloosheid als reële bedreiging uit het gezichtsveld raakt, is ze immers ook geen reden meer om nog solidariteit en zelfbeperking te vragen. In het motto 'werk, werk, werk' was nog een allerlaatste echo te horen van de ideële, zingerichte benadering van de samenleving. Maar andere redenen voor solidariteit werden van Paars I niet meer vernomen. Vier jaar later was het echt afgelopen. Paars II durfde het niet meer aan de inmiddels in welvaart zwelgende kiezer aan te spreken, een appèl te doen op zelfbeperkende waarden. Integendeel, men zette in op voortgaande lastenverlichting. Het kabinet nam niet eens meer de moeite een motto te kiezen: de ver-D66-ing ten top. En inderdaad was het D66 dat aan dit tweede Paarse kabinet, meer dan aan het eerste, zijn wil dwingend wist op te leggen - na als enige paarse partij al in 1998 een enorme afstraffing van de kiezer te hebben gekregen. Zelfs nu handhaaft de partij doodgemoedereerd haar politieke leider na het procentueel grootste verlies van de drie paarse partijen. Alle pluche plakt, maar bij sommigen plakt het meer dan bij anderen. Zelfs voor D66 houdt politiek kennelijk niet op bij de zuiverheid van procedures.

De ambivalentie van Fortuyn

De ontideologisering van links had - en Fortuyn begreep dat als gewezen links activist zeer goed - een zingevingsvacuüm geschapen voor grote groepen. Er was weinig meer overgebleven om voor te strijden. Maar daarmee was deze dimensie niet uit het menselijk bestaan verdwenen. Bovendien begreep Fortuyn dat er momenteel ook in de tweede dimensie een groot vacuüm ontstaan was. De politieke arena bood nauwelijks identificatiefiguren meer. Hij reactiveerde de tweede, existentiële dimensie van de politiek en speelde veelvuldig met de derde dimensie.

Zijn hele levensloop was een weerspiegeling van de existentiële ontwikkeling van de Nederlandse samenleving in de afgelopen decennia: wie van zijn leeftijd die een hart had was er vroeger niet links? En wie werd er later niet rechts? Fortuyn was het allemaal, maar net iets steviger, net iets heftiger, net iets uitgesprokener. Hij was de jaren vijftig én zestig tegelijk en ook nog - het kon niet op - de kritiek op de jaren vijftig en zestig. Hij stond voor zorg voor elkaar én voor ongetemde zelfontplooiing, voor strengheid én voor levensgenieten, voor de terugkeer van de vaders én voor rebellie. Hij was ooit leider van een linkse universiteitsbezetting, werd leider van een rechtse volksbeweging en leidde het leven van een zelfontplooier pur sang - maar steeds iets uitvergroot. Fortuyn representeerde dan ook the best of both worlds, ja the best of all possible worlds. En zo werd hij uiteindelijk de verpersoonlijking van die zo getroebleerde figuur die momenteel de Nederlandse identiteit uitmaakt: koopman, dominee, zelfontplooier en rebel (en dit laatste without a cause).

Fortuyn zag als geen ander de tegenstrijdigheden die schuilgaan in deze identiteit, maar hij heeft het niet aangedurfd de kiezer ermee te confronteren. Zijn politiek-esthetisch zelfverwerkelijkingsproject was voor hem waarschijnlijk de enige uitweg uit de dilemma's waarvoor zijn eigen analyses hem plaatsten en die hij - blijkens 'De verweesde samenleving' - niet echt heeft kunnen oplossen: de keuze tussen de oriëntatie op normen en waarden enerzijds en de individuele vrijheid anderzijds, zelfbeperking én zelfverwerkelijking, hete-ronomie én autonomie. Hij belichaamde beide tegelijk en wilde de keuze tussen beide vermijden. In zekere zin was zijn optreden, zijn personalisering van de politiek, daarom een race tegen de klok, waarvan de uitkomst uiterst onzeker was. Was het zijn strategie om zo snel mogelijk de tweede dimensie van politiek - die van de spannende spiegel - te realiseren om dan door te stoten naar de derde - die van de morele oriëntatie en de tegenspraak, de uitdaging 'aan het volk van Nederland', en met name aan de kinderen van de jaren zestig? 'De verweesde samenleving' suggereert het, maar we zullen het nooit weten.

Voorzover hij zinspeelde op de derde dimensie viel ook hier de personalisering op. Zijn zingerichte opvatting van politiek concentreerde zich niet rond een inhoudelijk ideaal maar geheel en al rond zijn persoon. Hij was de gedrevene, hij had een Missie - maar namens wie of wat bleef onduidelijk. Zo bleef Fortuyn postideologisch, maar revitaliseerde hij wel de politiek-religieuze energie die vanuit religies en later vanuit de ideologieën was gecreëerd. Het succes van deze gepersonaliseerde re-ideologisering heeft hem zelf verbaasd. En de golf van religieuze verering na zijn dood is alleen vanuit dit zinspelen op de derde dimensie te begrijpen.

Zodra hij die dimensie meer inhoudelijk zou gaan invullen zou dit onmiskenbaar een meer persoonlijk appellerende boodschap hebben betekend: mensen aanspreken op wat ze niet zijn en hen hierin stimuleren. Mensen tegenspreken dus. Maar daarmee zou hij verliezen op de tweede dimensie. Daarom richtte hij zijn energie en die van zijn kiezers op een grotendeels gefingeerde vijand: Paars. De vijandschap stelt pijnlijke keuzes uit. Maar vroeg of laat had hij moeten kiezen tussen het spiegelen van zijn kiezers en het hun als een ware 'vader' tegenspreken, stimuleren, corrigeren en daarmee mogelijkerwijs vervreemden.

Fortuyns dilemma staat na zijn dood daarom nog levensgroot overeind.

Theater en politiek

Vaak wordt Athene als bakermat van ons begrip van politiek opgevoerd: het open debat in de volksvergadering, de uitwisseling van argumenten, de democratische procedures. Maar juist in Athene kende de democratie ook een publieke cultus van tragedies en komedies, die iedere burger die aan de politieke beraadslagingen deelnam, verplicht bijwoonde.

Waarom de tragedie? De gevoeligheid voor de morele dimensie van de politiek en voor de dilemma's die zich hiermee voordoen, werd kennelijk onontbeerlijk geacht om in de volksvergadering tot een afgewogen oordeel te komen. Deze nu grotendeels vergeten dimensie kan in herinnering gebracht worden zelfs door lezing van een minder bekende tragedie zoals 'De smekelingen' van de Atheense tragedieschrijver Aeschylus. De tragedie vertelt over een aantal Egyptische vrouwen die op de vlucht zijn geslagen omdat ze in Egypte een gedwongen huwelijk moeten ondergaan. Hun afgewezen vrijers zitten hen op de hielen. De vrouwen vragen asiel aan op het eiland Argos. Hun verzoek plaatst koning Pelasgos van Argos voor een onmogelijk dilemma. Asiel verlenen betekent oorlog met de Egyptenaren. Het verzoek weigeren betekent de toorn van Zeus opwekken, op wiens rechtvaardigheid en bescherming de dames zich terecht beroepen. Een comfortabele, pijnloze uitweg is er niet. De koning komt na 'diep beraad' tot de conclusie dat hij inderdaad asiel moet verlenen en neemt daarmee een moreel goede maar praktisch zeer gevaarlijke beslissing. Maar dan. De koning van Argos is een soort constitutioneel koning en kan zijn beslissingen niet nemen zonder zijn volk erin te kennen. Hij vreest bovendien dat het volk hem later gaat verwijten dat hij wel vreemdelingen beschermt maar daarmee het eigen volk aan gevaar blootstelt. De koning laat de om asiel smekende dochters dus voor wat ze zijn en maakt eerst het volk deelgenoot van het morele dilemma. Hij doet echter meer. In een indrukwekkende toespraak tracht hij het volk te overtuigen de passies van angst voor het eigen hachje en eigenbelang te overwinnen en de veel moeilijker, maar ook moreel juister beslissing te nemen - zoals hij die zelf in zijn eigen ziel ook genomen had. Hij slaagt in zijn missie. Het volk begrijpt het dilemma, maar het begrijpt ook de keuze van de koning. En steunt hem, in de zware tijd die wellicht komen gaat.

Waarom de komedie? Kennelijk moest die 'ernstige' dimensie van politiek tegelijkertijd ook weer van haar absoluutheid ontdaan worden, zodat nooit een politicus van zichzelf zou denken die derde dimensie van de politiek in eigen persoon volledig te kunnen belichamen.

Het lijkt erop dat het inderdaad tijd is voor meer theater in de politiek.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden