InterviewLouis Kroes

Het is tijd: geef de burger meer ruimte, zegt deze viroloog

Mei is unlock-maand voor veel landen in Europa, ook bij ons. Het kabinet werkt aan een anderhalvemetersamenleving, maar hoe heilig is die afstand eigenlijk? En legt Den Haag niet te veel nadruk op virusverspreiding binnenshuis? Viroloog Louis Kroes: ‘Buiten lopen we veel minder risico’.

“Het wordt weer drukker op straat”, sprak premier Mark Rutte vorige week woensdag na afloop van het crisisberaad. De rest klonk bijna als een dreigement: als de ‘verrommeling’ leidt tot extra besmettingen, wordt het lastiger om kappers, sportscholen en horeca meer ruimte te geven.

De boodschap was helder: door minder naar buiten te gaan, blijft het risico op extra besmettingen laag. Toch is een nuance op zijn plaats. In de beweeglijke buitenlucht is het besmettingsrisico anders – lager – dan binnen. Alleen: hoe communiceer je dit? “Het Outbreak Management Team (OMT) kijkt niet zozeer naar de wetenschappelijke waarheid, als wel naar de werkbaarheid”, zegt Louis Kroes, hoogleraar medische microbiologie in het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC). “Dan komen nuances even niet uit. Totdat je gaat versoepelen, dan kun je het verschil tussen binnen en buiten niet langer negeren. Je zou dan bijvoorbeeld meer ruimte kunnen geven aan activiteiten buitenshuis.”

Het kabinet gaat uit van de anderhalvemetersamenleving, de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) adviseert een minimale afstand van één meter. Langs de financiële meetlat is dat al gauw een verschil van miljoenen euro’s. Denk aan duizenden zitplaatsen, tafels en werkplekken, en een kapitaal aan inkomsten voor de horeca, reis­wereld, vervoersindustrie, culturele wereld en meer. Koninklijke Horeca Nederland gaf onlangs aan de anderhalvemetereconomie voor de horeca ‘onwerkbaar’ te vinden (‘en voor veel ­zaken financieel niet rendabel’). Uit de culturele sector en reiswereld klinken soortgelijke geluiden, net als uit het ­onderwijs. De vraag is echter of die anderhalve meter wel nodig is om uit de greep van het virus te blijven.

Besmette druppels

Al sinds 1934 wordt onderzoek gedaan naar de draagwijdte van druppels die virussen kunnen overbrengen, zegt viroloog Kroes. Voorafgaand aan het interview stuurt hij een Chinese studie uit 2007 toe, die volgens hem als leidend wordt gezien. Van belang is vooral hoe besmette druppels worden uitgescheiden, blijkt uit deze studie. Druppeltjes via ademen en praten kunnen binnenshuis, afhankelijk van de luchtvochtigheid, tot een meter ver reiken. 

Viroloog Louis Kroes.Beeld Arno Massee

Hoest- en niesdruppels zijn groter en kunnen ook verder komen (volgens sommige schattingen tot zes meter). Daar staat tegenover dat deze zwaardere druppels eerder de grond raken. De WHO houdt bij haar advies (één meter afstand houden) vast aan de veronderstelde draagwijdte van spraakdruppeltjes, in combinatie met hygiënische maatregelen. Onder andere Italië, Frankrijk en Oostenrijk hanteren een verplichte afstand van één meter. Duitsland gaat met twee meter een stuk verder. “Daar nemen ze net als bij ons het zekere voor het onzekere”, zegt Kroes. “Maar eigenlijk zijn alle afstanden arbitrair, want ook de luchtvochtigheid speelt een rol.”

En, zegt Kroes: “Bijna alle bespiegelingen gaan over de situatie binnenshuis. Buiten reiken de druppeltjes veel minder ver. Daar is de luchtcirculatie veel intenser, zodat het virus nauwelijks in staat is om een horizontale afstand van een meter te overbruggen, laat staan anderhalve meter. Die druppeltjes schieten dan alle kanten op, maar zelden recht vooruit. Door de ­hoge luchtvochtigheid verdampen ze bovendien minder en dalen ze sneller. Buiten recreëren is dan echt geen probleem. Met de kanttekening dat je het risico nooit helemáál kunt uitsluiten. Maar dat is het doel ook niet. Het doel is om de kans op besmetting zo laag mogelijk te houden.”

Leefbaarder

Dat laatste lijkt buiten beter te realiseren dan binnen. Vandaar dat Spanje op 11 mei eerst de terrassen opent (weliswaar met minder zitplaatsen) en enkele weken later de binnenhoreca. “Een terecht besluit”, zegt Kroes. “Elke kans om de maatschappij weer wat leefbaarder te maken, moet je aangrijpen. En dit is er één van. Buiten is het risico op druppeloverdracht niet nul, maar wel veel kleiner dan binnen. Daarom zie je in de zomer ook lang niet zoveel luchtweginfecties.”

Is het dan niet vreemd dat het kabinet de mensen oproept om zo veel mogelijk binnen te blijven? Kroes: “Als ­wetenschapper zeg ik: ‘misschien wel’. Maar voor een beleidsmaker lijkt het me lastig om nuances aan te brengen. Ga in het park maar eens in discussie met een ambtenaar. Dan kun je wel over virusdeeltjes en luchtstromen ­beginnen, maar dat leidt nergens toe.”

Voor bijvoorbeeld Pinkpop of voetbalwedstrijden is het nog veel te vroeg, zegt ook Kroes. “Maar geef de burger wat ruimte, ook figuurlijk. Agenten blokkeren met hun wagens de weg naar het strand. Dan denk ik: kunnen ze hun tijd niet beter besteden?”

En binnen? Vallen de omstandig­heden van buiten daar niet te kopiëren? Tot op zekere hoogte, aldus Kroes. “Ook daar zijn heel goede studies over gemaakt. Dan gaat het vooral om het ventileren van ziekenhuizen. In de regel geldt: hoe natuurlijker de ventilatie, des te beter. Airconditioning is dan echt niet aan te raden, want die verlaagt de luchtvochtigheid.”

Behalve de reikwijdte van het virus, en het verschil tussen binnen en buiten, speelt ook de mate van blootstelling aan het virus een rol, denkt de WHO: hoe meer virus, hoe groter de kans op besmetting en op complicaties. Althans: bij veel infecties is dat zo. Voor Covid-19 zijn er nog geen harde bewijzen voor. Het zou wel de relatief hoge sterfte onder artsen en verpleegkundigen in Zuid-Europa kunnen verklaren. Maar óók de sterfte in verpleeghuizen en de verspreiding van het virus (en de ic-belasting) in het zuiden van ons land na carnaval.

‘Stranden niet afsluiten’

Emeritus-hoogleraar medische microbiologie Christina Vandenbroucke-Grauls, tot 2018 afdelingshoofd van VUmc Amsterdam, is het met Kroes eens: “Het is zeker zo dat de kans op besmetting buiten vele malen kleiner is dan binnen. Ook de huidige Sars-Cov-2 epidemie laat dat weer zien: de meeste verspreiding is gekoppeld aan drukke bars, denk aan carnaval en de après-skibars in Oostenrijk. Maar ook voor buiten geldt: hoe meer mensen dichter op elkaar staan, hoe ­groter de kans op besmetting.”

Volgens Vandenbroucke-Grauls zijn grote buitenevenementen daarom vooralsnog uitgesloten. Over de horeca zegt ze: “Eerst de terrassen openen en later de binnenrestaurants lijkt mij een heel goed idee. Maar ook dan geldt dat je overvolle terrassen moet zien te vermijden. De stranden zou ik ook niet afsluiten. Dit zijn zeker de beste plekken met het minste risico. Vooral als de zon schijnt, omdat uv inderdaad virussen doodt. Maar als duizenden mensen naar het strand gaan en hutjemutje onder parasols gaan zitten, wordt het weer een ander verhaal. Oftewel: het is absoluut mogelijk om buitenactiviteiten sneller toe te staan, mits je crowding weet te voorkomen.”

Tweede golf

Te krappe, slecht geventileerde ruimtes waar veel besmette mensen bij elkaar zijn: het lijkt een beproefd recept voor een tweede patiëntengolf. Maar in tegenstelling tot de dagen voor carnaval zijn we nu wél gewaarschuwd. De kans op een tweede golf is daarom klein, ook het RIVM is daar nu niet bang voor. En mocht die toch ontstaan, dan zeer waarschijnlijk niet buiten. Kroes: “Nogmaals: dit is vooral een binnenshuis-verhaal. Nu je nadenkt over een exit-strategie moet je die nuance wel degelijk aanbrengen. Waarbij je ook niet mag vergeten dat het gezond is om buiten te zijn. Zonlicht, vitamine D dus, is goed voor de weerstand, net als veel ­bewegen. Bovendien kunnen virussen slecht tegen uv-licht.”

Volgens de viroloog is zo’n wetenschappelijke benadering bepaald niet vanzelfsprekend. “Mijn inschatting is dat het OMT uitgaat van pragmatisch en uitvoerbaar beleid. Met als gevolg dat men geen onderscheid wil maken tussen binnen en buiten, want dat leidt maar tot verwarring. Terwijl het goed zou zijn om deze feiten te laten meewegen, want daarmee draag je alternatieven aan.”

‘Gedoemd te mislukken’

Of je nu kiest voor een één- of anderhalvemetermaatschappij, volgens viroloog Jaap Goudsmit zijn beide gedoemd te mislukken. “Afstand houden en binnenblijven: dit zijn manieren om het vírus te managen. Daar heb je de wil van het volk voor nodig, maar dat is niet vol te houden. Je weet dat je het land niet nog langer in een lockdown kunt houden.”

En dus moeten we niet het virus, maar de ziekte managen, meent Goudsmit, hoogleraar epidemiologie en infectie­zieken aan de Harvard Public School of Health. “Voor ouderen en chronisch zieken is Covid-19 een probleem te veel. Daar moeten we iets mee, bijvoorbeeld door een integrale gezondheidszorg voor de meest kwetsbare mensen in te richten. 60-plussers hebben een gelijke infectiekans als jongere mensen, maar een grotere ziektekans. Dit kun je managen door vaker te testen op het virus en op antistoffen, en door hyperimmune globaline toe te dienen aan ouderen die ziek zijn geworden.” Met het laatste doelt hij op antistoffen van genezen coronapatiënten, een behandeling waarmee nu wordt geëxperimenteerd. Tegelijkertijd moet je versoepelen, zegt Goudsmit. “Geef 60-minners de ruimte om weer actief aan het sociale en werkzame leven deel te ­nemen.”

Het onderscheid maken tussen leeftijdsgroepen kan op ethische bezwaren stuiten, maar volgens Goudsmit maken we dat onderscheid nu ook al. “Tegen jongeren zeggen we: je mag onder de achttien geen sigaretten en alcohol kopen, want dat is slecht voor je. Je hoeft ouderen niet uit te sluiten, maar je kunt ze wel bewust maken van de gevaren, en ingrijpen als het fout dreigt te gaan.”

Bij elke maatregel die in het kader van versoepelen wordt genomen, zal het ­effect ervan gemeten moeten worden, meent Goudsmit. “Dit virus laat zich met geen enkel ander virus vergelijken. Je kunt daarom moeilijk verwijzen naar eerdere influenza- en Sars-onderzoeken. Met Covid-19 beginnen we weer van ­voren af aan, net als in 1983 met aids. Van die laatste pandemie hebben we geleerd dat we zo veel mogelijk virus- en antistoftesten moeten maken, en dan vooral de risicogroepen moeten testen. Genoeg testen, mondkapjes en therapeutisch ingrijpen met antistoffen: zo kunnen we de ziekte managen. Dan kunnen we ook versoepelen, nee moéten we versoepelen, want de mensen houden dit niet langer vol. Het nieuwe normaal, met anderhalve meter afstand houden, is voor mij eerder het ‘nieuwe abnormaal’. Dat werkt niet en het is ook niet het perspectief dat je wil bieden. Je moet mensen een toekomst geven.”

Lees ook:

Onder druk van dalende omzet komt ‘het nieuwe normaal’ ineens op gang

Rutte’s ‘nieuwe normaal’, de anderhalvemetereconomie, dient zich aan nu de paniekpiek voorbij is. Winkels schreeuwen om omzet en gaan massaal weer open.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden