HET IS EENZAAM AAN DE TOP

"I mean, mijn beste zinnen zijn geschreven alsof het om de laatste zin ging, die ene zin die over tweeduizend jaar nog overeind zal staan en dan door iemand ontdekt zal worden als de zin waarin alles samenkomt." Camilla Paglia, schrijfster van 'Het Sexuele Masker', staat op eenzame hoogte, is te origineel voor haar tijd. Wie op zoek gaat naar haar gelijken moet terug in de tijd. Is Camilla Paglia te vergelijken met Oswald Spengler, Otto Weininger en Friedrich Nietzsche? Camille Paglia, 'Seks, kunst en Amerikaanse cultuur. Essays', vertaling: Agave Kruijssen-van Zantwijk en Annet Wierenga, Uitg. Prometheus, 1992. Eerder dat jaar verscheen bij dezelfde uitgeverij de vertaling van haar 'Sexual Personae' onder de titel 'Het seksuele masker'.

ANTOINE VERBIJ

Het is eenzaam aan de top. Waar vindt Camille Paglia nog iemand met wie ze op haar duizelingwekkende niveau van gedachten kan wisselen? Onder de levenden is zo iemand in ieder geval niet te vinden. Paglia schrijft dan ook niet voor haar tijdgenoten. 'Ik ben te origineel voor mijn tijd. Ik richt mij op de toekomst. I mean, mijn beste zinnen zijn geschreven alsof het om de laatste zin ging, die ene zin die over tweeduizend jaar nog overeind zal staan en dan door iemand ontdekt zal worden als de zin waarin alles samenkomt.'

Wie op zoek gaat naar geesten die zich met Paglia zouden kunnen meten, moet dan ook enige tijd terug in de geschiedenis, om ten slotte te belanden bij Friedrich Nietzsche, Otto Weininger en Oswald Spengler. Het zijn drie geesten met een zelfde visionaire blik op onze cultuur, een zelfde dedain voor hun tijdgenoten en een zelfde zekerheid over de eeuwige geldigheid van hun inzichten als Paglia. En net als zij zien zij zichzelf als denkers in een neergaande cultuur, roependen in een intellectuele woestijn, donderprekers tegen geestelijke verslapping en profeten van een reddende toekomst.

Laten we beginnen bij Oswald Spengler. Wie in zijn lotgevallen niet een voorafschaduwing ziet van het lot van Paglia, is blind. Afgezonderd op een zolderkamer te Munchen vermaalde hij honderden boeken over de beschavingsgeschiedenis van vijftienhonderd voor Christus tot nu. Terwijl zijn landgenoten in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog nog een laatste verwoede poging deden om de resten te redden van wat hij de 'faustische beschaving' noemde, ploeterde de ascetische denker bij flakkerend kaarslicht en een miezerig potkacheltje aan zijn levenswerk. Het kostte enige moeite om een uitgever te vinden, maar nog voor Kaiser Wilhelm de vijand definitief verpletterde - Spengler twijfelde er geen moment aan dat de Duitsers de oorlog zouden winnen - zag zijn 'Der Untergang des Abendlandes' het licht.

Het boek sloeg in als een bom. Echter niet in een glorierend keizerrijk maar in een verslagen en vernederd Duitsland, ten prooi aan revolutionaire woelingen, die zouden uitmonden in de dionysische warboel van de Weimarrepubliek. Spenglers succes was er niet minder om, integendeel. Terwijl de academische wereld zijn boek weghoonde, werd Spengler een veelgevraagd spreker en gastschrijver. Waar hij maar wilde, mocht hij komen vertellen dat Duitslands enige redding gelegen was in wat hij 'Pruisisch socialisme' noemde: zijn visioen van een autoritair en corporatief soort volksgemeenschap. En zowaar, in 1933 mocht hij het meemaken dat zijn ideeen met de komst van Hitler werkelijkheid werden.

Spengler en Paglia, twee heremieten, die hun seksleven offerden op het altaar van hun verheven spirituele opdracht; twee culturele mastodonten, die in hun ziel de oerkrachten der beschaving temden en verzoenden; twee geharnaste krijgers, die de bittere sappen der miskenning diep in hun gemoed opsloegen, om ze, zodra hun uur geslagen had, te gebruiken als brandstof voor hun vlammende filippica's tegen de verwekelijking der natie; twee zieners die de wereld een reddende heilsleer voorhielden: Spengler zijn 'Pruisisch socialisme' en Paglia haar 'heidens katholicisme'.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat Paglia in haar 'Sexual Personae' meer dan eens de autoriteit van Oswald Spengler inroept. Wel verwonderlijk is het dat ze die van Otto Weininger volkomen negeert. Terwijl er toch moeilijk een ander boek te noemen valt dat zo veel bewijsplaatsen bevat voor Paglia's theorie over het sekseverschil als diens 'Geschlecht und Charakter'.

In dat boek verenigt Weininger twee stellingen. De eerste is van een verbluffende mathematische eenvoud: man staat tot vrouw is als iets staat tot niets. De tweede stelling compliceert de zaak: ieder mens is biseksueel. De combinatie van beide stellingen levert de volgende levenswijsheid op: wil je ooit iets voorstellen, iets bereiken, iets scheppen, bestrijdt dan het niets, ofte wel de vrouw in jezelf, die met alle middelen die haar ter beschikking staan, zal proberen je in het zuigende zwarte gat van haar totale betekenisloosheid te lokken. Het is de voorafschaduwing van Paglia's stelling dat mannen de cultuur hebben voortgebracht door zich tegen de vrouw af te zetten, en omgekeerd: dat vrouwen alleen tot cultuurscheppingen in staat zijn wanneer ze zich net zo ver van hun eigen vrouwelijkheid verwijderen.

De verwantschap tussen Paglia en Weininger gaat nog verder. Ze reikt tot diep in beider persoonlijkheid. Iemands persoonlijkheid, zo leert Paglia ons, valt samen met diens stijl. Welnu, Otto Weiningers 'Geschlecht und Charakter' is een klassiek voorbeeld van een hysterische tekst, een tekst geschreven ter bezwering van de demon in des schrijvers ziel. En Weiningers demon, het is genoegzaam bekend, was zijn homoseksualiteit, die hij trachtte te kooien door zijn vrouwenhaat tot metafysische proporties op te blazen. Vergeefs, want hij blies daarmee zichzelf op: kort na het verschijnen van zijn even schizofrene als geniale monografie pleegde de drieentwintigjarige auteur zelfmoord.

Ook Paglia's 'Sexual Personae' laat zich lezen als een hysterische tekst. Je voelt op je klompen aan dat de auteur evenzeer wordt gedreven door ontdekkingen over haar eigen seksuele ambiguiteit - daarover laat ze trouwens in interviews geen misverstand bestaan - als door nieuwsgierigheid naar de seksuele dubbelzinnigheden in de kunstwerken die ze bespreekt. Alleen heeft Paglia het geluk in een wereld te leven die heel wat meer ruimte laat voor seksuele zelfoverpeinzing dan het fin de siecle-Wenen van Weininger.

Hysterische teksten - een kwalificatie die allerminst neerbuigend is bedoeld - zijn vaak te herkennen aan de ononderbroken cirkelgang die ze maken. Dat zie je zowel in 'Geschlecht und Charakter' als in 'Sexual Personae'. In een dwangmatige cyclus tovert de auteur met weidse armgebaren keer op keer weer het konijn tevoorschijn dat hij er eerst onder de ogen van het publiek zelf heeft ingestopt. Die cirkelgang geeft de tekst zijn bezwerende werking. Ze brengt de lezer in de ban van de onrust die de schrijver de baas probeert te worden.

Maar daar moet de lezer zich dan wel voor openstellen. Wie onmiddellijk een moreel scherm neerlaat tussen zichzelf en de tekst, blijft ongevoelig voor de betovering die van Weiningers meanderend proza uitgaat en ontneemt zich daarmee tegelijk de kans op de seksuele zelfbezinning die 'Geschlecht und Charakter', wat je er ook van vinden mag, toch te bieden heeft. Met 'Sexual Personae' is het al net zo: wie zich afsluit voor de muzikale structuur van de tekst, waarin epische voortgang en lyrische crescendo's elkaar in een fascinerend ritme afwisselen - en het zijn vooral verontwaardigde feministen die door die muziek heen stampvoeten -, zal nooit gegrepen worden door Paglia's fascinerende ontdekkingen van onvermoede seksuele gestalten in de hoogtepunten van de westerse beschaving.

Wanneer we nu nog enkele decennia verder teruggaan, komen we uit bij Friedrich Nietzsche, Paglia's meest gewaardeerde voorbeeld. Nietzsche was een jaar of zesentwintig toen hij in zijn ziel de goden verzoende die Paglia, toen ze ongeveer even oud was, pas voor het eerst leerde onderscheiden. Het zijn de goden Apollo en Dionysos, de hoofdpersonen van Nietzsche's 'Die Geburt der Tragodie', waarin hij de grootsheid van de hellenistische cultuur trachtte te doorgronden. We zouden heel wat meer van schoonheid begrijpen, zo begint hij zijn monografie, wanneer we van de vaste overtuiging zouden uitgaan dat 'de ganse ontwikkeling van de kunst onlosmakelijk is verbonden met de tweevuldigheid van het apollinische en het dionysische, net zoals de voortgang der mensheid van de tweedracht der geslachten, van hun voortdurende strijd en hun immer slechts tijdelijke verzoening afhangt'.

Apollo en Dionysos: de twee oerkrachten waaruit volgens Nietzsche de Griekse wil tot kunst is opgeborreld. Apollo, dat is de wil tot helderheid, eenduidigheid en eenvoud, de wil tot kennis, tot schoonheid, tot individualiteit, tot losmaking uit het moeras van het leven, de wil tot zelfbesef, zelfbepaling en zelfbekrachtiging. Dionysos staat daarentegen voor de wil tot zelfverlies en zelfdestructie, de wil tot roes, tot onderdompeling in de eeuwig voortgaande cyclus van groei en verval, de wil tot eenwording met de totaliteit van het leven, de wil tot meegevoel, tot medelijden, tot democratie. Het was Nietzsche's diepste overtuiging dat Apollo en Dionysos niet zonder elkaar konden, dat Apollo zonder Dionysos iedere levenskracht zou ontberen en dat Dionysos zonder Apollo niets van waarde tot stand zou weten te brengen.

Om wat voor reden ook heeft Paglia gemeend deze oerkrachten een geslacht te moeten geven. Ze bindt ze vast aan de lichamen van de beide seksen: Apollo aan die van mannen en Dionysos aan die van vrouwen. Voor Nietzsche was de vergelijking van de strijd tussen Apollo en Dionysos met de strijd der seksen echter slechts een analogie, bedoeld om het fundamentele en onvermijdelijke karakter van de godenoorlog te benadrukken. Paglia maakt er een homologie van, een wezenlijke overeenkomst in functie en betekenis: het apollinische is het mannelijke, het fallische, het krachtig gerichte boogje waarmee mannen tegen bomen en in grachten kunnen plassen; en het dionysische is het vrouwelijke, het vaginale, de machteloze ongerichtheid waarmee vrouwen slechts de grond onder hun voeten kunnen bewateren.

Ook Paglia is uit op een verzoening van beide Griekse goden. Het grote verschil met Nietzsche is echter dat ze zich die verzoening als een zuiver seksuele vereniging voorstelt. Ze heeft zich ten doel gesteld de kunst, het leven, ja zelfs de politiek neer te zetten als een groot seksueel festival, een groot gekostumeerd bal waarop mensen hun gewone, alledaagse gezichten tooien met maskers die hun ware seksuele aard verraden. Een gewaagd streven, maar het moet gezegd: ze komt er een heel eind mee. 'Sexual Personae' is een feeerieke parade van seksuele karakters. Op de fraaiste praalwagens heeft Paglia de kunstwerken geplaatst waarin Apollo en Dionysos tot een precair machtsevenwicht zijn gekomen: het ranke kopje van Nefertite, de welomlijnde gestalte van Botticelli's Venus, de onophoudelijk filosoferende orgiasten van markies de Sade, en in het tweede, nog te verschijnen deel van 'Sexual Personae', de erotische iconen van popzangeres Madonna.

Wat Wagner was voor Nietzsche is Madonna voor Paglia: een tijdgenoot in wie alles wat de cultuur op dat moment aan mogelijkheden kent, samenkomt en een volmaakte esthetische vorm krijgt. Nietzsche en Paglia zien hun idolen als stralende theatrale gestalten, die zichzelf aan de eigen haren omhoog trekken uit het moeras van de eigentijdse cultuur.'Madonna, oprijzend uit de ethergolven als een Venus, kwam aandrijven op de immense rivier van de rock. Haar kunstzinnige verbeelding golft en deint op het ritme van de diepste stromen in de Amerikaanse muziek.'

Het zijn woorden van een zelfde gezwollenheid als waarmee Nietzsche ooit de lof van Wagner zong. Totdat het hem ineens ging tegenstaan en hij zich begon te ergeren aan de al te Duitse diepten van zijn voormalige vriend en weldoener. Dat leverde een van de fraaiste scheldschriften van de negentiende eeuw op. Zullen we het ooit meemaken dat Paglia, iemand die net zo min als Nietzsche erg standvastig is in haar loyaliteiten, een verbeten aanklacht schrijft tegen de valse klanken waarmee Madonna de Amerikaanse ziel vergiftigt?

Zo ver is Paglia nog niet. Voorlopig ligt ze, ondanks de schijn van het tegendeel, nog een straatlengte achter op Nietzsche als het gaat om boosaardig raas- en tierproza. Haar gescheld in haar bundel 'Sex, Art, and American Culture' op de mode van de Franse filosofie mag er weliswaar wezen, maar is nog lang niet zo superieur als bijvoorbeeld Nietzsche's scheldschrift 'Ecce homo'. Laat staan dat ze hem weet te evenaren in pathologische zelfverheerlijking. Haar 'Ecce femina' houden we nog van haar tegoed.

Maar toch. Nietzsche, Weininger en Spengler - eindelijk is er een vrouw die hen gezelschap komt houden. Eindelijk is een vrouw opgestegen tot de Olympische hoogte van deze kampioenen van de gefrustreerde cultuurkritiek, deze recordhouders van de intellectuele sublimatie, deze gladiatoren van de seksenstrijd en deze bekerwinnaars van de onbarmhartige polemiek. Als dat geen triomf voor het feminisme is...

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden