Het is over en uit met de wielerheld

Doping heeft van de helden in de Tour de France weer gewone mensen gemaakt. Hoe epo de renner van zijn sokkel stootte.

Interviewer: "Gebruiken wielrenners doping?" Robert Gesink: "Ja, en wie anders beweert is het niet waard om over wielrennen te praten." Interviewer: "En jij, gebruikte jij doping?" Gesink: "Ja, wanneer het noodzakelijk was." Interviewer: "En wanneer was het noodzakelijk?" Gesink: "Altijd."

Een openhartig vraaggesprek als dit is fictief, laat dat gezegd zijn. Robert Gesink heeft nooit doping gebruikt, tenminste niet voor zover bekend. En toch is het gesprek een nauwgezette transcriptie van een dopingbekentenis. Het moet 1958 of 1959 zijn geweest dat tweevoudig Tourwinnaar Fausto Coppi in het openbaar zijn zonden opbiechtte. De wielerwereld nam de ontboezeming van Il Campionissimo voor kennisgeving aan en ging over tot de orde van de dag. Gesink zou vandaag de dag heel wat uit te leggen hebben.

Coppi en zijn generatiegenoten, maar ook die van daarna, waren niet vies van La Bomba, amfetaminen. Het hielp hen een zware koersdag in de Tour de France te overleven. Iedereen wist het: de wedstrijdorganisatoren, de bonden, de journalisten, de coureurs en het publiek. Een geheim kon je het nauwelijks noemen. Maar niemand sprak erover. Renners nemen ook water, klonk de vergelijking.

Die laissez faire-houding ten aanzien van amfetaminen zou tien jaar later een eerste deuk oplopen. Het is 13 juli 1967, 40 graden, en de Ronde van Frankrijk kraakt onder een fel brandende zon. Nog anderhalve kilometer te gaan voor de koploper de top van de Mont Ventoux bereikt. Maar veel verder komt de ongelukkige coureur niet. Hij valt van uitputting om. Omstanders en ploegleider zetten de arme ziel weer op de fiets. Maar ver komt de renner niet. Weer stort hij neer. Opstaan doet hij nadien niet meer.

De Brit Tommy Simpson is niet de eerste dopingdode in de wielersport. Hij vertolkt wrang genoeg wel de geboorte van langzaam verschuivende opvattingen over doping. Is het verantwoord je lijf vol te proppen met stimulerende pillen terwijl de Tour je lichaam drie weken lang tot het uiterste teistert? Die wetenschap zette de wielerinstanties er een jaar voor de dood van Simpson toe aan om de eerste controles in te voeren. Raymond Poulidor bijt het spits af in de Tour van dat jaar. In zijn plas wordt niets gevonden dat de wenkbrauwen van de officials doet fronsen. Vijf andere Tourdeelnemers in 1966 lopen bij een tweede controleronde wel tegen de lamp.

Prioriteit
Het is een succesje tegen wat dan al door sommigen als een eerste prioriteit wordt gezien in de Tour de France: het dopinggebruik terugdringen. Het zijn met name de Tourartsen die dan al meermaals aan de bel hebben getrokken. Als onafhankelijke geneesheren is het hun primaire taak om te waken over het welzijn van de renners. De artsen van tegenwoordig staan anders dan vroeger op de loonlijst van de ploegen, wat soms wringt met hun medische eed.

Die last kennen de geneesheren in de loodzware Ronde van Frankrijk dan nog niet. Als Franse douaniers in 1959 een dosis amfetaminepillen confisqueren bestemd voor de Luxemburgse klimmer Charly Gaul, roepen ze luidkeels om invoering van dopingcontroles. Hun bede wordt niet verhoord. Pas als een jaar later de Deen Knud Enemark Jensen tijdens de tijdrit op de Spelen van Rome afgemat van zijn fiets valt en overlijdt, komt het thema doping op de agenda te staan van het Internationaal Olympisch Comité. Jensens bloed bevatte sporen van amfetaminen. Het IOC stelt een medische commissie in, maar een dopinglijst blijft vooralsnog uit.

Dat er in de jaren tot Simpson en Jensen zo weinig doden vallen, mag een klein wonder heten. Renners en soigneurs rommelden naar de huidige maatstaven maar wat aan met hoeveelheden en middelen. Het is nauwelijks voorstelbaar maar strychnine en nitroglycerine heetten in de eerste Tour van 1903 en daarna 'wondermiddelen' te zijn. Etappes zijn zelden korter dan 300 kilometer. Om de vermoeidheid en pijn in die dagen te verbijten, grijpen de coureurs naar alles waarvan ze geloven dat het verlichting brengt. Zelfs als het bij verkeerd gebruik de dood tot gevolg kan hebben.

Het wielerpubliek is begripvol. Het geniet eerst en vooral van het bovenmenselijke spektakel, tekent de Vlaamse dopingjournalist Hans Vandeweghe op in zijn boek 'Wie gelooft die coureurs nog?' "Levende lijken op twee wielen zien voorbijrijden was overigens ook de beweegreden voor de Fransen om na 1903 massaal op straat te komen voor de doortocht van de Tour de France." Veelzeggend is dat de publieke verontwaardiging pas de kop opsteekt als blijkt dat sommige coureurs in de Ronde het jaar erop de trein nemen en zich laten voorttrekken. De eerste vier van het eindklassement worden gediskwalificeerd. Tourbaas en journalist Henri Desgrange schrijft in een reactie pathetische woorden: "De Grote kruistocht van de wielersport mag niet eindigen met zo'n valse noot."

Het journaille is in die dagen, net als nu, de vertolker van de heersende opvattingen over doping. De gebroeders Francis en Henri Pélissier laten zich na de derde etappe van de Tour in 1924 in een café interviewen door journalist Albert Londres. De broers beklagen zich bij een borrel over het onmenselijke leven als coureur. Beiden zijn dan voortijdig afgestapt. De Pélissiers maken Londres en de lezers van Le Petit Parisien deelgenoot van hun dopinggebruik. 'De dwangarbeiders van de weg' staat er boven het artikel. De titel groeit niet alleen uit tot een geuzennaam voor de renners, het zegt nog meer over het begrip dat hun ten deel valt.

Simpson eindigt op de Mont Ventoux als volksheld. Veel verandering is er in de jaren erna niet bespeurbaar in de houding van het wielerminnend volk. Nog steeds laten duizenden wielertoeristen hun bidon achter bij Simpsons bermmonument. Zelfs wanneer de allergrootsten als Eddy Merckx de verleiding niet kunnen weerstaan, blijft de coureur fier op zijn sokkel staan. De instanties zijn dan al minder geamuseerd; tijdstraffen moeten de uitwassen tegengaan. Het overkomt Joop Zoetemelk in de Tour van 1977 en twee jaar later nogmaals. En wie de boel flest, kan subiet naar huis. Geletruidrager Michel Pollentier heeft de twijfelachtige eer in de Ronde van '78. Thuis in België wacht hem, tegen het zere been van de wielerbonzen, een martelaarsstatus.

Pas met de intrede van epo in het peloton (epo is sinds 1989 op de markt, red.) verschuift langzaam de houding van het publiek. De renners zijn in de jaren negentig van de vorige eeuw dan allang geen asfaltslaaf meer, maar een redelijk betaalde atleet met wie de Tourbazen steeds meer consideratie hebben. Het inkorten van de etappes, betere hotels en dito verzorging maken van de gekwelde helden weer gewone mensen van vlees en bloed. Om die Tour te winnen heb je toch geen middelen nodig, vraagt het volk aan de kant zich voor het eerst af.

Het zijn de coureurs zelf die de veranderende perceptie rond doping aanslingeren. Met name de 'amfetamine-generatie' die dan in haar nadagen verkeert, ziet zich letterlijk voorbijgereden door een jonge, enthousiaste garde. Zij beklagen zich en vallen voor het eerst, openlijk, collega's af. Peter Winnen, derde in de Tour van 1983 en winnaar van vier etappes, laat zich in een interview met NRC Handelsblad ongezouten uit over de lichting-Indurain: "Vanaf de introductie van epo was ik meteen kansloos. Ik werd verdomme door de grootste boerenlul voorbijgereden."

Het gelijke speelveld werd in Winnens optiek abrupt verstoord. Epo stimuleerde meer dan andere verboden producten vooral de natuurlijke ongelijkheid in de rangen van profs, zo luidde zijn lezing en die van andere coureurs van zijn generatie. Aan epo werden krachten toegedicht die Samsons haar van kleur hadden doen verschieten. Ze vergaten er gemakshalve bij te vertellen dat zij zelf ook naar hartelust uit de pillenpot snoepten.

Grote vlucht
Gevoed door onwetendheid, veronderstellingen en vooral valse hoop, nam het gebruik van epo in de jaren negentig een grote vlucht. Het zou echter nog meer dan tien jaar duren voordat de kunstmatige variant van het hormoon kon worden onderscheiden van het lichaamseigen epo. En er moest een enorm schandaal in de Tour aan te pas komen om een detectiemethode te bespoedigen.

In de tussentijd experimenteerden coureurs er lustig op los. De Tourwinnaar van 1996, Bjarne Riis, pompte volgens een soigneur zijn bloed soms zo op dat het levensbedreigende proporties aannam. De Deen moest 's nachts in zijn Tourhotel wakker worden gemaakt om ervoor te zorgen dat zijn bijna gestolde bloed hem geen hartstilstand zou bezorgen. In 1998 barstte uiteindelijk de epo-bubbel. Bij toeval.

Als Festina-verzorger Willy Voet tijdens de Tour bij de Belgisch-Franse grens aan de kant wordt gezet, schrikt de douane van de inhoud van de ploegwagen. Die is afgeladen met epo, anabole steroïden, testosteron en maskeringsmiddelen. Het zou het Tourdieet zijn voor drie afmattende weken. Festina vliegt de Tour uit, gevolgd door het Nederlandse TVM. Voor het eerst bemoeit het justitieapparaat zich met wat daarvoor als de eigen wielermores wordt gezien. Ploegleiders, artsen en renners worden door de politie aan de tand gevoeld. Het komt tot rechtszaken en uiteindelijk voor sommigen tot een gevangenisstraf.

Een jaar later boekt Lance Armstrong zijn eerste van zeven Tourzeges. Een nieuwe held lijkt geboren, vooral omdat hij de dood recht in de ogen heeft gezien. Hij overwon kanker. Maar het sprookje loopt deuken op. Armstrong zou de hand hebben in zijn eigen herrijzenis. Uiteindelijk biecht de Amerikaan begin 2013 bij Oprah Winfrey zijn zonden op. The Boss wordt uitgekotst. Niet alleen verliest hij zijn zeven gele truien, maar ook zijn lucratieve sponsorovereenkomsten. Met het demasqué van Armstrong is het definitief gedaan met de heldenstatus van de renner.

Monumenten als voor Simpson lijken verder weg dan ooit.

Klein dopingwoordenboek
Strychnine Bij kleine doses een pepmiddel, vanaf 100 mg dodelijk. Is een succesnummer op de slopende zesdaagsen die rond 1900 ongemeen populair zijn.

Nitroglycerine Baanwielrenners zweren in de begindagen van deze vorstelijk betaalde sport bij dit explosieve goedje. Temt de vermoeidheid.

Amfetamine (La Bomba) Het eerste dopingproduct dat op grote schaal wordt gebruikt (na 1930). Neemt de vermoeidheid weg.

Pot Belge Een ooit populaire cocktail van heroïne, cocaïne, amfetamine en cafeïne om pijn en vermoeidheid te onderdrukken.

Testosteron Bevordert het herstel. Na Gert-Jan Theunisse (1988) bleef het stil lang rond dit middel. Tot Floyd Landis in de Tour van 2006 positief testte op deze anabole steroïde.

Corticosteroïden (cortisonen) Doen pijn en inspanning vergeten. Ondanks de dubieuze werking rijdt nog steeds het halve peloton met een attest rond.

Groeihormonen Festina dreef niet alleen op epo, de ploeg bleek grootgebruiker van groeihormonen. Effect op wielrenners is nooit bewezen.

Clenbuterol Ademhaling, spieren en vetverbranding zouden profiteren van dit product. Tevens maskeringsmiddel. Contador verloor er in 2010 een Tourzege door.

Bloedtransfusie Stimuleert het zuurstoftransport in het lichaam. Vond via de atletiek in de jaren '70 zijn weg naar het wielrennen. Verloor zijn magie na de introductie van epo. Maakte een doorstart toen epo traceerbaar werd.

Epo (erytropoëtine) Doet hetzelfde als een transfusie. Kreeg ondanks gammele wetenschappelijke onderbouwing over het effect op de sportprestaties een haast mythische status onder wielrenners.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden