Het is nog te vroeg om het christendom af te schrijven

'Pantheïsten zijn geen socialisten, omdat zij solidariteit slechts waarderen voorzover zij er zelf belang bij hebben. En het zijn zeker geen boeddhisten, omdat zij niet in staat zijn de wereld met een glimlach tegemoet te treden. Pantheïsten gaan er vanuit dat hun eigen innerlijke drijfveren serieuze aandacht en respect verdienen alleen al vanwege het feit dat zij individuele expressies zijn van een 'zelf' dat goddelijke proporties heeft aangenomen.'

Eens, op een morgen, zou de christen ontwaken en zich afvragen: 'Ben ik niet eigenlijk een boeddhist?' Althans dat geloof en die hoop sprak Vestdijk uit in zijn destijds geruchtmakende essay De toekomst der religie (geschreven in 1943, verschenen in 1947).

Volgens Vestdijk zou het christendom onvermijdelijk, zij het langzaamaan, een zachte dood sterven. Toenemende bevolkingsdichtheid en iets dat we nu globalisering zouden noemen, gevoegd bij de emancipatie van de arbeidersklasse zouden daar een bepalende rol bij spelen. Deze ontwikkelingen lieten steeds minder ruimte voor metafysische waarheidsaanspraken (met God als alfa en omega). Daarmee zouden ook de intolerantie en strenge moraal op het terrein van de seksualiteit (verbeeld in het goddelijke huisgezin van Vader, Zoon en Heilige Geest) als vanzelf verdwijnen. En bovendien zou het de mensheid verlossen van een zijns inziens overdreven zondebesef en van het verlossingsmotief (in de vorm van Christus' plaatsvervangende kruisdood). De nieuwe mens zou leren - al was het maar uit overwegingen van leefbaarheid - andermans opvattingen te respecteren, daarop gebaseerde levensstijlen te tolereren en de waarde van het gezin als vanzelfsprekende hoeksteen van de samenleving te relativeren.

Herhaaldelijk is beweerd dat een dergelijke ontwikkeling in Nederland al volop aan de gang zou zijn. Het christendom beperkte zich steeds meer tot de privé-wereld van burgers. Bovendien leek door een toenemende secularisering het definitieve einde van de religie, waarnaar vele verlichte geesten uitzagen, nabij.

De vraag is echter in hoeverre de wens hier de vader is van de gedachte. Zo had Menno ter Braak beweerd dat wij allen het christendom met ons meedragen, hoezeer we ons er ook tegen verzetten. En Vestdijk meende dat wij ''ergens in onze instincten nog 'goede' christenen zijn, in God geloven, in het hiernamaals en in het zoenoffer van Christus''.

Natuurlijk, ook volgens Ter Braak waren de 'oude christenen' op sterven na dood. En Vestdijk zag op de lange termijn geen toekomst voor het christendom. Veel van zijn mede-intellectuelen wilden maar al te graag geloven dat deze godsdienst plaats zou moeten maken voor het socialisme. Zolang men hen maar niet al te zeer vereenzelvigde met de massa's goedgelovigen die ook werkelijk in de heilstaat geloofden.

Politiek hadden ze zich weliswaar tot het socialisme bekeerd (ze hadden tenslotte toch een verhaal nodig om de massa's voor zich te winnen), maar intellectueel leken ze meer op de boeddhist (zij hadden zo, nu ja vooruit, hun idealen; maar ze wisten die idealen te relativeren en alternatieve opvattingen te tolereren; geen idealen, maar goede bedoelingen en gevoelens - daar draaide het uiteindelijk om!).

Heeft Vestdijk gelijk gekregen? Is het waar dat Vestdijk's idealen zich na het verschijnen van zijn essay in razend tempo hebben gerealiseerd? Hebben socialisme en boeddhisme de dominante rol die het christendom eeuwenlang heeft gespeeld, overgenomen? Is de toekomst der religie inderdaad al begonnen? Laten we daarvoor eens kijken wat de socialistische en soloreligieuze alternatieven van vandaag te bieden hebben, en bezien in hoeverre dat overeenkomt met Vestdijk's ideeën omtrent de toekomst.Het socialistische alternatief

Ondanks het feit dat socialisten, met name de christelijke theologen onder hen, Vestdijk fel bekritiseerden, deelden ze zijn intellectuele zoektocht naar een nieuw evenwicht tussen maatschappelijke verantwoordelijkheid en individuele vrijheid. Wat hen verenigde was een diepe afkeer van de verzuilde structuren die het publieke leven in Nederland sinds het einde van de negentiende eeuw gedomineerd hadden. Als 'vrijzwevende intellectuelen' meenden zij dat het oude denken in termen van kerkelijke denominaties (katholiek dan wel gereformeerd) diende plaats te maken voor een solidariteit die niet beperkt bleef tot de leden van de eigen groep.

De meest uitgesproken linkse intellectueel van dit moment, Dick Pels, heeft er recent nog op gewezen dat iemand als de 'rode dominee' Willem Banning binnen zijn sterk ethisch-christelijk getinte opvatting van het socialisme uiteindelijk de solidaire (politieke) gemeenschap het primaat toekende. 'Solidariteit' paste naadloos binnen de visie die Vestdijk op het socialisme ontwikkelde (streven naar totaliteit in gemeenschap met de medemens), terwijl het via spreekbeurten en publicaties van intellectuelen die de zogenaamde Doorbraak nastreefden tenslotte tot politieke slogan van de PvdA zou worden verheven.

Maar ondanks alle overeenkomst tussen Vestdijk en de leidslieden van de PvdA openbaart zich op het praktisch-politieke vlak een fundamenteel verschil van inzicht. Terwijl Vestdijk zich beperkte tot theoretische uitwijdingen over een toekomst waarin maatschappelijke veranderingen vanzelf tot andere vormen van religie zouden leiden, streefden de Doorbraak-socialisten een actieve politiek van maatschappijhervorming na. Dacht Vestdijk in termen van millennia, de PvdA vond dat een gelijke verdeling van geld, middelen en macht in enkele decennia ook daadwerkelijk viel te realiseren.

En ook al heeft het ideaal, sinds Wim Kok meende zijn ideologische veren te moeten afschudden, niet zo heel veel pleitbezorgers meer, er zijn nog altijd intellectuelen die zich sterk maken voor een herleving van de oude socialistische waarden. Mensen als de eerdergenoemde Dick ('het progressieve antwoord') Pels, Jan Willem ('waar blijft de politiek?') Duyvendak en Evelien ('tegen de conservatieve mannelijkheid') Tonkens vormen de voorhoede van een nieuwe generatie spraakmakende intellectuelen.

Maar noch de Doorbraak-intellectuelen uit de jaren veertig en vijftig, noch de Revolutie-kinderen van de jaren zestig en zeventig kunnen gerekend worden tot de pedagogen die Vestdijk voor ogen stonden als leidslieden van de massa. Toegegeven: ook hij verwachtte veel van staatsgesubsidieerde onderwijsinstellingen voor het rekruteren van toekomstige elites. Maar hij ging er tevens vanuit dat zijn pedagogen zich niet door woorden, maar door hun wijze van leven zouden onderscheiden en een voorbeeld zouden zijn voor de rest van de mensheid. Door hun mentale evenwicht zouden zij een natuurlijk gezag hebben en in staat zijn de samenleving te sturen en de wereldvrede te bevorderen. In dat opzicht verschilden ze ook fundamenteel van socialistische intellectuelen die door hun ideologische bevlogenheid nog teveel schatplichtig waren aan een verleden dat beheerst werd door metafysische geloofsovertuigingen.Het soloreligieuze alternatief

Maar als het niet de socialistische intellectuelen, noch de politieke leidslieden van links zijn die Vestdijk's ideaal beantwoorden, zijn het dan misschien de zogenaamde soloreligieuzen van tegenwoordig die als wegbereiders van de toekomst kunnen worden gezien?

De gedachte is verleidelijk. Hoewel niet meer gelovend in de Vader, diens Zoon en de Heilige Geest, allen verenigd in de zogeheten Drie-eenheid, gaat het hier om hoogontwikkelde individuen die een besef hebben gekregen van het goddelijke als de eenheid of samenhang van al wat 'leven' is. Die eenheid van het 'leven' wordt via de introspectie van het eigen innerlijk ervaren. Niet langer stellen ze zich tevreden met de beelden die de traditie hen biedt. Ze staan van nature argwanend tegenover georganiseerde vormen van godsdienst. Samen met de aartsvaders van het Nederlandse atheïsme als W.F. Hermans, Karel van het Reve en Rudy Kousbroek (met Herman Philipse eventueel als nakomertje) wisten zij zich ooit te ontworstelen aan het burgerlijk christendom. Ze geven er sindsdien de voorkeur aan toeristen te zijn in eigen vaderland. Ze behoren, om met de Amsterdamse godsdienstsocioloog Anton van Harskamp te spreken, tot de 'vrijzwevenden'. Ze zonderen zich graag af van de rest om, al lezend, te genieten van een andere wereld - die van het Ware, het Goede en het Schone.

Opvallend is dat het hier zowel theologen als literatoren zijn die een baanbrekende rol spelen. Beperkte het verschijnsel buitenkerkelijke religieuzen zich aanvankelijk tot een enkele vrijzinnige, met P. ('geef mijn portie maar aan fikkie') Smits als bekendste voorbeeld, tegenwoordig kan ook een ex-gereformeerde als H.M. ('goden zijn zoekplaatjes') Kuitert ertoe worden gerekend. En schrijvers als Frans ('mystiek lichaam') Kellendonk, C.O. ('het uitblijvend antwoord') Jellema en, recent nog, Jan ('verlost van zelfgeschapen demonen') Oegema, bekeerden zich eveneens tot de soloreligieuze trend van tegenwoordig.

Maar zijn zij daarmee de introspectieve boeddhisten en pedagogische leidslieden waarover Vestdijk het had? Helaas: nee. Daarvoor zijn deze 'vrijzwevenden' nog teveel intellectuelen, lijden ze nog teveel onder hun cerebrale aanleg. Bovendien worstelen zij nog altijd met de oude beelden die hen van huis uit parten spelen. Net zoals het geval is bij veel socialisten, zijn ze nog te weinig wereldburger, nog teveel calvinisten met, om de eerdergenoemde Pels te citeren, 'een zwak voor Nederland'. Zoals Oegema, één van de meest spraakmakende soloreligieuzen van het moment, zelf toegeeft is hij geen zenmonnik die met een glimlach om de lippen verklaart 'dat de geest niet bestaat en dat mijn stilte boordevol vergissingen zit. Er is alleen wat er is; alles wat je daarin of daarbovenop aan beelden legt is een verzinsel.'Gedeelde overtuigingen

Ook al zijn deze soloreligieuzen vaak niet politiek actief, de ideologische eensgezindheid met de eerdergenoemde socialisten is opvallend.

- Wat betreft de waarheid gaan zij er beiden vanuit dat daaraan geen metafysische kwaliteiten kunnen worden toegeschreven; integendeel: volgens hen zijn het slechts menselijke constructies. Waar het om gaat zijn de intenties die achter dergelijke constructies schuilgaan.

- Wat betreft mensen: kwade intenties kunnen niet zozeer aan individuen worden toegeschreven. Het zijn eerder maatschappelijke structuren die hier het kwaad vertegenwoordigen. Daarbij denkt men dan vooral aan kerkelijke vormen van hiërarchie, ongelijkheid tussen de seksen, en allerlei uitingen van rassen- en klassendiscriminatie.

- Wat betreft de maatschappij: doordat intenties zo'n centrale rol spelen in het politieke discours, zijn de eigen belevingswereld en de intellectuele constructies die daarop gebaseerd worden van veel groter gewicht dan de maatschappelijke gevolgen van politiek handelen. Ongeacht de bestaande verhoudingen in de publieke ruimte, vormen zeer bepaalde opvattingen van solidariteit en tolerantie nog altijd een bron van politieke inspiratie. De verzorgingsstaat is daarvan de belangrijkste uitkomst.

- Men vindt het dan ook heel gewoon dat de staat garanties biedt voor sociaal zwakken (onderklasse), eigen initiatieven en individuele geneugten (middenklasse) en onafhankelijke oordeelsvorming (intellectuele elite). Voor zowel socialisten als soloreligieuzen spreekt een staatsgesubsidieerde 'vrijzwevendheid' vanzelf. Een 'beschaafd hedonisme', zoals Oegema het noemt, is tenslotte hun goed recht. Socialistische intellectuelen verschillen in zoverre van soloreligieuzen dat zij het nog als hun roeping zien de overheid telkens opnieuw aan haar zorgtaken te herinneren. Soloreligieuzen daarentegen kennen geen enkele maatschappelijke verantwoordelijkheid, anders dan het, vanuit de leunstoel of vanonder de leeslamp, onophoudelijk kritiseren van wat zijzelf als onderdrukking ervaren. Het blijft hier bij woorden; daadwerkelijke initiatieven kan men toch niet van hen verwachten - daarvoor is er tenslotte de staat.

In meer dan één opzicht zou men, gezien het bovenstaande, geneigd zijn Vestdijk gelijk te geven. Het metafysische christendom heeft aan belang ingeboet. In plaats van de gebruikelijke scheiding tussen God en wereld, zijn die twee steeds meer naar elkaar toegegroeid. Maar toch niet zozeer dat we, 's morgens bij het wakker worden, ons met recht kunnen afvragen of wij niet eigenlijk boeddhisten zijn. Het gelijk van Tocqueville

Mij lijkt de vorm van religiositeit die Tocqueville introduceerde in zijn beroemde De la démocratie en Amérique (1835-1840, ruim honderd jaar voor het verschijnen van Vestdijk's essay) adequaat om het huidige klimaat in Nederland te karakteriseren. Net als Vestdijk meende ook Tocqueville dat het traditionele christendom zijn dominantie zou verliezen. Maar hij zag niet het socialisme en het boeddhisme als alternatieve religies, maar iets wat hij pantheïsme noemde. Welk alternatief biedt dit pantheïsme voor de traditionele christelijke waarheden?

In plaats van te geloven in één enkele God gaat men er vanuit dat er een god in ieder van ons schuil gaat. In plaats van te rekenen met een hiernamaals zet men liever alle kaarten op het hier-en-nu; het is in dit ondermaanse dat de gelukzaligheid wordt nagestreefd. In plaats van nog langer geloof te hechten aan Christus' plaatsvervangende lijden en sterven, verklaart men zich solidair met alle slachtoffers van geweld, uitbuiting en onderdrukking waar ook ter wereld.

Vroeger beleden christenen dat alle mensen in gelijke mate onderworpen waren aan de Schepper van hemel en aarde. Daarbij kende het burgerlijk christendom de plicht om alle gaven die men had ontvangen ook te ontwikkelen en aan te wenden tot eer van God. Wanneer we die 'God' echter uit ons vocabulaire schrappen zonder afstand te doen van de christelijke moraal, dan blijft er slechts één conclusie over: niet alleen zijn alle mensen gelijk, maar zij kunnen ook allen gelijke rechten laten gelden.

In plaats van het oude Godsconcept ontwikkelde zich de idee van het 'zelf'. En in plaats van onderwerping en dienstbaarheid raakte vanaf het einde van de negentiende eeuw het verhaal van 'zelfontplooiing', 'maakbaarheid' en 'menselijke waardigheid' in zwang. In de humanistische psychologie, de andragologie, de pedagogiek en, niet te vergeten, de politiek zien we deze begrippen sindsdien telkens weer opduiken. Hoewel men gepoogd heeft het nieuwe discours te tooien met een aura van wetenschappelijkheid, moesten onderzoekers als A.J. Nijk en H.C.J. Duijker concluderen dat het hier toch vooral om een intelligent vormgegeven mythe ging. We weten namelijk niet wat met dat 'zelf' bedoeld wordt en evenmin onder welke omstandigheden het zich ontplooit.

Voor de politiek vormde dat echter allerminst een beletsel om ermee aan de haal te gaan. Als namelijk alle mensen gelijke rechten hebben op zelfontplooiing, maar de praktijk zich nog altijd kenmerkt door ongelijkheid tussen mensen onderling, dan dienen niet zozeer wijzelf, maar onze vertegenwoordigers in de politiek ervoor te zorgen dat de maatschappelijke werkelijkheid zich hoe dan ook naar de theorie voegt. Hier vinden we de wortels van de maakbaarheidsideologie zoals die sinds de late Verlichting en vroege Romantiek is ontwikkeld en nog altijd springlevend is.

In de praktijk, zo concludeerde de cultuurcriticus H.A. Gomperts, zou deze vernieuwing van de christelijke moraal niet zozeer leiden tot de creatie van een universele gelijkheid als wel een revolutionaire premie inhouden voor de armen, de slaven en de verdrukten.Respect

Tocqueville stelde zich de vraag hoe het komt dat democratische samenlevingen als de onze, mensen gevoelig maken voor het pantheïsme. Zijn antwoord luidde als volgt.

Wanneer men streeft naar toenemende gelijkheid en ieder meer zoals de ander wordt (denk aan de 'kuddedieren' van de moderne sociologie), zwakker en kleiner, dan is het onvermijdelijk dat burgers niet langer als individuen, maar eerder als uitingsvormen van de menselijke soort gezien worden. En wanneer dan ook nog eens het onderscheid tussen mens en God wegvalt, dan spreekt het vanzelf dat 'de mens' als vertegenwoordiger van de soort goddelijke waardigheid krijgt toebedeeld. Het staat iedere manifestatie van de mensensoort vrij om de plaats van God in te nemen en, onafhankelijk van concrete omstandigheden en eigen handelingen, universele rechten voor zich op te eisen.

Tocqueville achtte een dergelijke denkbeweging typisch voor samenlevingen waarin het volk deel krijgt aan de macht en waarin regering bij de gratie Gods plaatsmaakt voor de leer van de volkssoevereiniteit.

Tocqueville zag geen heil in een relativisme waarin de tegenstelling tussen goed en kwaad geen rol meer zou spelen en waarin zelfs misdaden tegen het eigen ideaal - 'de menselijkheid' - niet meer bestraft zouden worden volgens de wetten van de wederkerigheid. En heeft hij geen gelijk gekregen? Velen zijn tegenwoordig werkelijk van mening dat het opleggen van straffen die evenredig zijn aan de misdaad, misdadig is.

Tocqueville vreesde een gelijkheidsdenken waarbij ieder mens aanspraak zou kunnen maken op een abstracte notie van 'menselijke waardigheid'. Het gevaar bestond dan namelijk dat mensen op basis van deze vermeende waardigheid respect voor zichzelf zouden opeisen, zonder nog te beseffen dat respect vooral iets was dat ieder mens voor zich verdienen moest. Claims

En wat laat de geschiedenis ons in dit opzicht zien? Waartoe leidt een pantheïsme waarin het individu gereduceerd wordt tot een onderdeel van de menselijke soort?

De mens als God kan natuurlijk niet anders zijn dan wezenlijk goed. Het kwaad schuilt slechts in diens geringe ontplooiingsmogelijkheden en de grenzen die daaraan door allerlei sociale structuren gesteld worden. In het ideale geval dient in elke individuele ontwikkeling zich de ontwikkeling van de soort te herhalen, zo niet te voltooien.

Gesteund door de positieve kenmerken die aan de 'menselijke waardigheid' worden toegedicht, confronteert men zowel de directe omgeving als de democratische samenleving in haar geheel met de eigen individuele claims. Zonder voorbehoud kan ieder individu aanspraak maken op zogenaamde politieke en sociale grondrechten. De mens is niet verantwoordelijk voor zijn eigen autonomie, maar dient door de samenleving in staat gesteld te worden autonoom, dat wil zeggen overeenkomstig zijn individuele menselijke waardigheid, te handelen. Van een zeker evenwicht tussen rechten en plichten zoals dat in de negentiende-eeuwse burgerlijke samenleving bestond, wil de pantheïst niets weten.

Pantheïsten zijn geen oude christenen omdat zij niet meer in een persoonlijke Drie-eenheid geloven. Het zijn evenmin socialisten, omdat zij solidariteit en tolerantie slechts waarderen voorzover zij er zelf belang bij hebben. En het zijn zeker geen boeddhisten, omdat zij niet in staat zijn de wereld met een glimlach tegemoet te treden. Pantheïsten zijn geen burgers die verantwoording schuldig zijn aan God. Het zijn geen lieden die zich veel bekommeren om en samenwerken met hun naaste buren. En het zijn evenmin mensen die geneigd zijn het leven te accepteren zoals het is; integendeel: zij verlangen altijd maar naar meer.

Pantheïsten streven slechts ontplooiing van de god in henzelf na. Zij geloven dat rancune en kwaadwilligheid alleen door toenemende sociale gelijkheid kunnen worden weggenomen. Ze gaan er tevens vanuit dat hun eigen innerlijke drijfveren serieuze aandacht en respect verdienen alleen al vanwege het feit dat zij individuele expressies zijn van een 'zelf' dat goddelijke proporties heeft aangenomen.Lui en volgevreten

Men maakt zich tegenwoordig nogal zorgen over het gebrek aan normen- en waardenbesef in Nederland. Soms wordt dat besef nog wel aanwezig geacht, maar heeft het, zo stelt men, zijn richtinggevende kracht voor het handelen van individuen verloren. De vraag echter, of de ideologie dan wel de religie van de zelfontplooiing als oorzaak voor deze problematiek zou kunnen gelden, wordt zelden of nooit gesteld. Als uitzondering kunnen mensen als Pim Fortuyn en, mogelijk in zijn spoor, Gabriël van den Brink en Ad Verbrugge genoemd worden. Volgens hen is er namelijk een direct verband tussen de mondigheid en assertiviteit die van autonome burgers wordt geëist, en de toegenomen agressie en terreur in de openbare ruimte.

Wat dat betreft zag de toekomst van een samenleving zonder God en godsdienst er in de visie van Vestdijk toch heel wat rooskleuriger uit - althans op de lange termijn. Het socialisme werd volgens hem gedreven door oprechte liefde voor de medemens. Het boeddhisme leerde mensen zichzelf te accepteren zoals ze waren. De toekomstige wereld zou er geen zijn waarin de roep om respect het publieke domein zou beheersen en waarin alleen degenen die het hardste schreeuwen nog gehoord zouden worden. Integendeel. De wereld die Vestdijk voor ogen stond was er één waarin niets of nauwelijks iets gezegd zou hoeven te worden om elkaar te verstaan.

Gomperts zag in Vestdijk's visie op de toekomst der religie echter niet veel meer dan een 'adembenemend visioen van een vrije, verdraagzame, te midden van de zuurkoolstank beheerst onanerende en navelstarende mensheid, die in opperste geestelijke wellust de volstrekte zaligheid bereikte in een vereniging met Alles'. Maar in plaats van Vestdijk recht te doen, lijkt hij hier eerder de nachtmerrie te beschrijven waarin de democratische samenleving volgens Tocqueville zou eindigen wanneer onze pantheïsten zich lui en volgevreten zouden overgeven aan morele zelfgenoegzaamheid.

De vraag is alleen hoe een samenleving waarin ieder voor zich leeft en zich niet bekommert om z'n naaste, toch de (van origine christelijke) notie van 'solidariteit' kan hooghouden en er in slaagt haar morele zelfgenoegzaamheid van een legitimatie te voorzien.De totalitaire staat

Ook al schieten moderne mensen als individu tekort in hun zorg voor de naaste, via belastingafdracht en kiesrecht verlegt men de eigen verantwoordelijkheid naar de staat. In moderne democratieën is het de overheid die geacht wordt te waken over de belangen van eenieder van ons. Sinds de nachtwakersstaat (waarin de overheid slechts zorg droeg voor de openbare orde) heeft plaats gemaakt voor de verzorgingsstaat, leven velen in de overtuiging dat eerst nu de mogelijkheid bestaat om recht te doen aan de menselijke waardigheid en ieder in staat te stellen zichzelf maximaal te ontplooien. Met goedvinden van de meerderheid der burgers heeft de overheid zich meester gemaakt van deze functies. Maar, zo stelt Tocqueville, de wijze waarop de staat deze functies vervult maakt mensen eerder afhankelijk en lui, en stimuleert het korte termijn denken waarin alles draait om oppervlakkig vermaak.

Het is waar dat burgers onder het pantheïstisch regiem over het algemeen nogal volgzaam zijn als het de politiek betreft. Maar anders dan Frits Bolkestein eens beweerde, betekent dat zeker niet dat zij ook tevreden zijn. In het alledaagse leven is er veel onvrede. Mensen zijn assertief, vaak agressief. En dreigende terreur begint langzaamaan serieus genomen te worden. Maar zijn we ook weerbaar genoeg om aan deze maatschappelijke problemen het hoofd te bieden?Het temmen van barbaren

Net als de 'zelfontplooiing' heeft ook de staat als 'volksopvoeder' de laatste tijd veel van zijn mythische glans verloren. 'Drammen, dreigen, draaien', om met Leo Prick te spreken, hebben dat niet kunnen voorkomen. Qua onderwijsniveau overheerst de grijze middelmaat in Nederland. En de neoliberale tijdgeest waarin men leerlingen als consumenten beschouwt, zal daaraan niets veranderen. Tocqueville zag scherp: 'Hoe kan een samenleving ontkomen aan de ondergang als de morele teugels niet worden aangehaald, wanneer de politieke vrijheid toeneemt? En wat valt er te beginnen met een volk dat autonoom is, als het niet onderworpen is aan God?'

Het is nog te vroeg om het christendom af te schrijven. Vooral omdat er nog geen goede alternatieven voorhanden blijken.

Een socialisme dat niet erkent schatplichtig te zijn aan de christelijke traditie heeft nog niet tot de belangeloze solidariteit en liefdadigheid geleid die het beloofde en die Vestdijk ervan verwachtte. En overeenkomstig diens opvatting dat mooie woorden niet zelden een substituut zijn voor daadwerkelijke veranderingen, hoeft dat ook niet te verbazen. Het boeddhisme heeft veel langer nodig om hier wortel te schieten. En gezien de stand van de geestelijke ontwikkeling in het Westen kon dat nog wel enkele duizenden jaren gaan duren. Tot die tijd zouden we het ook volgens Vestdijk zelf niet zonder het christendom kunnen stellen.

God is en blijft voorlopig een transcendente werkelijkheid waaraan wij ons dienen te onderwerpen zolang wij niet in staat zijn volledig op eigen benen te staan. Het hiernamaals zal altijd de fantasie van westerlingen blijven prikkelen, zolang het duizendjarig rijk of de heilstaat hier op aarde niet is gerealiseerd. Het plaatsvervangende lijden van Christus zal zich altijd blijven aandienen zolang wij niet in staat zijn de volle verantwoordelijkheid voor onze eigen misdaden te dragen en anderen de schuld blijven geven van ons eigen falen.

Ook Vestdijk meende dat 'een primitieve, patriarchale moraal van schuld, straf, belooning, boete, wedervergelding, haar nut kan hebben bij het paedagogisch temmen van barbaren, krachtmenschen en gevaarlijke misdadigers, en bij het opvoeden van moeilijke kinderen tot op zekere leeftijd' Mij lijken die woorden nog niets van hun geldingskracht te hebben verloren.

Anders dan de tegenwoordige socialisten (ook degenen onder hen die zich liberalen noemen) dienen we de neiging tot het kwade in ieder mens serieuzer te nemen. En anders dan veel van de tegenwoordige liberalen dienen we ervoor te waken de bestrijding van het kwaad louter als een overheidstaak te zien. Absoluut noodzakelijk is daarvoor een grondige herwaardering van de betekenis die christelijke waarheden en de daarbij behorende moraal nog altijd voor ons kunnen hebben.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden