Het ironische woord als wapen

November 2003. (FOTO MARK KOHN) Beeld Trouw
November 2003. (FOTO MARK KOHN)Beeld Trouw

Hij verfoeide wat hij noemde ’meningenjournalistiek’, maar bereikte zelf uitgerekend als commentator langs de zijlijn de grootste hoogte. Jan Blokker was inconsequent. En gelukkig maar. Nederland heeft er een unieke columnist aan overgehouden.

Hij hekelde journalisten die tegen de macht aanschurkten, maar aanvaardde zelf wel een lintje van Hare Majesteit. Hij wist precies hoe journalistiek bedreven moest worden: onderzoeksjournalistiek, investigative reporting, permanent op zoek naar de feiten, dat is het. Maar hij heeft niets nagelaten waaruit zou kunnen blijken dat hij zelf het métier op die manier beheerste. Hij verfoeide wat hij noemde ’meningenjournalistiek’, maar bereikte in zijn columns als commentator langs de zijlijn uitgerekend in dat genre de grootste hoogte.

Nee, helemaal consequent was de gisteren overleden Volkskrant- en sinds 2006 NRC Next-columnist Jan Blokker niet. Hij erkende dat ruiterlijk. Dat van dat lintje, dat was waar. Maar hij had het gekregen vanwege zijn verdiensten voor de Nederlandse film, niet als journalist, luidde zijn verweer. En ja, het klopte: hij vond dat de Nederlandse kranten overwoekerd werden door meningen en columns, een kwalijk uitvloeisel van de verzuiling. Gebrek aan nieuwsgierigheid was volgens hem een van de grote euvelen van de Nederlandse journalistiek. Hij vond eigenlijk dat alle columns uit de krant verbannen zouden moeten worden.

Als adjunct-hoofdredacteur van de Volkskrant (1978-1985) had hij zijn kans kunnen grijpen, te beginnen met zijn eigen column. Maar dat kon hij niet over z’n hart verkrijgen. In 1989 zei hij in een interview: „Ik heb altijd bedongen dat ik die column in de Volkskrant kon blijven houden, ook toen ik daar adjunct-hoofdredacteur was, en ook toen ik voor de televisie werkte. Dat was een soort eigenbelang, want het is het enige wat ik echt kan. Bovendien vind ik het leuk. Het is een soort noodzaak. Ik heb mijn hele leven lang de pen gehanteerd, de schrijfmachine dan. Ik vond dat belangrijk. Reflecteren op wat er om me heen gebeurt, per dag, per week, indrukken en boosheden te verzamelen, te formuleren en vervolgens geplaatst te zien, want dat is een bijkomende deformatie. Ik schrijf stukjes omdat ik dat heb afgesproken met de krant en het moet de volgende dag erin staan.”

Gelukkig maar, die inconsequentie van Blokker. De Volkskrant, NRC Next, maar eigenlijk ook Nederland, hebben er een unieke columnist aan overgehouden. Zijn wapen: de ironie. Zijn geliefde onderwerpen: modieus links, modieus christendom, eigenlijk alles wat vals is en onecht, iedereen die, door ideologie verblind, geen oog meer heeft voor de werkelijkheid of die werkelijkheid zelfs naar eigen hand probeert te zetten. Blokker in een interview: „Ik heb een bloedhekel aan organisaties, kerken, bewegingen, sekten, christenen in de politiek. Dat kan alleen maar tot rampen leiden. Mensen mogen van mij geloven, ik heb ook m’n rare hobby’s. Maar ik heb nooit de behoefte gevoeld me met een geestverwant te organiseren tot een adres, telefoonnummer en briefpapier. Als dat gebeurt zijn de gevolgen niet te overzien, of het nou gaat om christenen of marxisten. Het blijft niet bij bidden, nee, ook jij moet bidden. En desnoods moet jij worden gedwongen. En als je dan weigert is er straf. Politieke partijen zijn in potentie gevaarlijk, vakbonden ook. Daarom ben ik geen lid. Nooit. Bovendien moet een journalist geen dubbele pet op hebben.”

Blokkers hoogtepunt als columnist lag in de jaren zeventig, toen hij het geiten-wollen-sokken-activisme, zoals bedreven op de sociale academies, aanpakte. Trouwens, ook sociale wetenschappers die na jaren studie dingen bewezen die gewone mensen met hun gezonde verstand al lang wisten waren geliefde slachtoffers.

Maar eigenlijk heeft Blokker altijd een hoog niveau gehouden, met misschien wel een opleving in het jaar van Pim Fortuyn, het jaar van de verongelijktheid, van de schreeuwlelijkerds. Het hield Blokker ernstig bezig, zoals nog eens bleek toen zijn zoon namens hem de Gouden Ganzenveer in 2003 ontvangst nam, een prijs die hij kreeg ’vanwege zijn belangrijke bijdragen aan de Nederlandse cultuur’. Bij die gelegenheid liet hij het aanwezige gezelschap discussiëren over de vraag of Johan Huizinga’s karakteristiek van het Nederlandse volk als nuchter, bescheiden en tolerant, nog wel opgaat.

Blokkers ironie zal aan de fortuynisten niet besteed zijn. Maar op de universiteiten en sociale academies van destijds lusten ze wel pap van zijn stukjes. Hij hield er uitnodigingen aan over voor spreekbeurten. Maar pas op! „Mensen die denken dat ik een grap maak vergissen zich. Ik schrijf altijd op wat ik meen en ben helemaal geen grappenmaker of humorist”, aldus Blokker zelf.

Ironie is aan Blokkers leven zelf niet vreemd. Hij schreef uitgerekend in een krant, de Volkskrant, waar in de jaren zeventig het door hem gehate modieus links de boventoon voerde. Als adjunct probeerde hij de krant een andere, meer journalistieke koers op te dringen. Maar hij pretendeerde niet dat hij persoonlijk een einde heeft gemaakt aan het linkse, politiek-ideologische gedram van de Volkskrant in de jaren zeventig. Dat kon ook niet, want dat beeld van de krant klopte volgens hem niet. „Het enige wat ik afschuwelijk vond was dat zachte-sector-gedoe. Twee mesjogge macrobioten die onkritisch werden geïnterviewd. EO-types, maar dan andersom, die rustig mochten uitleggen hoe goed het was je kinderen niet door een dokter te laten behandelen, maar ze met yin en yang in te smeren. En ik stoorde me aan de automatische-piloot-reactie als er werd geschreven over alles wat zich Polisario of anderszins vrijheidsbeweging noemde: toejuichen die boel. (...) Maar afgezien van dat soort dingen was het een goeie, liberale krant – natuurlijk niet liberaal in de standszin van het woord. Ik formuleer het zo – en wel voor de eeuwigheid –: voor zover we meer berichten over wat wenselijk ware dan over wat er feitelijk aan de hand is, gedragen we ons minder journalistiek dan we zouden moeten.”\\

Toch kwam zijn overstap naar NRC Next in 2006, Blokker was toen 79, voor de buitenwacht als een grote verrassing. Blokker haalde er zelfs het ’NOS Journaal’ mee. Directe aanleiding was een conflict over de frequentie van zijn column in de boekenbijlage. Maar zo was Blokker ook: hij wist precies wat hij waard was, al gruwde hij van de erkenning. „Alsof ik tot een aparte diersoort hoor”, reageerde hij toen deze krant hem een paar jaar geleden vroeg voor een kort interview in de Prinsjesdagbijlage naast andere columnisten. „Ik heb geen plaats in de journalistiek, ik heb er alleen bepaalde opvattingen over”, zei hij eens.

Blokker wilde niet worden ingedeeld, nergens bijhoren. Enkele uitzonderingen daargelaten natuurlijk. Met de door hem bewonderde jaargenoten (geboren in 1927) Harry Mulisch en Henk Hofland wilde hij wel in één adem worden genoemd. Het drietal liet zich zelfs tot drie keer toe (in de jaren dat ze 50, 65 en 75 jaar werden) interviewen in Vrij Nederland, om daar wat te brommen over het gebrek aan talent na hen.

Jan Blokker was veel meer dan journalist/columnist alleen: een voor altijd in de dop gebleven romanschrijver die in zijn jonge jaren, in 1950, nog eerder dan zijn leeftijdgenoot Harry Mulisch, voor zijn eerste probeersel (’Séjour’) de Reina Prinsen Geerligs-prijs ontving; VPRO-eindredacteur (1968-1978) en in die hoedanigheid medeverantwoordelijk voor de creatieve bloeiperiode van die omroep (Barend Servet, Fred Haché, Gat van Nederland, Simplisties Verbond); voorzitter van het productiefonds voor de Nederlandse film, scenarioschrijver van diverse films en tv-series; documentairemaker. Als klap op de vuurpijl was Blokker van 1991 tot 1994 bijzonder hoogleraar persgeschiedenis in Rotterdam.

Het begin van Blokkers journalistieke carrière lag bij de film. Hij begon in 1952 bij Het Parool als recensent. Simon Carmiggelt was daar de grote toneel- en filmrecensent, maar had er niet zoveel zin meer in. Hij was blij met de jonge enthousiaste Blokker. Diens fascinatie voor de film dateerde al van voor de oorlog. Zijn vader nam hem regelmatig mee naar de Cineac in de Reguliersbreestraat in Amsterdam. In de oorlog was bioscoopbezoek wegens de Duitse oorlogspropaganda taboe. Maar na de oorlog haalde Blokker de schade ruimschoots in. Hij was verslingerd aan oorlogsfilms van de Engelsen en Amerikanen. „Ik deed die oorlog nog eens over, won het nog een keer van die rotmoffen”, aldus Blokker.

In 1954 stapte hij als filmrecensent over naar het Algemeen Handelsblad. Hij prees de nieuwe generatie filmmakers (Bergman, Fellini, Godard) de hemel in. „Voor een deel om wat te stoken, want de oude garde recensenten walste die lieden juist plat. Films recenseren was in die tijd vooral een kwestie van polemiseren met elkaar. Ik ben in die tijd behoorlijk overdreven en opgefokt bezig geweest, bijna blind vond ik alles mooi wat Godard maakte. Het was ook een strijd tegen rooms, van vooruitstrevend tegen behoudend en wat mij betreft ook tegen zedenprekerij”, aldus Blokker.

Hij was gefascineerd door geschiedenis. Hij studeerde het zelf een paar jaar na zijn staatsexamen gymnasium A in 1946. En hij schreef er graag over in zijn rubriek ’Als de dag van gisteren’ in de Volkskrant. Daarbij was hij wars van het detailgeneuzel van de vakhistorici. Hij hield van de grote greep, de helicopterview, van de grove schets. Voor de journalist/historicus Sebastian Haffner met zijn prachtboeken over Duitsland en de twee wereldoorlogen had hij mateloze bewondering, zo zeer zelfs dat het interview dat hij met deze Haffner had voor de Volkskrant als een van de slechtste in de Nederlandse persgeschiedenis kan worden geboekstaafd. Blokker was een van zijn eigen journalistieke vuistregels – afstand – even vergeten.

’(Even) weg’ zette Blokker op 19 maart 2006 boven de column, die een periode inluidde van langdurige ziekte. Hij deelde z’n lezers mee ’niet helemaal gedisponeerd’ te zijn. Ook nu het over hem zelf gaat, blijft Blokker vormvast in de volgende ’dialoog’ met zijn vrouw. „Ga je dood?”, vraagt zij. Waarop hij: „Weet ik niet. Hoezo?” Waarop zij: „Dood lijkt me het enige afdoende excuus. Al heb ik je geloof ik ook nog eens horen opscheppen dat je dan toch nog zou proberen uit het hiernamaals iets naar huis te mailen of te faxen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden