Het is te grof voor woorden

Godert van Colmjon schreef dit jaar twee artikelen over de biografische achtergrond van het werk van de dichter Gerrit Achterberg (L & G, 15 juni en 16 november). Daarin laat hij zien hoezeer de poëzie van Achterberg verweven is met zijn psychopathische ziektebeeld en komt hij tot de conclusie 'dat literair Nederland het benauwde oeuvre van een psychopathische necrofiel aan de borst heeft gekoesterd'. Ook is Van Colmjon op zoek gegaan naar Bep van Es, de dochter van de door Achterberg vermoorde Roel van Es.

Als William Shakespeare werkelijk een praktiserend homoseksueel was, zoals lezers van zijn prachtige sonnetten misschien al dachten, is dan de hele Romeo en Julia waardeloos, of waardeloos voor heteroseksuelen? Worden Willem de Mérode's gedichten lelijk wanneer je ontdekt dat hij ooit is veroordeeld (en waarvoor)? Zijn J.I. de Haans kwatrijnen mooier als je weet dat de auteur vermoord is? Beleef je aan de Mathilde-cyclus van Jacques Perk meer genoegen, of juist minder, als je weet dat Mathilde Thomas wees was en katholiek en later toch nog gelukkig gehuwd, al was het niet met Perk? Heeft Harry Mulisch eigenlijk ooit wel Mensch-erger-je-niet gespeeld in de Tweede Wereldoorlog? Zou je Gerard Reve niet een literaire prijs moeten weigeren als zijn partner verdacht wordt van iets wat wettelijk niet mag? Het grootste deel van het oeuvre van Herman Brood ontstond terwijl hij de narcoticawet overtrad, en is daarom niet mooi?

In de literaire kritiek en het letterkundig onderzoek is het al tientallen jaren gebruikelijk om poëzie te lezen en te beoordelen als... poëzie. Nog langer is het reeds onacceptabel om bijvoorbeeld de opvattingen en uitlatingen van een literair personage gelijk te stellen aan de particuliere opvattingen en uitlatingen van de auteur (denk aan het proces naar aanleiding van W.F. Hermans' Ik heb altijd gelijk in 1952). Deze houding ten opzichte van literatuur impliceert niet dat een auteur zijn werk volkomen uit de duim zou zuigen. Zo schreef prof. dr. A.L. Sötemann, deskundig vertegenwoordiger van deze ergocentrische benaderingswijze, naar aanleiding van Martinus Nijhoffs 'Awater': 'Natuurlijk heeft hij uit het leven geput, zogoed als uit de boeken. Maar dat betekent allerminst dat men die feiten ook als verklaringsgronden voor zijn poëzie kan hanteren. Hij schreef geen autobiografie maar fictie.' (Over poëtica en poëzie, 1985, p. 230.)

Deze ontwikkeling in de literatuurbeschouwing is voorbijgegaan aan Godert van Colmjon. Het enige dat hij wil weten over de poëzie van Gerrit Achterberg is 'de concrete bron van deze poëzieader', blijkens zijn artikel 'Wegens gebrek aan leven' (L & G, 15 juni). Literatuur kan hem niet biografisch en particulier genoeg zijn. Niet vreemd wellicht, nu Conny Palmen haar ene dagboek na het andere in de vorm van een roman publiceert, en hoofdpersonages in romans als die van Ronald Giphart 'Giph' of iets dergelijks heten, en J.J. Voskuil zich zeven delen lang nauwelijks vermomt als Maarten Koning. Toch is Maarten Koning niet J.J. Voskuil, is Giph niet Ronald Giphart en betekent I.M. niet alleen maar Ischa Meijer. Wie toch, zoals Van Colmjon, geen onderscheid maakt tussen een auteur en diens personages, ontkracht en ontkent het wezen van de literaire fictie, maar krijgt er heel wat zoekopdrachten bij: heeft Maria Stahlie haar kind verwaarloosd; is de overgrootvader van Louis Ferron geveld door een boom; woont Jeroen Brouwers op een boot en is hij zijn partner ontrouw geweest met de moeder van een gehandicapt kind, en heeft hij zelf een dochter met het syndroom van Down; is J. Bernlef of diens vader dementerende; houdt Peter Verhelst veel van aardbeien; woonde Multatuli op Lauriergracht nr. 37; wat voor weer was het om vier uur; is de dochter van Robert Anker verslaafd aan drugs???

Van Colmjons eerste essay ('Wegens gebrek aan leven') heeft een dermate particulier fundament, dat het haast te gênant is om er in het openbaar op te reageren. Een vriend adviseert de jonge Van Colmjon kort na de oorlog om de poëzie van Achterberg te lezen. Zo komt hij in aanraking met boeiende verzen. Zo boeiend, dat hij de maker ervan gaat bezichtigen (een voorstelbare vorm van literaire idolatrie). Wat treft hij, glurend met zijn vriendje, op het Molenhoekje te Leusden aan? De dichter, maar dan in zijn burgerlijke gedaante, bezig in zijn tuintje. Een bladharkend poëet is natuurlijk een teleurstelling voor een verzengenietende puber. Maar wat erger is: Achterberg lijkt uiterlijk op Van Colmjons vader. Dat is desastreus voor zijn opgeblazen Achterberg-beeld, want hij heeft een hekel aan zijn vader. Volg nu zijn logica: Achterberg lijkt uiterlijk op Van Colmjons vervelende vader, dus Achterbergs poëzie deugt ook niet. Geen speld tussen te krijgen. Het stuk besluit van de hak op de tak met de mededeling dat de vriend die hem Achterbergs poëzie aanried, later mislukt is als dichter en pedofiel bleek. Die deugde dus ook al niet. Tussendoor worden nog allerlei onbehouwen kwalificaties van de mens Achterberg en diens poëzie geserveerd op basis van een psychologie van een dermate koude grond dat de doodsschrik je om het hart slaat. Van Colmjon, die mij althans niet als psycholoog of psychiater bekend is, schrikt er niet voor terug om na het lezen van de gedichten te spreken over Achterbergs psychopatische necrofilie. Het is te grof voor woorden, zelfs te grof voor borrelpraat. Maar het staat in de krant.

Een mooi, en goed onderbouwd essay vol deconstructie en ontmythologisering van een gecanoniseerd dichter als Achterberg lees ik gretig. Een mooi staaltje Achterberg-debunking is een van Guus Middags NRC-columns over het 'klassieke' gedicht 'Werkster'. Ander voorbeeld: op het laatste Achterbergsymposium (Amersfoort, 30 november jl.) heeft de dichter Piet Gerbrandy - tevens poëziecriticus van de Volkskrant - in een betoog met argumenten op basis van tekstanalyse, laten weten waarom en waardoor de poëzie van Achterberg hem inmiddels zó irriteert, dat hij zich met geen mogelijkheid meer door de Verzamelde gedichten weet heen te werken. De tekst van deze voordracht is komend voorjaar na te lezen in het Jaarboek Gerrit Achterberg 3. Dat is een uitgave van de Stichting Genootschap Gerrit Achterberg. Het genootschap (een groep van ongeveer 150 mensen die graag het werk van Achterberg lezen) concentreert zich in zijn activiteiten op de poëzie, maar gaat niet voorbij aan de biografie. Maar van een degelijke ontmythologisering is bij Van Colmjon geen sprake.

De redactie van Letter & Geest betoonde zich door Van Colmjons eerste stuk te plaatsen niet erg kundig op het gebied van de poëzie, in het bijzonder die van Achterberg. Foutje; moet kunnen. Ze stootte zich helaas tweemaal aan dezelfde steen. Verleden maand kreeg Van Colmjon ruim de gelegenheid om, via een kunstmatig en geantedateerd medeleven met de dochter van 'de' dode hospita, zijn gal over de mens Achterberg te spuwen ('Het meisje van zestien'; 16 november). De nieuwswaarde van dat stuk, waarmee Trouw luidkeels liep te koketteren in de radioreclame, is nihil. In een krantenkop samengevat: Dochter dode hospita Achterberg leeft nog! Een poëzielezer zou daarop hoofdschuddend reageren ('Knuffelkonijn Frits van Egters heeft twee oren': ammehoela) en op zoek gaan naar een interessant artikel.

Van Colmjons bijdragen aan Trouw bevatten geen nieuws en zijn niet zinnig. Hij betoogt dat men zich zou moeten bekommeren om de dochter van de gedode hospita. Ik ken haar niet, evenmin als Van Colmjon haar kent, tenzij via de Achterberg-biografie van Wim Hazeu (1988).

Denkend aan haar kom ik hooguit tot de volgende overweging. Hoe zou een hoogbejaarde vrouw (geboren enkele jaren na de Eerste Wereldoorlog, puber in de crisistijd, volwassen tijdens de Tweede Wereldoorlog) zich voelen als ze vijfenzestig jaar na dato door een haar volslagen onbekende man aan haar hoofd wordt gezeurd over haar dramatisch en uiterst gewelddadig verstoorde, wellicht vernietigde jeugd, waarin ze door een - letterlijk en figuurlijk - vreemde kostganger van haar moeder meerdere malen handtastelijk werd belaagd, terwijl ze, levend zonder vader (hij was van haar moeder gescheiden), waarschijnlijk midden in de puberteit verkeerde, en dat alles tijdens de economische crisis van begin twintigste eeuw, in een onevenwichtige, gespannen thuissituatie, die erop uitloopt dat ze moet zien hoe haar moeder voor haar ogen wordt neergeschoten door een labiele, driftige, opgewonden kamerhuurder, waarna zijzelf, vluchtend, in de hals wordt geschoten? Ligt het in de rede dat ze gezegd zou hebben toen Van Colmjon haar opbelde: Ach, meneer, en nu mag ik van u vernemen dat die engerd er ook nog gedichten over geschreven zou hebben? Wat fijn dat te weten, wat interessant dat u me dat vertelt; misschien zou ik het voorvalletje anders maar zijn vergeten, hè? Prettige dag verder.

Wat een wansmakelijkheid. Wat een lugubere, perfide, als medemenselijkheid verpakte, zelfbevredigende belangstelling voor andermans dieptragische, persoonlijke ellende. Maar we weten nu gelukkig dat de dochter van de dode hospita nog leeft! En we weten eindelijk dat ze op haar twaalfde al borsten had! En passant deelt Van Colmjon mee dat ze, in afwijking van wat hij in het eerste stuk nog wist te melden, gelukkig door de aanslag niet zo is verwond dat ze aan een rolstoel gekluisterd is geweest de afgelopen decennia. Dat stukje Van der

Meyden-nieuws berustte op 'een valse bron'. En dan mag de lezer blij zijn dat er kennelijk bronnen in het geding zijn, want Van Colmjon ziet er vrijwel volledig van af om ze te noemen, vooral wanneer hij hele lappen tekst uit Hazeu's Achterberg-biografie in eigen woorden navertelt. Het eigene van die woorden bestaat uit aandikkingen en verdachtmakingen. Hij dikt de biografie vettig aan door bijvoorbeeld 'agressie' of 'poging tot aanranding' kortweg om te zetten in 'verkrachting' (waarmee ik niet wil zeggen dat het één meer acceptabel zou zijn dan het ander; het gaat erom dat het één niet hetzelfde is als het ander en dus ook niet met willekeurig welke term kan worden aangeduid). Van Colmjon maakt (niet met name genoemde) mensen verdacht als hij spreekt over 'enkele goeddeels weggemoffelde verwijzingen', over 'een zelfgenoegzame literaire kring', en waar hij noteert: 'de enige getuige [...] is door Achterberg en zijn bewonderaars sinds vijfenzestig jaar het zwijgen opgelegd'. Van 'het zwijgen opleggen' is geen sprake, al was het maar omdat Hazeu in zijn biografie, en voor hem Martien J.G. de Jong in Bewijzen uit het ongerijmde, informatie over de dochter van de hospita heeft verstrekt, voor wie er nieuwsgierig naar was. Bij De Jong, in 1971 al, had Van Colmjon kunnen lezen dat de dochter van de hospita in 1970 nog nooit poëzie had gelezen, angstcrises ervoer en een verzwakt zenuwgestel had (Bewijzen uit het ongerijmde, pp. 44-45). Van diezelfde De Jong weet Van Colmjon (uit een gesprek wellicht, hij noemt geen concrete bron) dat de dochter van de hospita in 1970 al liever niet over Achterberg wilde praten: 'Ze wilde zelfs de mogelijkheid niet overwegen dat haar moeder iets met Achterberg had gehad', zoals hij in zijn tweede stuk schrijft.

Wat doet die man dan in 2002 in de krant? Waarom rakelt hij bij haar die ellendige tijd op? Als een soort toegift krijgen we te lezen dat Achterberg exhibitionist was, en alcoholist, dat zijn vrouw NSB'ster is geweest en een dood kind heeft gebaard. Als het maar rottigheid is, Van Colmjon dist het op, beter: hij warmt een koude prak op, want er is niks nieuws bij. Maar hij concludeert: 'De tekstinterpretatie van de gedichtencyclus Zestien is definitief verbonden met zijn biografische oorsprong'. Mijn hemel: in de eerste druk van de Achterberg-biografie in 1988 schreef Hazeu reeds over die correspondentie tussen werk en leven in het geval-Zestien ('Het lijkt me geen al te boude veronderstelling'; p. 285). De Jong had in 1971 al weinig moeite met een dergelijke identificatie. Helemaal niets nieuws onder de zon.

Dat Van Colmjon niet op de hoogte is van literatuur en literaire kritiek is niet erg. Dat de poëzie hem, zoals hij zelf schrijft, 'niet [mag] rekenen tot haar onvoorwaardelijke bewonderaars', is ook niet erg. Dat hij tweemaal drie prominente pagina's van misschien wel de beste krant van Nederland mag vullen met quasi-literair-kritische vuilspuiterij is, gelet op zijn 'deskundigheid', ronduit stuitend.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden