Het is nooit goed

Zijn' is niet hetzelfde als 'zin', maar deze allitererende en halfrijmende woorden zijn wel op een problematisch manier op elkaar betrokken. Wij worden dagelijks verscheurd tussen het verlangen naar 'zijn' en het verlangen naar 'zin'. En beide verlangens los van elkaar lopen op niets uit.

Om te beginnen twee voorbeelden. Onze gang naar het theater is een uiting van het verlangen naar zin. Niet naar zijn. We ervaren daar zaken die we in het werkelijk leven niet zouden kunnen verdragen. We beleven daar zelfs een zeker genoegen aan, iets wat Aristoteles reeds verbaasde. We zetten de realiteit even tussen haakjes. Er wordt gezegd dat we in de schouwburg een verhevigde werkelijkheid zien. Maar deze vorm van werkelijkheid betekent concentratie op het wezenlijke door het verwijderen van het toevallige. De zin prevaleert boven het zijn.

Een ander voorbeeld van het verschil tussen verlangen naar zijn en verlangen naar zin - met een omgekeerde strekking - zien we in de droom. Daarin verbreden we onze belevenissen, wat ten koste gaat van de zin. In de droom wordt het criterium van zinnigheid, het realiteitsprincipe, opgeheven en wordt veel meer ervaring toegelaten dan in het wakend bestaan. Alcohol en drugs zijn ook middelen om de cirkel van het zijn wijder te trekken, voorbij het ervaarbare. Het bewustzijn wordt verruimd ten koste van de zin, want we weten geen weg op die onbetreden terreinen. Maar juist dat onbekende lokt.

Ik heb extreme voorbeelden gekozen, uit de bovenwereld van de kunst en uit de onderwereld van het onbewuste, omdat we daar uitvergroot zien wat ook aan de hand is in het dagelijks leven: een voortdurend pendelen tussen zin en zijn. Het verlangen naar zin kan ontaarden in een zucht naar zin, naar een zelfgeschapen beeld van de wereld dat haaks staat op de werkelijkheid zelf, maar lichter te verdragen is. Hoe meer zin, hoe lichter het bestaan maar ook hoe minder ervaring, hoe minder contact met de werkelijkheid. Maar het ongekeerde komt ook voor. We overschatten in overmoed onze draagkracht; we laten meer toe dan we kunnen verduren en dreigen aan de zwaarte van het bestaan te bezwijken.

De psychiater Van Dantzig besprak een jaar geleden in Letter & Geest (1.3.97) het gedrag van kinderen die traumatische ervaringen hebben opgedaan met hun ouders. Kinderen zijn te klein om zo'n schok aan te kunnen, om gepast te reageren: met woede of verontwaardiging. Het kind kan dat risico niet nemen omdat het te afhankelijk is van de ouders. Omdat het kind de werkelijkheid in die situatie niet kan veranderen, verandert het zichzelf. De woede wordt weggemaakt. Het kind kiest ervoor zo min mogelijk te bestaan. Het kan een wereld niet verdragen waarin de ouders niet van hem of haar houden. Omdat het de wereld niet kan veranderen, verandert het zijn gevoel. Dit is iets wat we voortdurend doen.

Sartre heeft daar het mooie boekje Magie en emotie (Boom 1988) over geschreven. Hij noemt dit gedrag magisch omdat het de realiteit manipuleert met subjectieve emoties. Het betekent dat de cirkel van het ervaarbare ingeperkt wordt tot de grens van het verdraaglijke. Van Dantzig vertelt ook over na de oorlog terugkerende joden. Zij waren niet welkom in hun vroegere wereld. Ze moesten zich bovendien aanpassen aan mensen die toekeken toen ze werden weggevoerd. Gevoelens van woede en verwijt konden ze zich niet permitteren. Ook die aanpassing kon slechts slagen door het eigen zijn te verminderen. In beide gevallen wordt het verlangen naar zijn opgeofferd aan het verlangen naar zin.

De zin van de wereld is niet iets wat een individu zelf kan maken. Hij ligt vast in de gedragspatronen die de samenleving heeft opgebouwd in de strijd tegen de onzin. In onze tijd heeft die samenleving bepaald dat je carrière moet maken, geld verdienen, en de ander een slag voor moet blijven. Elke zingeving heeft een verborgen beperkende werking, maar onze kapitalistische 24-uurseconomie is een bij uitstek tiranniek zingevingssysteem, waaraan veel (innerlijke) realiteit opgeofferd moet worden. Met al te veel gevoeligheden redden we het niet. Je moet hard werken, assertief zijn, netwerken etc. Celan noemt dat in een van zijn gedichten het schlaflos durchwanderte Brotland. We bereiden onze kinderen, onze studenten, voortdurend voor op de intrede in die snode wereld, disciplineren ze, en perken zo hun ervaringswereld in tot een schijnbestaan, tot wat Marx zou noemen een 'realer Schein'. Een permanente inspanning om in leven te blijven door onder de maat van het leven te leven. Stress geeft zin, werkeloosheid baart leegte. Waar is de erfenis van Den Uyl met zijn 'ontspannen samenleving' gebleven?

Zin is dus niet van nature gegeven maar wordt door ons in onze cultuur gemaakt en overgeleverd door opvoeding en onderwijs. Zin is dan ook stellig niet iets waar we als zodanig al een warm gevoel van moeten krijgen. De mens kent wel een verlangen naar zin, maar evenzeer een verlangen naar het zalige zijn. Het zijn kan door de zin heen barsten als de kruik breekt. Er kraakt iets, het onbehagen in de cultuur breekt zich baan en er ontstaat een culturele revolutie: een verbreding van het zijn ten koste van de zin.

Ook deze omslag maakt ongelukken. Er wordt een vrijheid gevergd die we helemaal niet aankunnen. 'Het moet kunnen', ja het kan ook, maar alleen in boeken, op het toneel. Aan de rand van het onbekende deinzen we terug. Zo zwalken we heen en weer tussen het verlangen naar zin en het verlangen naar zijn. We zijn cultuurwezens waarvan de balans van zijn en zin niet tevoren vastligt en telkens opnieuw uitgevonden moet worden.

Er is uit het bovenstaande maar één conclusie mogelijk die Simenon ergens trekt: menszijn is een moeilijk vak, een métier difficile. De mens bestaat als een verlangen te bestaan, zeggen filosofen (Sartre, Ricoeur). Die uitspraak verhult eigenlijk een beetje het probleem met mensen want dat verlangen moet voortdurend een weg zoeken tussen de klippen van de zin en de klippen van het zijn.

Naast het verlangen te zijn, is er ook een angst om te zijn. Human kind cannot bear very much reality, schreef Eliot. Om iets van de mens te begrijpen moet die angst als een (bijna) even grote kracht erkend worden als het verlangen. Het niet door zin getemde zijn kan ons naar het Niets voeren.

Overgenomen uit het Duitse spraakgebruik is de term 'chaoten', een aanduiding voor een anarchistische, min of meer politieke groepering, die de grenzen van de geldende zin zo oprekken dat er chaos opdoemt. Het is politieke gekte. Maar Chesterton heeft eens gezegd: niemand is zo ordelijk als een gek. Is onze orde niet gek? Wie en wat is er nu eigenlijk gek? Pascal heeft hierover de verstandigste opmerking gemaakt: “we zijn zo gek dat er een speciaal soort gekte nodig is om niet gek te zijn.” Hij bedoelde daar de dwaasheid van het evangelie mee.

De vraag wie gek is, verdeelt de politiek in links en rechts. Links verdraagt geen ongelijkheid en wil de geldende orde aanvechten, rechts wil de prestatie belonen en de bestaande hiërarchie versterken. Rechts ziet in links de dreiging van anarchie, links in rechts de tirannie van law and order. Zij vrezen elkaar. Daartussen scharrelen we wat heen en weer met ons gezond verstand. Goede politici zijn evenwichtskunstenaars. Ze moeten een redelijk midden zoeken tussen neoliberalisme en gemeenschapsdenken. Niemand kan zich hier op een gegevenheid of een natuurwet beroepen, laat staan op een wetenschap.

De democratie, de grootste verworvenheid in die kunst van het balanceren, bezweert de wederzijdse angst door georganiseerde discussie. De mens is mateloos en er is nergens een natuurlijke maat te vinden. We vinden die maat pas door democratie, door confrontatie en compromissen, door politieke cultuur. In het grote verband van de cultuur zien we dezelfde polariteit van zijn en zin als in de politiek. We hebben heimwee naar de grote verhalen - zij gaven zin en betekenis - maar voelen ons ook opgelucht door hun verval, want er is ruimte gekomen voor experimenten, voor eigen interpretatie.

Tot nu toe ging het over zin en zijn. Er is ook nog een dimensie van niet-zijn, die spookt aan de rand van onze ervaring. De chaos die ik al noemde is een dreiging van niet-zijn in de marge van een gegeven systeem van zingeving. Het verlangen te zijn zou alle verten en diepten van het bestaan willen verkennen, maar kan daarbij in een vrije val in het niets belanden.

Er is echter al gebleken dat dat niet-zijn zich ook meldt aan de pool van de zin, van de orde. Ordnung muss sein. In naam daarvan wordt het zijn verminderd, weggedrukt en soms vernietigd. Waar ligt het ware zijn? Ergens tussen die twee uitersten van niet-zijn.

In de religie kennen we het niets als een tremendum dat tegelijk een fascinosum is. De oervloed heeft een geheimzinnige bekoring. Daar zouden alle grenzen overschreden worden van het verlangen te bestaan maar zou, zoals Freud al opmerkte, tegelijk dat verlangen zelf beëindigd worden.

Er bestaat naar mijn idee inderdaad zoiets als een verlangen naar het niets. Het meldt zich in de sluimerende neiging van een toren te springen. Bergbeklimmers voelen zich onweerstaanbaar aangetrokken tot een steile rotswand. Waarom? Het gevaar daagt uit maar tegelijk is er de drang die uitdaging te overleven. Misschien is de neiging tot springen een ultieme poging de angst voor de afgrond te bezweren.

De zuigkracht van het niets manifesteert zich echter ook in de hang naar orde. Dit is, denk ik, de aantrekkingskracht van kernwapens, de belofte van een definitieve oplossing in de strijd tegen het kwaad, des-noods ten koste van het eigen bestaan. Gooi Satan een bom op zijn kop, dan krijg je een nieuwe wereldorde.

Het verlangen naar zijn en het verlangen naar zin kunnen dus beide derailleren.

We vinden de beide extremen van het menselijk verlangen in het werk van Baudelaire. Hij kende de nostalgie naar de afgrond maar evenzeer het verlangen naar de 'getallen en de zijnden', naar de wiskundige wereldorde. We zien die spanning ook in het werk van Nijhoff en Roland Holst. Iets wat zij gemeen hadden - daarin verschilden zij van Bloem die natuur iets vond 'voor tevredenen en legen' - is dat zij gefascineerd werden door het roepen van de afgrond en de leegte. Roland Holst schrijft over Nijhoff: “Ik heb weinig mensen gekend in wie de leegte, het niets, een zo ingeschapen dreigement was...”. Nijhoff speelde zijn spel “aan de rand van de afgrond. Aan die rand werd hij vaak, en later vooral, behoed door de herinnering aan zijn moeder en haar geloof”. Nijhoff verzette zich tegen de lokroep van het afgrondelijke maar ook tegen de orde van de straat, die kookt van woede als een vreemdeling in Het uur U haar rust komt verstoren. Als we ons de uitersten realiseren waartussen de mens, de natuur en de cultuur, balanceren, kan ook het besef dagen van wat ons 'heilig' moet zijn: kwetsbare orde, fiere fragiliteit.

Volgens Plato lag het Goede 'aan gene zijde van het zijn'. Dat 'aan gene zijde' geldt - zoveel is hoop ik inmiddels duidelijk - evenzeer voor de zin als voor het zijn. Het Goede transcendeert beide. In de Heidelbergse Catechismus komt de zinsnede voor: “God is niet alleen barmhartig, Hij is ook rechtvaardig”. Ik zou dat om willen keren: Hij is niet alleen rechtvaardig maar ook barmhartig. De zin van het bestaan is het hongeren naar gerechtigheid. Dat is bijna vanzelfsprekend. Maar het hoogste recht alleen leidt, zoals het spreekwoord zegt, tot het hoogste onrecht. Ons idee van rechtvaardigheid moet weer aan het wankelen gebracht worden door barmhartigheid. Het zijn oriënteren aan de zin is wijsheid. Voor het transcenderen van de zin is een scheut dwaasheid nodig.

Over het scheppen van hemel en aarde lees ik in een joods commentaar (Interpretatie, sept. 1997): “Dit lijkt op een koning die teer glaswerk heeft. Hij overweegt: Als ik er heet water in doe, dan barsten ze; doe ik er koud water in, dan krimpen en scheuren ze. Wat deed hij? Hij mengde het hete water met het koude en de glazen bleven heel. Zo overwoog de Heilige - Hij-zij-gezegend: Schep ik de wereld alleen met de maat van het erbarmen, dan zullen de zondaars welig tieren en wordt de wereld een chaos. Maar gebruik ik alleen de maat van het recht, dan zal de wereld niet kunnen blijven bestaan, maar te gronde gaan aan zijn eigen ongerechtigheid. Wat zal ik doen? Ik schep de wereld met de maat van het erbarmen en de maat van het recht samen - O, dat de wereld mag blijven bestaan!”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden