Review

Het is de vraag of Sren Kierkegaard zich met antidepressiva had laten behandelen

“Maar de vader en de zoon waren misschien wel twee van de zwaarmoedigste mensen die sedert mensenheugenis geleefd hebben”, schreef Soren Kierkegaard (1813-1855). De zoon was hijzelf en de zwaarmoedigheid ontsproot aan het zondebewustzijn van zijn vader, die God in zijn jeugd vervloekt had vanwege zijn armoede. Soren beleefde zichzelf als een eenling, iemand die niet thuishoort in de gewone maatschappij.

Onder de schuilnaam Vigilius Haufniensis schreef de Deense wijsgeer de wellicht diepzinnigste verhandeling over angst, ooit gepubliceerd. Zijn 'Het begrip angst' (1844) kreeg een loodzware ondertitel: 'Een eenvoudige psychologische aanduidende overlegging, gericht op het dogmatische probleem van de erfzonde'. Dat klinkt ouderwets gereformeerd.

In hetzelfde jaar verscheen 'Wijsgerige Kruimels' van ene Johannes Climacus, nadat een andere Johannes, de Silentio, in 1843 'Vrees en Beven' had gepubliceerd. Silentio, Vigilius en Climacus kun je zien als drie zielen in één borst. Stuk voor stuk stelden deze pseudoniemen Kierkegaard in staat de verschillende en soms tegenstrijdige aspecten van eenzelfde probleem te belichten. Overigens ontkende Kierkegaard later in alle toonaarden dat de boeken over hemzelf gingen.

Voor 'Angst en bevrijding' koos Anthonie Verheule een ondertitel die sommige lezers, denk ik, zal afschrikken: 'Theologisch en psychologisch handboek voor pastorale werkers'. Dat is erg jammer, want het is een zeldzaam mooi en leerzaam boek, ook voor wie geen dominee of psycholoog is. Verheule kon putten uit zijn jarenlange ervaring als pastor in een psychiatrisch ziekenhuis. Pas in het derde deel, dat ongeveer een kwart van het boek beslaat, komt angst en pastoraat om de hoek kijken.

Lievige, esoterische schrijfsels over pratende bomen, lectuur over emotionele intelligentie en de bekende ik-ben-oké-jij-bent-oké-boeken hebben in vergelijking met 'Angst en bevrijding' niks om het lijf. Voor een boek als dit blijf je met liefde een nachtje op, al vrees ik dat sommige lezers het net iets te dik of te moeilijk zullen vinden. Doorwrocht, met een uitgebreid notenapparaat, neemt het bijna de allure van een opus magnum aan. Het komt in de buurt van 'Concepten van angst en angststoornissen' (1991) van de psychiater Gerrit Glas, een van de beste psychiatrische proefschriften die ik ken. Daarin spelen de opvattingen van Kierkegaard over angst een al even cruciale rol.

Angst is een merkwaardig maar ook zeer menselijk verschijnsel, dat al eeuwenlang benaderd wordt vanuit twee verschillende invalshoeken: als een geestestoestand en als een biologisch fenomeen. In 'Angst en bevrijding' ligt het accent op de eerste invalshoek, waardoor je filosofen, theologen en zielkundigen af en aan ziet snellen.

Wijsgeren als Kierkegaard, Hegel, Rosenzweig, Levinas en Heidegger worden onbekommerd geciteerd, terwijl Lucretius en Descartes doodleuk worden overgeslagen (wegens ruimtegebrek?) De Bijbel natuurlijk niet, net zomin als (ex-rokkenjager) Augustinus, William van Ockham, Luther, Calvijn, Karl Barth, Dietrich Bonhoeffer, Paul Tillich en Eugen Drewermann.

Dit theologisch peloton wordt gevolgd door zielkundigen van het type Freud en Jung. Ook Erikson, Bowlby en de psychotherapeuten Albert Ellis en Irvin Yalom maken hun opwachting. Hoe absurd het menselijk bestaan is, zie je pas goed door de ogen van Albert Camus in 'De mythe van Sisyphus'. Telkens een steen de berg op moeten rollen, die weer naar beneden rolt: het leven als de meest zinloze en nutteloze straf.

Behalve voor de wijsgerige, religieuze en pastorale aspecten heeft Verheule oog voor de biologische kant van angst. Kern van de paniekstoornis bijvoorbeeld is angst voor controleverlies en de angst om dood te gaan. Iemand die lijdt aan een obsessief-compulsieve stoornis, vroeger dwangneurose genoemd, gebruikt vaste rituelen om de innerlijke onzekerheid met bijna ijzeren vuist te beteugelen.

Over de werking van benzodiazepinen en (vooral serotonerge) antidepressiva bij paniekaanvallen en angst is de schrijver gematigd enthousiast. Ze “kunnen het zelfvertrouwen stimuleren en daardoor de wil om een echte oplossing voor de angsten te vinden, versterken”.

Wie de echte oplossing voor angst weet, mag het zeggen. Welke angst wordt overigens bedoeld en welke angst vinden mensen het ergst? De angst voor het verlies van de ander, je partner, je kind? De angst om in de steek gelaten te worden? De angst voor vernietiging en beschadiging, voor de aantasting van je eergevoel? Of is de existentiële angst, de angst voor God, de dood of het eigen geweten nog erger?

Dat brengt ons weer bij Kierkegaard. Diens vader hertrouwde een jaar na de dood van zijn vrouw met zijn dienstmeisje, dat toen al vijf maanden zwanger was. Zo is het leven. Moet kunnen, zult u zeggen. Maar die vader bleef desondanks een uitgesproken somberman.

Om zich van de depressieve buien van zijn vader los te maken begon Soren een leven als losbol en bon vivant. In die periode zou hij, 23 jaar oud, een bordeel hebben bezocht. Maar over de op zich reële angst voor ernstige gevolgen, zoals geslachtsziekte of tering, horen we hem niet.

Nee, met Krankheit zum Tode moet Kierkegaard toch iets anders hebben bedoeld. In de verwachting niet ouder te zullen worden dan 33 jaar en nog meer vanwege zijn hardnekkige depressieve klachten, durft hij niet te trouwen. Hij verbreekt zijn verloving. En voelt zich schuldig.

Zijn leven en werk worden door melancholie gekleurd. Hij schrijft over schuld, angst, eeuwigheid en tijd, het ogenblik waarop eeuwigheid en tijd elkaar ontmoeten, wat tevens het ogenblik van de beslissing is. Als mens zit je ingeklemd in de benauwde driehoek van het tijdelijke, het lot en de schuld. Die ziekte bedoelde Kierkegaard dus.

Volgens Kierkegaard zijn drie angsten met de tijdelijkheid van de mens gegeven. In de eerste plaats de geestloze angst, waarbij uitzinnig genot en tijdelijk plezier de duisternis bedekken. Alsof je met de euforie van een manisch-depressieve patiënt te maken hebt: “Laat ons eten en drinken en vrolijk zijn, want morgen sterven wij!” Als dat niet autobiografisch is. Het is de angst van de oppervlakkig levende mens, vervreemd van zijn eigenlijke bestaan.

Dan heb je nog de angst voor het noodlot, zoals bij Oedipus, die ongeweten een vadermoord begaat en incest met zijn moeder pleegt. Aan dit lot kleeft schuld. Voor het genie is het lot echter juist een uitdaging, zegt Kierkegaard, een mogelijkheid waarop hij wacht én die hij vreest. Als voorbeeld noemt hij Napoleon. Er bestaat een duidelijk verband tussen lot en schuld. Het is God die het lot bestuurt. Maar het lot wordt uitgelokt door zonde en schuld. Een willekeurig lot bestaat eenvoudig niet. Lot is schuld. Lot is keuze.

Ten slotte is er schuldangst. Wie zich kwelt met schuldgevoel en berouw, wordt zich tegelijkertijd bewust van de diepten van het menselijk bestaan. Hoe dieper de angst, hoe groter de mens. Toch dreigen we hier in het moeras terecht te komen. En zelfmoord ligt op de loer. De angst voedt de mens op tot geloof in de voorzienigheid en de verzoening. Alleen bestaat de kans dat hij deze angst verkeerd begrijpt en niet tot het geloof komt, waarna hij verloren is en de angst hem tot zelfmoord drijft. Ook al heb je als mens een keuzemogelijkheid, primair is de angst voor jezelf en je eigen innerlijk. Je bent schuldig aan je eigen lot en dood.

In onze tijd geven we liever een ander de schuld, of de omstandigheden. Het eigen schuldgevoel is enkel symptoom (van depressie) geworden. Bij pech denken we meteen aan een flinke schadeclaim. Verantwoordelijk voor onze daden, dat zijn altijd de anderen: de overheid of de politie. En de verzekering betaalt. Gebeurt dat niet, dan zijn we boos of teleurgesteld. Gezondheid is een recht. Gezondheid kun je kopen. Het is trouwens zeer de vraag of Kierkegaard, in onze tijd levend, voor zichzelf een behandeling met (serotonerge) antidepressiva zou hebben geclaimd. Ze helpen bij depressies én angststoornissen. Dat deze symptomen bij elkaar horen, is al bekend sinds Robert Burton in 1621 zijn 'Anatomy of Melancholy' publiceerde.

In de 'Cambridge Illustrated History of Medicine' wordt Kierkegaard niet en Burton wel genoemd. Het werk is thematisch opgezet met een prikkelend kritisch betoog. Het is bovendien een schitterend platenboek en gelukkig heeft men de homeopathie en psychiatrie nu eens niet over het hoofd gezien.

De 'huisarts' in de loop der eeuwen en de nieuwste ontwikkelingen worden goed beschreven. Dat de Amerikaanse medische zorg in de vorige eeuw erg primitief was, kun je nu nauwelijks nog geloven. Het was de tijd dat (medische) geschiedenis nog in Duitstalige contreien werd gemaakt. Zo verrichtte de Weense chirurg Billroth in de tweede helft van de vorige eeuw zijn pionierswerk bij patiënten met maagkanker.

Een raadsel blijft de geestesziekte van George III. In augustus 1788 wordt de Engelse koning prikkelbaar, hij heeft slaapstoornissen, agressieve ontladingen, is verward en spreekt obscene taal. Hij herstelt, maar de ernstige psychische ontregelingen blijven hem de jaren daarna teisteren. In 1811 stort de koning definitief in. Was hij manisch-depressief? Naar moderne inzichten leed hij aan porfyrie, een stofwisselingsstoornis, die soms gepaard gaat met psychiatrische symptomen.

Wist u dat de Amerikanen in de vorige eeuw voor de behandeling van koorts bloedzuigers importeerden uit Rusland? Critici van het aderlaten beweerden dat George Washington in 1799 aan deze 'behandeling' doodbloedde.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden