Het is een voorwerp dat me toegang verschaft tot een andere wereld, meer dan mijn zwembril, mijn racefiets en mijn hardloopschoenen

Kunt u één ding, een persoonlijk bezit aanwijzen dat uw leven weerspiegelt? Deze zomer laat Letter&Geest acht auteurs zoeken naar een betekenisvol object. Vandaag: Coen Simon

Toen ik een jaar of vijf was kocht mijn vader van een van zijn patiënten voor honderd gulden een piano. Het witte gevaarte werd in de speelkamer gestald en mijn zussen gingen op les. Met mijn vriendjes gebruikte ik het ding voorlopig alleen op regenachtige dagen als doel voor de voetbalpartijtjes met een sokkenbal.

De ernst waarmee mijn zussen toonladders repeteerden en hun muzikale vorderingen bewogen mijn ouders tot een meer serieuze aanschaf. Met de nieuwe grenenhouten piano verscheen ook een nieuwe pianojuf, een jonge blonde vrouw, altijd in een rok tot vlak over haar knieën. Ik weet niet of zij de doorslag gaf, maar ook ik voelde de neiging om een sluimerend muzikaal verlangen te beantwoorden.

Van de eerste lessen is me één zaterdagochtend helder bijgebleven. Ik had een week hard gestudeerd op een simpel melodietje voor de rechterhand, waarbij de juf die ochtend een tweede partij zou spelen. De quatre-mains - feitelijk met drie handen gespeeld - kwam haperend op gang omdat ik moest wennen aan haar rechterhand die ze zo nu en dan gracieus over de mijne plaatste, maar toen ineens mijn melodie samenviel in de harmonie van haar partij vergat ik het ongemak van onze lichamelijkheid en voelde ik het walsje als vanzelf door mij heen stromen. De speelkamer vulde zich ermee. De muziek verhief de muziekles tot een tafereel. De piano leek niet langer een instrument dat geluid voortbracht. De drie dansende handen, de gladde witte toetsen en de sierlijke noten voor me, vormden een geheel met de muziek, die bestond los van mijn wil.

Het geluk was van korte duur. Ik miste de techniek om op te gaan in het spel. In mijn overgave stelde mijn lichaam zich op luisteren in, waardoor mijn hand stil bleef staan op het klavier. Aan de muzikale transcendentie kwam abrupt een einde. "Waarom stop je nou?", vroeg ze met haar handen alweer in haar schoot. Van die ochtend kan ik me verder alleen nog mijn schaamte herinneren en dat m'n billen plakten in mijn broek op het skai van de pianokruk.

Toen twee jaar later de pianojuf trouwde en verhuisde naar de stad kreeg ik geen andere juf meer. De piano gebruikte ik alleen nog op zondagen voor het stemmen van de ukelele, waarmee ik mijn vaders gitaarspel probeerde bij te benen, met de paar grepen die hij me leerde. Ik moest ik me tot het uiterste concentreren om me niet in het luisteren te verliezen. Vooral als we 'Where have all the flowers gone?' speelden. Ik kende het van een cassette in de auto van mijn vader - een uitvoering van Harry Belafonte. Als we in het weekend terugreden van opa en oma zongen ook mijn broer en zussen het luidkeels mee.

Wat mij betreft speelden we de hele middag dit lied. Dat was deels luiheid - nog steeds oefen ik liever dat wat ik kan, dan dat wat ik eigenlijk nog vele malen zou moeten repeteren. Maar er was meer met het lied aan de hand. Zowel in de tekst als in het muzikale schema maakt het een betoverende cirkelbeweging. Ik stelde me het voor alsof we ons samen lieten meevoeren in een kano in de stroom van een eindeloze rivier. We sloegen ons er samen doorheen, couplet voor couplet, het hoge slaggeluid van mijn ukelele vloeide over in de warme akkoorden die de gitaar van mijn vader voortbracht. En in mijn vaders stem, die me van over mijn rechterschouder bereikte, hoorde ik het geluid van Belafonte. Zo nu en dan zongen we per ongeluk tweestemmig. Plichtmatig speelden we ook de andere liedjes uit het boek met evergreens, om ten slotte opnieuw in de kano te stappen en met het kippenvel op de armen ons door de stroom mee te laten voeren.

Je hoeft niet te kiezen tussen sport en muziek, maar bij mij ging het wel zo. De behoefte om een muziekinstrument volledig te beheersen, verdween naarmate ik opging in de sport. Eerst met judo en hockey en later met het zwemmen, fietsen en hardlopen van de triathlon. De discipline die ik miste voor de muzikale oefening was in de sport een vanzelfsprekendheid. Ik trainde veel en op alle mogelijke momenten van de dag. Totdat een ernstige blessure aan beide achillespezen dit verhinderde. Van de een op de andere dag kon ik geen enkele sport meer beoefenen. Er werd me van alle kanten aangepraat dat ik in een depressie zou geraken als ik niet snel een andere levensinvulling vond. En dat bracht me opnieuw in de muziek.

Toen ik probeerde te bedenken wat ik met dezelfde bevlogenheid kon doen waarmee ik had gesport, besefte ik plotseling dat ik me veel te vroeg had neergelegd bij het idee dat ik het talent ontbeerde om aan mijn muzikale verlangens te beantwoorden. Op de leeftijd dat ik tot deze willekeurige conclusie was gekomen had ik nog geen idee van tijd. Ik had jongens en meisjes om mij heen gezien die een muziekinstrument beheersten alsof het een verlengstuk van hun lichaam was en ik achtte de kans nihil dat ik deze achterstand ooit nog zou inhalen.

Inmiddels wist ik dat mijn tijdsbesef te statisch was geweest. Het spreekt voor zich dat dit besef naarmate je ouder wordt verandert, maar op dat moment hield ik daarvoor nog heel duidelijk twee gebeurtenissen verantwoordelijk. Allereerst had ik net aan den lijve ondervonden wat de puberteit in een korte periode aan wonderlijke veranderingen teweeg kon brengen. Maar bovendien was in diezelfde periode mijn kinderlijke geduld op een dag zo zwaar op de proef gesteld dat ik daardoor een eigenschap van de tijd ontdekte die ik niet voor mogelijk had gehouden.

Het is een nogal banaal voorval, maar voor mij was het beslissend. En waarom zou wijsheid zich alleen openbaren op het topje van de hoogste berg? Hoe dan ook, deze wijsheid kwam me tegemoet in de lange rij voor een concert van Bruce Spingsteen in De Kuip.

Reizen was ik op die leeftijd nog niet gewend, dus de tocht die mijn broer en ik ondernamen uit ons Veluwse dorp naar Rotterdam vond ik al erg lang. Maar omdat we vooraan wilden staan waren we nog veel vroeger dan nodig vertrokken. Ik had me voorgesteld dat we aankwamen bij het stadion, ons kaartje lieten zien, het veld opholden en daar vervolgens in kleermakerszit zouden hartenjagen totdat The Boss en zijn E Street Band het podium op zouden lopen. Maar bij aankomst, was van hollen en kaarten geen sprake, we stonden meteen in een lange rij voor een nog dicht stadion. Toen na twee uur het stadion openging en de rij voorzichtig in beweging kwam, merkte ik pas mijn volle blaas op. Plassen was nu uitgesloten. Door me te concentreren op onze beweging richting ingang had ik de hoop dat ik het zou volhouden. Ik wist toen nog niet dat we na de ingang meteen in een nieuwe stilstaande rij terecht zouden komen, de rij voor vak VELD - een vak dat voorlopig ook nog geen toegang bood. Ik ben vergeten waar en wanneer ik uiteindelijk het verlossende toilet vond, maar wat ik niet vergat is dat ik op een euforisch moment tijdens het concert - Springsteen blies het intro van 'The River' op zijn mondharmonica - dit inzicht kreeg: dat alle tijd van het wachten was opgelost. Ik zei al dat het banaal was, maar wie niet bereid is om het gewone te bestuderen zal het universele nooit op het spoor komen. Het inzicht leverde me een geduld op waar ik nog altijd de vruchten van pluk. Als iets lang gaat duren, of heel moeilijk is, weet ik sindsdien dat er een moment komt dat deze tijd oplost, ergens in een toekomstig heden. Hoevaak en hoeveel ik ook zal wachten in mijn leven, nergens wordt dit wachten opgeslagen, het wachten is altijd weer verdwenen bij aankomst.

Dit nieuwe tijdsbesef bracht me van het kinderlijke idee af dat mijn achterstand in de muziek te groot was geworden om er ooit nog bedreven in te raken. Precies een week nadat ik geblesseerd was geraakt kocht ik voor honderd gulden een countrygitaar. In de bibliotheek leende ik een boek met liedjes van Bob Dylan en een lesmethode voor fingerpicking en folkmuziek. Met het fanatisme van een topsporter stortte ik me op het gitaarspelen. Al snel dacht ik aan niets anders meer. Op school schreef ik schriften vol met liedteksten van Springsteen, Young en Dylan, zodat ik in stilte en bij afwezigheid van mijn gitaar toch de muziek in me kon oproepen. En terwijl ik gebogen over het schrift de teksten prevelde voelde ik met mijn linkerduim aan de vingertoppen van die hand de laagjes eelt die zich daar in korte tijd hadden gevormd door het harde drukken op het halfedele metaal van de snaren.

In deze eerste begeestering van het gitaarspelen werd ik lyrisch, alleen al als ik een gitaar zag staan. Die opwinding is inmiddels getemperd, maar de gitaar is nooit meer dat voorwerp geworden wat het in nog onbezielde toestand was geweest. Nooit meer een van de toevallige voorwerpen van een huisraad, maar een toegang tot een andere wereld. Dat gevoel kende ik ook wel een beetje van andere dingen. Mijn zwembril, mijn racefiets en mijn hardloopschoenen ontstegen ook altijd hun eenvoudige karakter als middelen en brachten me in een andere sfeer. Maar zo sterk als ik dat met de gitaar had kende ik het nog niet.

Pas veel later bedacht ik, dat wat ik ervoer bij het zien van een gitaar een uitvergrote karaktereigenschap is van ieder 'middel': hoe beter het middel werkt, hoe minder het als middel ervaren wordt; in perfectie brengt het middel ons immers in onmiddellijke aanwezigheid van ons doel. Dat het toch altijd een voorwerp blijft dat tussen mijn wil en de door mij gewilde wereld in staat, voelde ik toen ik voor het eerst een linkshandige gitaar in handen kreeg. Als voorwerp toonde de gitaar zijn begeerlijke bemiddeling naar die nieuwe wereld waaraan ik zo verslingerd was geraakt, maar als middel werkte het niet. In plaats van een toegang, ervoer ik het ding als een afgesloten deur.

Juist door de weerstand die het muziekinstrument als ding kan hebben voelde ik, anders dan tijdens mijn eerste pianolessen, hoe belangrijk techniek en oefening zijn om de onmiddellijkheid van het middel te bereiken. Alleen door oefening gaat het zogezegd vanzelf. Een paradox die eigenlijk al het menselijk geklooi samenvat: een leven lang oefenen we om ons hele doen en laten van nature te laten zijn. En ik geloof dat het deze paradox is, waardoor ik zoveel om de gitaar geef. Van alle instrumenten belichaamt de gitaar het best deze tegenstrijdige menselijke conditie. Anders dan bijvoorbeeld bij de piano, zit er geen mooie afgewerkte klankkast om de snaren gebouwd, die dan via glimmende ivoren toetsen en zachtzinnige hamertjes tot klinken kunnen worden gebracht. Bij de gitaar zie je en voel je meteen waar het geluid vandaan moet komen. Na een avondje tokkelen is mijn duim grijs van het metaal van de snaren die ook de klank voortbrachten en mijn dijbeen en borstkas doen trillen. De gitaar blijft zo duidelijk een ding, een fijnbesnaard stuk hout, waaruit als door een wonder muziek kan vloeien.

Al speelde ik met veel plezier in allerlei bandjes ook de elektrische gitaar, en leerde ik na mijn studie de accordeon bespelen, het meest treft me nog altijd het geluid van fingerpicking, van de jonge Dylan, van de Carter Family, en vooral van Townes Van Zandt - deze nummers zijn de Bach partita's van de country en Van Zandt is de Glenn Gould onder de uitvoerders.

Het geluid dat hij uit de gitaar haalt, doet me denken aan de pentekeningen van Rembrandt waarbij een minimum aan vloeiende lijnen en welgemikte krassen zorgen voor het ontstaan van een schitterende voorstelling, zonder dat je de materialiteit van het papier en de inkt uit het oog verliest. Een kunst die zich bevindt op de grens van het medium en de voorstelling. De magische overgang van het materiële middel naar de geestelijke voorstelling.

Ik heb door vergelijking van Rembrandt met countrymuziek vast al tegen vele kunsthistorische schenen geschopt. Ik vrees dat het voor hen nog oneerbiediger wordt.

De voorstelling die uit een muziekinstrument kan worden getoverd is vele malen wonderlijker dan die Rembrandt met inkt op papier kon krijgen. 'Singing some of these songs is been like living them', vertelt Neil Young tijdens een fameus optreden van hem op 19 januari 1971 in Massey Hall in Toronto. Probeer dat maar eens met een beeld - uit welke geniale handen deze ook geboren is. Muziek kan iets wat de beeldende kunst niet kan en de literatuur slechts in mindere mate, het kan uit zijn kunstmatigheid een echte gebeurtenis baren, een gebeurtenis die duurt.

Muziek kan namelijk de tijd vatten, niet als voorstelling - dan kan een afbeelding ook, en nog beter kan de literatuur dat - maar muziek neemt tijd vanzelf als hoorbare eigenschap in zich op. Ik bedoel niet de statische natuurwetenschappelijk tijd, dan heb je aan een metronoom genoeg. Ik bedoel de tijd zoals we deze beleven, met haar versnellingen, vertragingen en variaties. Muziek bestaat in de zelfde voorbijgaande beleving als de ervaring, maar tilt deze ervaring ook meteen op tot een voorstelling van deze ervaring, door de verzelfstandigde vorm van het muzikale schema. Het verklaart misschien ook wel waarom muziek zo gemakkelijk een stroom van herinneringen opgang brengt. Niet omdat het geluid ons aan een eerdere gebeurtenis doet denken, maar doordat ieder lied of muziekstuk bestaat bij gratie van herhalen en voorbijgaan. De beleving van een lied is ook altijd al de herinnering eraan.

Onlangs hoorde ik dat een oude vriend zijn gitaar had weggedaan. Ooit zong ik met hem en zijn toenmalige vriendin de liedjes van de Carter Family en Townes Van Zandt. Het was de tijd tussen studie en een eerste serieuze baan. Op de zaterdagavonden zaten we rond een tafel, onze gitaren op schoot. Ieder een eigen partij, ieder een eigen stem. Gelukkig liet de techniek me niet meer in de steek. Ik kon luisteren en spelen tegelijk. En daar verschenen dan al die liedjes, alsof we er zo in konden stappen. De meeste van die nummers hebben dezelfde oneindige loop in hun schema als 'Where have all the flowers gone'. We volgden de stroom van de tijd, pikten er een stukje uit en dreven op de herinnering van dit heden mee.

Ding gitaar Materiaal rozen- en mahoniehout en metaal Afmetingen lengte 105 cm, breedte van 4 tot 40 cm, dikte (klankkast) 11 cm Waarde 300 euro Citaat'Het geluid dat hij uit de gitaar haalt, doet me denken aan de pentekeningen van Rembrandt'

Coen Simon
Coen Simon (1972) is schrijver en filosoof. Dit jaar verscheen van hem 'En toen wisten we alles. Een pleidooi voor oppervlakkigheid' (uitgeverij Ambo) en werd hij genomineerd voor de Socrateswisselbeker 2011 voor zijn boek 'Zo begint iedere ziener' (uitgeverij Ambo). Volgens de jury ervan zijn zijn 'essayistische filosofische bespiegelingen' oproepen tot wijsgerige 'vertraging', tot stilstaan zelfs, "bij de dagelijkse, persoonlijke ervaringen: een autorit, een jeugdliefde; ook zulke ervaringen verdienen filosofische reflectie".

Simon ondesrcheidt zich van veel collega-filosofen door zijn literaire stijl; in Letter & Geest publiceerde hij eerder dit jaar een filosofisch feuilleton, 'De mythe van Pulgrum'. Hoewel elke overeenkomst met de werkelijkheid op toeval berustte, was de hoofdpersoon, Lars Top, net als zijn geestelijk vader een uit de Randstad uitgeweken filosoof die zijn geluk beproefde op het Noord-Groningse platteland.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden